Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2865

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-06-2018
Datum publicatie
05-07-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 4754
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:4215, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet IB 2001. Staking onderneming. Uitdeling. Eigenwoningschuld. Zie zaaknummers 16/4298 en 16/4751 voor staking onderneming. Niet doorberekende kosten renteswap is uitdeling. Niet voldaan aan de vereisten van artikel 3.119a en 3.120 van de Wet IB 2001 zodat kosten renteswap niet in aftrek gebracht kunnen worden als kosten die vallen onder de eigenwoningschuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 05-07-2018
FutD 2018-1828 met annotatie van Fiscaal up to Date
V-N Vandaag 2018/1475
V-N 2018/55.2.1
NTFR 2018/1710
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 16/4754, AWB 16/4755 en AWB 16/4756

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 18 juni 2018

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Almelo, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser de volgende belastingaanslagen opgelegd:

  • -

    voor het jaar 2010 een navorderingsaanslag (aanslagnummer [000] .H.07) inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV), berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.858 negatief, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 850.000 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 699, alsmede bij beschikking een boete van € 104.616. Tevens is bij beschikking € 26.970 aan heffingsrente in rekening gebracht;

  • -

    voor het jaar 2011 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.16) IB/PVV, berekend naar een inkomen uit werk en woning voor verliesverrekening van € 32.882 en een belastbaar inkomen uit werk en woning na verliesverrekening van nihil en voorts een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 3.931. Voorts heeft verweerder het nog te verrekenen verlies vastgesteld op € 1.731 en

  • -

    voor het jaar 2012 een aanslag (aanslagnummer [000] .H.26) IB/PVV, berekend naar een inkomen uit werk en woning voor verliesverrekening van € 65.050 en een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.191 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.693. Voorts heeft verweerder het nog te verrekenen verlies vastgesteld op € nihil. Tevens heeft verweerder bij beschikking € 469 aan belastingrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 juli 2015 (2010 en 2012) en van 29 juni 2016 (2011):

  • -

    de navorderingsaanslag IB/PVV voor het jaar 2010 verminderd naar een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.065 negatief, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 85.783 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 699. Voorts heeft verweerder de beschikking heffingsrente verminderd tot € 2.350. De vergrijpboete is bij beschikking van 19 juli 2016 verminderd tot nihil;

  • -

    de aanslag IB/PVV voor het jaar 2011 gehandhaafd en het nog te verrekenen verlies vastgesteld op € 38.505 en

  • -

    de aanslag IB/PVV voor het jaar 2012 verminderd naar een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.984 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.693. Voorts heeft verweerder de beschikking belastingrente verminderd tot € 211.

Eiser heeft tegen bovengenoemde uitspraken op bezwaar bij brief van 8 augustus 2016, ontvangen door de rechtbank op 9 augustus 2016, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Eiser heeft, na daartoe de rechtbank in de gelegenheid te zijn gesteld, schriftelijk gerepliceerd, waarna verweerder schriftelijk heeft gedupliceerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 mei 2018. Onderhavige zaken zijn tijdens deze zitting gelijktijdig behandeld met de zaken van [B] B.V. (AWB 16/5077, 16/5078 en 16/6391) en van mevrouw [C] (AWB 16/4298 en 16/4751).

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] , [D] en [E] .

Partijen hebben ieder voor de zitting een pleitnota toegezonden aan de rechtbank en (door tussenkomst van de griffier) aan de wederpartij, welke pleitnota's met instemming van partijen worden geacht ter zitting te zijn voorgedragen.

Overwegingen

Feiten

1. Voor de feiten met betrekking tot de winstuitdeling verwijst de rechtbank naar de uitspraak van vandaag in de zaaknummers AWB 16/5077, AWB 16/5078 en AWB 16/6391, betreffende [B] B.V. die aan deze uitspraak is gehecht.

2. Voor de feiten met betrekking tot de staking van de onderneming verwijst de rechtbank naar de uitspraak van vandaag in de zaaknummers AWB 16/4298 en 16/4751 betreffende mevrouw [C] die aan deze uitspraak is gehecht.

Geschil

3. Tussen partijen is in geschil het antwoord op de volgende vragen:

- Heeft verweerder terecht een (verkapte) winstuitdeling in aanmerking genomen wegens het niet doorberekenen van de kosten van de renteswap door [B] B.V. aan eiser? Bij bevestigende beantwoording van deze vraag houdt partijen verdeeld of het bedrag van de uitdeling aftrekbaar is als renten van schulden of kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld.

- Heeft eiser zijn onderneming gestaakt per [2011] ? Subsidiair heeft eiser een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, waarbij hij heeft gewezen op de conclusies uit het boekenonderzoek van 2009.

4. Eiser is van mening dat geen sprake is van een uitdeling en als daarvan wel sprake is dat de kosten aftrekbaar zijn als kosten die vallen onder de eigenwoningschuld. Ook is eiser van mening dat geen sprake is van een substantiële wijziging van de totale omvang van de bedrijfsactiviteiten. Gezien de grootte van het landbouwareaal, de productie en de professionaliteit waarmee de activiteiten worden ontplooid, is volgens eiser geen sprake van hobbymatige activiteiten en is sprake van een onderneming. Hij stelt dat de waardestijging van de landbouwgronden moet worden meegeteld bij de beoordeling van de bronvraag en dat dit ook geldt voor de inkomsten uit de toeslagrechten. In dat geval zijn de resultaten vanaf 2013 positief. Maar ook als deze elementen niet meetellen, dan kan verweerder in verband met gewekt vertrouwen het standpunt uit het boekenonderzoek van 2009 niet met terugwerkende kracht wijzigen. Dat kan pas per 2016 of per 2015.

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat sprake is van een uitdeling en dat deze bedragen niet aftrekbaar zijn als renten van schulden of kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld. Ten aanzien van de stille reserves in de landbouwgronden stelt verweerder dat deze bij de bronbeoordeling buiten beschouwing dienen te worden gelaten. Ook de inkomsten uit de toeslagrechten moeten niet worden meegeteld, omdat de vof de toeslagrechten niet toegekend heeft gekregen, maar heeft gekocht, waarbij zij het geld daarvoor heeft geleend van een vennootschap van eiser. Verweerder bestrijdt het beroep op het vertrouwensbeginsel, maar stelt subsidiair dat als vertrouwen is gewekt, dit vertrouwen is opgezegd door toezending van het concept-controlerapport in oktober 2014.

Beoordeling van het geschil

Winstuitdeling

6. Van een ingevolge artikel 4.12 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001) als een regulier voordeel in aanmerking te nemen verkapte winstuitdeling is sprake wanneer een vermogensverschuiving van de vennootschap naar de aandeelhouder plaatsvindt. Van een winstuitdeling is alleen sprake indien de vennootschap haar aandeelhouder als zodanig heeft willen bevoordelen en de aandeelhouder zich daarvan bewust is geweest of redelijkerwijs bewust had kunnen zijn (de dubbele bewustheidseis). De bewijslast dat sprake is van een winstuitdeling rust op verweerder.

7. De rechtbank heeft vandaag in de uitspraak met zaaknummers AWB 16/5077, AWB 16/5078 en AWB 16/6391, betreffende [B] B.V. beslist dat de niet doorberekende kosten van de renteswap moeten worden aangemerkt als een winstuitdeling aan eiser. Voor de verdere beoordeling met betrekking tot de winstuitdeling verwijst de rechtbank naar genoemde uitspraak.

8. Voor eiser betekent dit dat bij hem de volgende bedragen als regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in aanmerking genomen moeten worden:
- voor het jaar 2010: € 85.781;

- voor het jaar 2011: (€ 72.502 - € 15.519, maar maximaal via interne compensatie te belasten is: € 3.931 en

- voor het jaar 2012: (€ 83.705 minus € 31.039, maar maximaal via interne compensatie te belasten is) € 0.

Eigenwoningschuld

9. Omdat de rechtbank heeft geoordeeld dat het niet doorberekenen van de kosten van de renteswap als een uitdeling moet worden aangemerkt, komt de vraag aan de orde of eiser deze bedragen in aftrek kan brengen als kosten die vallen onder de eigenwoningschuld.

10. De eigenwoningschuld is in artikel 3.119a Wet IB 2001 (tekst 2010: leden 1 en 3, thans: lid 1, letter a, in samenhang gelezen met lid 2) beperkt tot – voor zover hier van belang – de schulden die zijn aangegaan voor het verwerven, verbeteren of onderhouden van de eigen woning. Tot de kosten van een geldlening in verband met die schulden worden uitsluitend gerekend de kosten die rechtstreeks voortvloeien uit het opnemen, verlengen of aflossen van de voor voormelde doeleinden aangegane geldleningen (vergelijk Hoge Raad 23 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2136).

11. Eiser heeft geen overeenkomst gesloten met de bank of met de vennootschap terzake van de rentekosten van de swapovereenkomst. Een dergelijke overeenkomst is een minimaal vereiste om voor aftrek in aanmerking te kunnen komen onder artikel 3.119a en 3.120 van de Wet IB 2001, omdat het moet gaan om een schuld die is aangegaan door eiser. De grondslag voor de betaling door eiser van de rentekosten is de uitdeling die door verweerder en door de rechtbank is aangenomen en niet een door eiser gesloten overeenkomst van geldlening. Er is ook onvoldoende rechtstreeks verband tussen de verplichting tot betaling van deze rentekosten en de tussen eiser en de vennootschap gesloten geldleningsovereenkomst. Daarom kunnen deze rentekosten niet als kosten eigenwoningschuld in aftrek worden gebracht.

Staking vennootschap onder firma

12. De rechtbank heeft vandaag in de uitspraak met zaaknummers AWB 16/4298 en 16/4751 betreffende mevrouw [C] beslist dat met betrekking tot de vof geen sprake is van een onderneming maar dat verweerder als gevolg van het vertrouwensbeginsel pas met ingang van het belastingjaar 2015 correcties kan aanbrengen op deze grond. Voor de verdere beoordeling met betrekking tot de winstuitdeling verwijst de rechtbank naar genoemde uitspraak.

Slotconclusie

13. Uit het bovenstaande volgt dat de beroepen voor de jaren 2011 en 2012 gegrond zullen worden verklaard, omdat voor deze jaren wat betreft de bronvraag een geslaagd beroep is gedaan op het vertrouwensbeginsel. In het jaar 2010 is de bronvraag niet aan de orde. De uitdeling wordt in de jaren 2010 tot en met 2012 niet lager dan door verweerder in aanmerking genomen. Het beroep voor het jaar 2010 zal dus ongegrond worden verklaard.

14. De correctie in beide jaren die is gebaseerd op de stakingswinst uit de stille reserves op de toeslagrechten, moet vervallen. Voor eiser gaat het om twee derde van die correctie van € 100.000, dus om € 66.666. De rechtbank draagt verweerder op om het belastbaar inkomen, de te verrekenen verliezen en de te betalen belasting vast te stellen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank zal dit (gelet op de eventuele ondernemers-aftrekken en de overige correcties) niet zelf doen, om uit te sluiten dat daarbij vergissingen ontstaan.

15. Omdat eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen heffingsrente en belastingrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte heffingsrente en belastingrente dienen te worden verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslagen.

16. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de beroepen redelijkerwijs heeft moeten maken, waarbij de drie beroepen van eiser als samenhangende zaken worden aangemerkt. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor de repliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken. Het verzoek om kostenvergoeding voor de bezwaarfase is in de vaststellingsovereenkomst ingetrokken, zodat geen kostenvergoeding voor bezwaar aan de orde is.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep voor het jaar 2010 ongegrond;

-` verklaart de beroepen voor de jaren 2011 en 2012 gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar voor de jaren 2011 en 2012;

- bepaalt dat verweerder de belastingaanslagen voor 2011 en 2012 dient te verminderen met inachtneming van deze uitspraak (zie r.o. 14);

- bepaalt dat verweerder de beschikkingen heffingsrente en belastingrente dienovereenkomstig dient te verminderen;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.252,50;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 46 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, voorzitter, mr. A.M.F. Geerling en mr. J.J. Westerbaan, rechters, in tegenwoordigheid van mr. T.J.P. Wientjens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 18 juni 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.