Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2856

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
29-06-2018
Zaaknummer
C/05/334308/ KG ZA 18-90
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aangenomen moet worden dat in beginsel uit de aard van de vordering op grond van art. 843a Rv voortvloeit dat de eiser daarbij een voldoende spoedeisend belang heeft.

Art. 107 lid 1 VWEU: strijd met mededingingsrecht? Sprake van staatssteun?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/412
JAAN 2018/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/334308 / KG ZA 18-90

Vonnis in kort geding van 26 april 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

EXTERION MEDIA (NETHERLANDS) B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaten mrs. G.J. van Midden en M.H.J. Rest te Den Haag,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE ARNHEM,

zetelende te Arnhem,

gedaagde,

advocaten mrs. E.E. Zeelenberg en A.M. Serra te Nijmegen,

waarin heeft gevorderd als tussenkomende partij, althans voegende partij aan de zijde van de gemeente, te worden toegestaan:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

JCDECAUX NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres in het incident tot tussenkomst, althans voeging,

advocaten mrs. J.F. Nouhuys en C.G. van Blaaderen te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Exterion, de gemeente en JCDecaux worden genoemd.

1 De procedure

in de hoofdzaak en in het incident tot tussenkomst, althans voeging

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 5

  • -

    de incidentele conclusie tot primair tussenkomst, subsidiair voeging van JCDecaux

  • -

    de producties 1 en 2 van JCDecaux

  • -

    de mondelinge behandeling van 13 april 2018

  • -

    de pleitnota van Exterion

  • -

    de pleitnota van de gemeente

  • -

    de pleitnota van JCDecaux.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in de hoofdzaak en in het incident tot tussenkomst, althans voeging

2.1.

Exterion is een bedrijf dat zich toelegt op het verzorgen van buitenreclame. Zij houdt zich in dat kader bezig met het verwerven van exploitatierechten van reclameobjecten, waaronder vitrines, billboards en abri’s (zogenoemde haltevoorzieningen) om vervolgens advertentiecontracten met geïnteresseerde adverteerders te sluiten. JCDecaux drijft eenzelfde soort onderneming. Exterion en JCDecaux zijn de twee grootste marktpartijen op dat gebied in Nederland.

2.2.

Tussen JCDecaux en de gemeente is op 16 november 1995 een zogenaamde Vitrine overeenkomst tot stand gekomen. Daarnaast heeft JCDecaux in mei 2007 Wal Nederland B.V. overgenomen, welke vennootschap op dat moment partij was bij een onderhoudsovereenkomst met de gemeente en op basis daarvan exploitatierechten voor abri’s, standsinfo’s en reclamezuilen in de gemeente bezat. JCDecaux heeft deze lopende exploitatieovereenkomst voortgezet, tegen betaling van de daarin opgenomen vergoeding voor de exploitatie aan de gemeente.

2.3.

JCDecaux heeft in 2009 aan de gemeente gevraagd of de voornoemde exploitatievergoeding naar beneden kon worden bijgesteld vanwege sterk verminderde inkomsten van JCDecaux als gevolg van de economische crisis.

2.4.

JCDecaux en de gemeente hebben vervolgens besloten de voor hen uit de Vitrine overeenkomst en de overgenomen onderhouds- en exploitatieovereenkomst voortvloeiende verbintenissen te bundelen in één nieuwe overeenkomst. In dat verband is tussen deze partijen op 6 december 2010 een overeenkomst gesloten voor de duur van twintig jaar met einddatum 31 december 2030, waarbij aan JCDecaux de exclusieve exploitatierechten zijn toegekend voor het plaatsen van reclamedragende voorzieningen in de gemeente. Ook in deze overeenkomst zijn partijen een bepaalde exploitatievergoeding overeengekomen, ook wel afdracht genoemd. De overeenkomst bevat verder onder andere de volgende bepaling:

Artikel 18 Geheimhoudingsclausule

Partijen zullen de inhoud van de onderhavige overeenkomst en de gegevens die daaraan ten grondslag liggen strikt vertrouwelijk behandelen, voor zover dit wettelijke verplichtingen zich hiertegen niet verzetten. Partijen zullen indien sprake is van een wettelijke verplichting die het geven van informatie aan derden vereist vooraf aan elkaar kenbaar maken.’

2.5.

Bij brief van 27 juni 2013 heeft Exterion met een beroep op de Wet openbaarheid van Bestuur (Wob) aan de gemeente verzocht om kopieën van het reclamebeleid, de reclamenota en de overeenkomsten die met (buiten)reclame-exploitanten zijn gesloten. De gemeente heeft bij besluit van 18 juli 2013 aan Exterion onder andere de exploitatieovereenkomst met JCDecaux van 6 december 2010 toegezonden, waarbij zij de daarin opgenomen vergoedingen heeft weggelakt.

2.6.

Op 11 december 2017 heeft (de advocaat van) Exterion een brief aan de gemeente geschreven. In deze brief heeft Exterion aangegeven dat in de eerder door de gemeente toegezonden stukken geen financieel-economische onderbouwing is aangetroffen van de financiële afspraken die in het kader van de exploitatieovereenkomst met JCDecaux zijn gemaakt en dat daardoor niet inzichtelijk is of, en zo ja, op welke wijze de gemeente de door JCDecaux te betalen vergoeding voor de exploitatie heeft berekend. Exterion heeft zich op het standpunt gesteld dat de mogelijkheid dat de gemeente onrechtmatig staatssteun aan JCDecaux verleent niet kan worden uitgesloten en dat zij over de totstandkoming van de vergoeding daarom alsnog duidelijkheid wenst te verkrijgen. De gemeente heeft in reactie daarop kenbaar gemaakt dat met JCDecaux marktconforme afspraken over de exploitatierechten zijn gemaakt en dat zij geen nadere stukken aan Exterion zal toezenden.

2.7.

Bij de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, is een bodemprocedure aanhangig tussen de gemeente Zwolle en JCDecaux. In deze procedure vordert de gemeente Zwolle (onder andere) te verklaren voor recht dat in de verhouding met JCDecaux sprake is van een onrechtmatige steunmaatregel op het punt van de overeengekomen tarieven en/of, daar waar geen betaling van een vergoeding is overeengekomen, in de tussen hen gesloten exploitatieovereenkomst.

2.8.

De rechtbank Overijssel heeft op14 maart 2018 een tussenvonnis gewezen. In dat vonnis heeft zij geoordeeld dat zij op dit moment onvoldoende aanknopingspunten heeft om te kunnen vaststellen of sprake is van een door de gemeente aan JCDecaux verschaft voordeel in de zin van artikel 107 lid 1 VWEU en zo ja, wat de omvang daarvan is, zodat zij daarover wenst te worden voorgelicht door een onafhankelijke deskundige op dat gebied.

3 Het geschil

in de hoofdzaak

3.1.

Exterion vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de gemeente te veroordelen:

I tot het verstrekken van een afschrift van de volledige exploitatieovereenkomst van 6 december 2010 tussen de gemeente en JCDecaux en afschrift van alle bescheiden die betrekking hebben op het vaststellen door de gemeente van de marktconformiteit van de afdrachtbepaling uit de exploitatieovereenkomst, waaronder in ieder geval de financieel-economische onderbouwing van de gemaakte financiële afspraken met JCDecaux en alle bescheiden omtrent het verzoek om verlaging van de afdracht door JCDecaux van

19 juni 2009, met inbegrip van bescheiden waaruit de hoogte van de oude afdracht blijkt;

II tot betaling van een dwangsom van € 10.000,00 voor elke dag of ieder dagdeel dat de gemeente aan de vordering onder I niet voldoet, tot een maximum van € 1.000.000,00;

III in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.2.

De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

in het incident tot tussenkomst, althans voeging

3.3.

JCDecaux vordert bij vonnis, na vermindering van eis:

In het incident

I primair JCDecaux toe te staan tussen te komen in het rechtsgeding tussen Exterion en de gemeente;

II subsidiair JCDecaux toe te staan zich te voegen aan de zijde van de gemeente in het rechtsgeding tussen Exterion en de gemeente;

In de hoofdzaak

III de vorderingen van Exterion niet-ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen;

IV veroordeling van Exterion te gehengen en te gedogen dat zij geen (prijs)informatie die onder artikel 18 van de overeenkomst valt van de gemeente ontvangt;

In het incident en de hoofdzaak

V Exterion en de gemeente te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.4.

Exterion voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

in de hoofdzaak en in het incident tot tussenkomst, althans voeging

3.5.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

in het incident tot tussenkomst, althans voeging

4.1.

JCDecaux vordert primair om als tussenkomende partij in het geding tussen Exterion en de gemeente te worden toegelaten. Exterion en de gemeente hebben geen verweer gevoerd tegen deze vordering. JCDecaux heeft ook een rechtstreeks en in rechte te erkennen belang om als tussenkomende partij in het geding te komen, omdat Exterion stukken van de gemeente wenst te verkrijgen aangaande een overeenkomst waarbij JCDecaux contractspartij is. Daarom zal JCDecaux worden toegelaten als tussenkomende partij.

4.2.

Exterion en de gemeente zullen in de kosten van het incident worden veroordeeld, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

in de hoofdzaak

4.3.

Wat betreft het door de gemeente en JCDecaux betwiste spoedeisend belang van Exterion overweegt de voorzieningenrechter het volgende. In geval van een vordering op grond van art. 843a Rv die in kort geding wordt ingesteld, kunnen geen hoge eisen aan het spoedeisend belang worden gesteld. De vordering op grond van art. 843a Rv verschilt in wezen niet van andere vorderingen tot verkrijging van bewijs voorafgaande aan een procedure, zoals het voorlopig getuigenverhoor en het voorlopig deskundigenbericht. Zulke vorderingen strekken er onder andere toe om aan de hand van te verkrijgen bewijs de proceskansen in een eventuele (bodem)procedure in te schatten. Daarmee verdraagt zich niet dat een vordering tot verkrijging van schriftelijke bescheiden bij gebreke van een voldoende zwaarwegend spoedeisend belang eerst in een bodemprocedure moet worden ingesteld. Aangenomen moet worden dat in beginsel uit de aard van de vordering op grond van art. 843a Rv voortvloeit dat de eiser daarbij een voldoende spoedeisend belang heeft. In deze zaak bestaat geen grond voor een ander oordeel. Het enkele feit dat Exterion lang heeft gewacht met het instellen van de onderhavige vordering is daarvoor onvoldoende.

4.4.

Exterion vordert van de gemeente op de voet van art. 843a Rv verstrekking van bepaalde bescheiden die zouden kunnen bijdragen aan het bewijs van haar vermoeden dat de gemeente in haar exploitatieovereenkomst met JCDecaux staatsteun in de zin van art. 107 lid 1 VWEU geeft aan JCDecaux. Tussen de partijen is in de eerste plaats in geschil of voldoende aannemelijk is dat er een rechtsbetrekking tussen Exterion en de gemeente bestaat. Volgens Exterion handelt de gemeente onrechtmatig jegens haar door staatssteun te verlenen aan haar concurrent JCDecaux. Op zichzelf is dat denkbaar. Het is een overheid op grond van art. 107 lid 1 VWEU niet toegestaan een onderneming op selectieve wijze te bevoordelen boven andere ondernemingen, waarvan sprake is indien die onderneming een voordeel verkrijgt dat zij onder normale marktomstandigheden niet had kunnen verkrijgen (HvJ EG 11 juli 1996 SFEI e.a./La Poste e.a. C-39/94, ECLI:EU:C:1996:285). Wanneer daardoor de concurrentiepositie van die onderneming wordt versterkt ten opzichte van andere ondernemingen kan de mededinging daardoor worden geacht te zijn vervalst. Het verbod van art. 107 lid 1 VWEU strekt ertoe de mededinging te beschermen. Het versterken door bevoordeling van de concurrentiepositie van een onderneming ten nadele van andere ondernemingen in strijd met art. 107 lid 1 VWEU kan onrechtmatig handelen van de desbetreffende overheid opleveren jegens die andere onderneming(en).

4.5.

Of sprake is van een onrechtmatig handelen in dit opzicht zal aan de hand van de concrete omstandigheden van het geval moeten worden beoordeeld. Dat staat in dit kort geding verder niet ter beoordeling en behoeft hier verder niet te worden onderzocht. Hier gaat het slechts om de vraag of voldoende aannemelijk is dat sprake is van bevoordeling in strijd met art. 107 lid 1 VWEU en of Exterion er met het oog daarop een rechtmatig belang bij heeft de beschikking te krijgen over de door haar gewenste bescheiden. Het ligt in de eerste plaats op de weg van Exterion om dat voldoende aannemelijk te maken. Wat betreft de eisen die daaraan te stellen zijn, moet in aanmerking worden genomen dat de vordering op grond van art. 843a Rv er juist toe strekt bewijs ervan te verkrijgen dat sprake is van bevoordeling in strijd met art. 107 lid 1 Rv. Aan het aannemelijk maken hiervan kunnen daarom niet al te hoge eisen worden gesteld. Maar ook niet al te lage eisen, omdat art. 843a Rv niet bedoeld is om zonder dat daarvoor een goede grond bestaat informatie te verkrijgen. Exterion heeft in de gegeven omstandigheden niet voldoende aannemelijk gemaakt dat de gemeente JCDecaux in strijd met art. 107 lid 1 VWEU heeft bevoordeeld.

4.6.

Exterion heeft die aannemelijkheid gebaseerd op vijf omstandigheden die echter noch afzonderlijk, noch in onderling verband en samenhang voldoende zijn. Uit het feit dat de exploitatieovereenkomst niet via aanbesteding is tot stand gekomen, volgt niet dat de tussen de gemeente en JCDecaux overeengekomen afdracht niet marktconform is. Wel zal over het algemeen in het feit dat een overeenkomst openbaar is aanbesteed waarbij met een prijs kon worden ingeschreven, de aanwijzing besloten liggen dat de prijs waarvoor is gegund marktconform zal zijn. Maar het omgekeerde geldt niet. Het feit dat een overeenkomst onderhands tot stand is gekomen wettigt op zichzelf niet een vermoeden dat de overeengekomen prijs niet marktconform was. Ook niet indien slechts met één partij is onderhandeld. Ook in dat geval is het heel goed mogelijk -en onder zakelijke contractanten zelfs aannemelijk- dat een partij, in dit geval de gemeente, zich voldoende op de hoogte heeft gesteld van marktconforme tarieven alvorens te contracteren. Volgens de gemeente heeft zij dat in dit geval ook gedaan door omvraag te doen naar soortgelijke contracten. De gemeente heeft ter zitting verklaard dat zij niet een officiële marktanalyse heeft doen uitvoeren en zich daarover schriftelijk heeft laten rapporteren. Anders dan Exterion heeft betoogd, kan niet worden aangenomen dat op een overheid die onderhands met een onderneming wil contracteren steeds een verplichting rust tot het doen uitvoeren van een dergelijke officiële marktanalyse. Dat kan niet uit HvJ EU 5 juni 2012 Commissie/Electricité de France C-124/10 P, ECLI:EU:C:2012:318, worden afgeleid. Daarin ging het kennelijk om het geval dat aangetoond moest worden dat de desbetreffende overheid als aandeelhouder in een bedrijf had gehandeld. Dat is hier niet aan de orde.

4.7.

Verder heeft Exterion zich erop beroepen dat de gemeente weigert inzage te geven in de bedragen die JCDecaux volgens de exploitatieovereenkomst moet afdragen, hoewel die bedragen geen vertrouwelijke informatie bevatten. Ook dit maakt niet voldoende aannemelijk dat de gemeente JCDecaux heeft bevoordeeld in strijd met art. 107 lid 1 VWEU. Voorop moet worden gesteld dat op de gemeente in het algemeen geen verplichting rust om een derde inzage te geven in de voorwaarden waarop zij met een wederpartij onderhands heeft gecontracteerd. De partijen zijn het er in dat verband over eens dat de gemeente ten tijde van het sluiten van de onderhavige exploitatieovereenkomst niet tot aanbesteding was verplicht. Het stond haar toen vrij onderhands te contracteren, zoals zij heeft gedaan. Verder geldt dat het de gemeente in haar verhouding tot JCDecaux niet zonder meer vrij staat informatie omtrent de exploitatieovereenkomst aan de concurrent, Exterion, te verstrekken. De exploitatieovereenkomst voorziet in dat verband overigens ook uitdrukkelijk in een geheimhoudingsverplichting. In hoeverre informatie over de afdrachtverplichting in de exploitatieovereenkomst van 2013 concurrentiegevoelig is, kan in het midden blijven, omdat het belang dat Exterion stelt te hebben bij informatie daarover van onvoldoende gewicht is om haar, met voorbijgaan aan de geheimhouding die de gemeente moet betrachten, daarover de beschikking te geven. Zoals ter zitting uitvoerig ter sprake is gekomen, zegt de hoogte van de afdrachtverplichting maar weinig over de vraag of en in hoeverre een bevoordeling van JCDecaux heeft plaatsgevonden. De aard van de exploitatieovereenkomst brengt met zich dat JCDecaux de nodige verplichtingen op zich heeft genomen om straatmeubilair te plaatsen en te onderhouden waarmee hoge kosten zijn gemoeid die zich deels ook laten beschouwen als voordelen die aan de gemeente worden verschaft. In hoeverre de hoogte van de afdrachtverplichting niet marktconform is en een voordeel voor JCDecaux inhoudt, kan niet los worden gezien van de overige rechten en verplichtingen uit de overeenkomst en de economische waarde daarvan.

4.8.

Ten slotte heeft Exterion zich erop beroepen dat de gemeente lijkt te zijn ingegaan op een verzoek van JCDecaux tot vermindering van de afdrachtverplichting onder de vorige exploitatieovereenkomst tussen de gemeente en JCDecaux. Volgens JCDecaux heeft de gemeente nooit iets met dat verzoek gedaan en is eerst later onderhandeld vanwege de fusie met Wall Nederland over een nieuw contract. Exterion heeft dat verder niet gemotiveerd betwist, maar afgezien daarvan levert het enkele verder niet gesubstantieerde gegeven dat er zo’n verzoek is geweest, zelfs als de gemeente daarop toen zou zijn ingegaan, niet een voldoende aanwijzing voor een bevoordeling op. Het is immers op zichzelf geenszins uitgesloten dat de afdracht onder het oude contract ten gevolge van de crisis niet langer marktconform was omdat de inkomsten uit de exploitatie verminderden wegens geringere vraag naar advertentieruimte.

4.9.

Dat JCDecaux is bevoordeeld, is onvoldoende aannemelijk geworden. Wil een bevoordeling in strijd zijn met art. 107 lid 1 VWEU dan moet niet alleen de mededinging daardoor worden vervalst maar tevens de handel tussen de lidstaten worden beïnvloed. Volgens JCDecaux kan daarvan geen sprake zijn omdat er voor de onderhavige markt in Nederland in het geheel geen geïnteresseerde buitenlandse aanbieders zijn. Zij wijst erop dat Exterion in andere procedures zelf ook dat standpunt inneemt. Daartegenover heeft Exterion in het geheel niet toegelicht of onderbouwd dat en waarom in het onderhavige geval de handel tussen de lidstaten wel wordt beïnvloed. Onder al deze omstandigheden is onvoldoende aannemelijk dat de gemeente in strijd met art. 107 lid 1 VWEU staatssteun aan JCDecaux heeft verleend en dat de gemeente onrechtmatig heeft gehandeld jegens Exterion en gehouden is daarover opheldering te verschaffen met de door Exterion verlangde bescheiden, waarbij in aanmerking wordt genomen dat Exterion en JCDecaux kennelijk zijn verwikkeld in een hevige concurrentiestrijd en het gevaar bestaat dat bij toewijzing van het gevorderde Exterion zonder goede grond de beschikking zou krijgen over informatie die zij in het kader van die strijd voor andere doelen zou kunnen gebruiken. Het gevorderde van Exterion zal daarom worden afgewezen. Voor zover het gaat om gegevens met betrekking tot een marktanalyse door de gemeente is het gevorderde ook daarom niet toewijsbaar omdat de gemeente heeft verklaard niet over gegevens te beschikken, wat Exterion verder niet gemotiveerd heeft weersproken. De afwijzing van de vordering van Exterion impliceert de toewijsbaarheid van de vordering van JCDecaux die zij ter zitting heeft verminderd tot alleen gehengen en gedogen door Exterion.

4.10.

Exterion zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van de gemeente en JCDecaux ieder afzonderlijk tot op heden begroot op:

  • -

    griffierecht € 626,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.442,00

4.11.

De gevorderde wettelijke rente en nakosten zullen worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident tot tussenkomst

5.1.

laat JCDecaux toe als tussenkomende partij in het kort geding van Exterion tegen de gemeente,

5.2.

veroordeelt Exterion en de gemeente tot betaling van de proceskosten in het incident, aan de zijde van JCDecaux tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil,

in de hoofdzaak

5.3.

wijst de vorderingen van Exterion ten aanzien van de gemeente af,

5.4.

veroordeelt Exterion te gehengen en te gedogen dat zij geen (prijs)informatie die onder artikel 18 van de overeenkomst van 6 december 2010 valt van de gemeente ontvangt,

5.5.

veroordeelt Exterion tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.442,00, waarin begrepen € 816,00 aan salaris advocaat, en aan de zijde van JCDecaux tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.442,00, waarin begrepen € 816,00 aan salaris advocaat, telkens te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis,

5.6.

veroordeelt Exterion, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door de gemeente volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.7.

veroordeelt Exterion, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door JCDecaux volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.8.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.B. Boonekamp en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier [naam griffier] op 26 april 2018.