Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2819

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
28-06-2018
Datum publicatie
28-06-2018
Zaaknummer
05/780001-18
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:1009, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft twee mannen veroordeeld tot een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor het plegen van een plofkraak in Didam.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/780001-18

Datum uitspraak : 28 juni 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te Justitieel Complex Zaanstad te Westzaan,

raadsvrouw: mr. M.C. van Megen, advocaat te Amsterdam.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van
12 april 2018 en 14 juni 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering nadere omschrijving tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 07 januari 2018 te Didam, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door in/op/aan een geldautomaat in een pand (supermarkt aan de Leliestraat 47) een of meerdere

explosieven aan te brengen en/of (vervolgens) die geldautomaat te doen/laten exploderen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die geldautomaat en/of dat pand en/of de in dat pand aanwezige inventaris/goederen en/of de nabij gelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoners van boven-/omliggende woningen en/of (toevallige) voorbijgangers, in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 07 januari 2018 te Didam, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gebouw of een getimmerte, te weten een pand (aan de Leliestraat 47), opzettelijk heeft vernield of beschadigd door in/op/aan een geldautomaat in dat pand een of meerdere explosieven aan te brengen en/of (vervolgens) die geldautomaat te

doen/laten exploderen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die geldautomaat en/of dat pand en/of de in dat pand aanwezige inventaris/goederen en/of de nabij gelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor een of meer bewoners van boven-/omliggende woningen en/of (toevallige) voorbijgangers, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 07 januari 2018 te Didam, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een kluis van) een geldautomaat (in een supermarkt aan de Leliestraat 47) heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 83.000 euro, althans een aanzienlijk geldbedrag, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de ING Bank N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)/geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door

in/op/aan die geldautomaat een of meerdere explosieven aan te brengen en/of (vervolgens) die geldautomaat te doen/laten exploderen, althans door middel van braak en/of verbreking.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde onder de feiten 1, 2 en 3. Ter terechtzitting van 14 juni 2018 heeft de officier van justitie de bewijsmiddelen opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich ten eerste op het standpunt gesteld dat de doorzoeking van de bestelbus onrechtmatig is geweest, omdat er in dit geval onvoldoende was voor een redelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit. Er is aldus sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek in de zin van artikel 359a Wetboek van Strafvordering (Sv). Voorts heeft de verdediging verzocht verdachte vrij te spreken van de gevaarzetting, aangezien levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel ten tijde van de ontploffing niet voorzienbaar was gelet op de algemene ervaringsregels. Verdachte dacht namelijk dat er een kantoor boven de Albert Heijn zat. Verder is het de vraag of de explosie zo krachtig was dat er gevaar te duchten was.

Beoordeling door de rechtbank

Doorzoeking bestelbus – vormverzuim?

Nadat verbalisanten om 04.07 uur de melding kregen dat er in Didam een plofkraak had plaatsgevonden, zagen zij om 04.18 uur op een parkeerplaats in Didam een zwarte bus staan die schuin dubbel en achterwaarts stond geparkeerd. Het gras achter deze bus was platgetrapt en het kenteken bleek in Rotterdam geregistreerd te staan. Het was verbalisanten bekend dat verdachten van een plofkraak vaak een witte bus gebruiken om te vluchten. Verbalisant heeft daarop de linker portiergreep aan de achterzijde van de bus vastgepakt en voelde dat deze niet was afgesloten. Vervolgens heeft hij de deur geopend. In de bus werden verdachte en medeverdachte aangetroffen, met – direct in het zicht – een rode scooter en een hoeveelheid met blauwe verf/inkt besmeurd geld.2

Dat verbalisant het achterportier van de bestelbus heeft geopend, maakt niet dat sprake was van een doorzoeking. De hierboven genoemde omstandigheden waaronder de bus werd aangetroffen nog daargelaten, heeft de politie op basis van artikel 3 Politiewet de bevoegdheid tot het openen van een portier van een voertuig. Daarbij kan het enkele door verbalisanten openen van een niet afgesloten portier van een voertuig dat zich op de openbare weg bevindt niet worden aangemerkt als een inbreuk op de privacy in de zin van artikel 8 EVRM en artikel 10 Grondwet. Het openen van het portier was aldus niet onrechtmatig. Dit betekent dat geen sprake is van een vormverzuim, zodat het verweer wordt verworpen.

Gevaarzetting

De plofkraak heeft rond 04.00 uur plaatsgevonden in een filiaal van Albert Heijn. Behalve het explosief dat zij bij de plofkraak gebruikten, hadden verdachten nog een reserve-explosief bij zich, dat ze in de winkel achterlieten. Boven de supermarkt bevinden zich vijf woningen. Na de plofkraak zijn drie woningen op last van de brandweer ontruimd vanwege mogelijk ontploffings- en instortingsgevaar.3 Bij onderzoek van de plaats delict hebben verbalisanten onder andere gezien dat er in de ruiten van de Albert Heijn barsten zaten, dat er plafondplaten en aluminium profieldelen uit het plafond waren en op de vloer lagen en dat de elektrische bedrading uit het plafond hing.4 De ruiten werden bijeengehouden door de folie die daar op geplakt zat.5 In de schoenen van verdachten werden glasresten aangetroffen.6 Er waren meerdere voorbijgangers die zich bij toeval in de nabijheid van de Albert Heijn bevonden. Eén van hen voelde de grond trillen. 7

Blijkens het bovenstaande waren er ten tijde van de ontploffing mensen aanwezig in de bovenliggende woningen en liepen er mensen op straat in de nabijheid van de winkel. Uit de aangetroffen situatie na de ontploffing kan worden afgeleid dat de ontploffing met een aanzienlijke kracht is geweest. Dergelijke krachtige ontploffingen brengen gevaar voor de stabiliteit van het gebouw en het risico op brand met zich. Dit gevaar voor zwaar lichamelijk letsel en levensgevaar door brand en instorting voor de bewoners die zich in hetzelfde gebouw bevinden en van voorbijgangers is naar algemene ervaringsregels voorzienbaar. Dat verdachte zelf het gevaar voor een ander niet heeft voorzien is daarbij niet van belang.

Bekennende verdachte

Voor het overige is er sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] namens [bedrijf] en Becedo Vastgoed BV, p. 72-74;

- het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] namens ING Bank NV, p. 77-78;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 102-103;

- de verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 14 juni 2018.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 7 januari 2018 te Didam, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door in/op/aan een geldautomaat in een pand (supermarkt aan de Leliestraat 47) een of meerdere

explosief aan te brengen en/of (vervolgens) die geldautomaat te doen/laten exploderen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die geldautomaat en/of dat pand en/of de in dat pand aanwezige inventaris/goederen en/of de nabij gelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer bewoners van boven-/omliggende woningen en/of (toevallige) voorbijgangers, in elk geval levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen, te duchten was;

2.

hij op of omstreeks 7 januari 2018 te Didam, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een gebouw of een getimmerte, te weten een pand (aan de Leliestraat 47), opzettelijk heeft vernield of beschadigd door in/op/aan een geldautomaat in dat pand een of meerdere explosief aan te brengen en/of (vervolgens) die geldautomaat te

doen/laten exploderen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor die geldautomaat en/of dat pand en/of de in dat pand aanwezige inventaris/goederen en/of de nabij gelegen panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen, en/of levensgevaar voor een of meer bewoners van boven-/omliggende woningen en/of (toevallige) voorbijgangers, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen, te duchten was;

3.

hij op of omstreeks 7 januari 2018 te Didam, gemeente Montferland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit (een kluis van) een geldautomaat (in een supermarkt aan de Leliestraat 47) heeft weggenomen een geldbedrag van ongeveer 83.000 euro, althans een aanzienlijk geldbedrag, in

elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de ING Bank N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), waarbij verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft/hebben verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren)/geldbedrag(en) onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door

in/op/aan die geldautomaat een of meerdere explosief aan te brengen en/of (vervolgens) die geldautomaat te doen/laten exploderen, althans door middel van braak en/of verbreking.

Voor zover er in de bewezenverklaring kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 en 2:

De eendaadse samenloop van:

medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is;

en

medeplegen van een gebouw opzettelijk beschadigen, terwijl daardoor gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Ten aanzien van feit 3:

Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, begaan door twee of meer verenigde personen.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht rekening te houden met het feit dat op het moment van de pleegdatum nog de oude richtlijn van het Openbaar Ministerie gold. Aldus zou als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden moeten gelden. Verder heeft de verdediging gesteld dat voor wat betreft dit soort strafbare feiten verdachte first offender is. De verdediging heeft er op gewezen dat uit een psychodiagnostisch onderzoek blijkt dat verdachte beschikt over een licht verstandelijke beperking tot gemiddeld beneden niveau van functioneren. Gelet daarop en op de inhoud van het reclasseringsadvies heeft de verdediging verzocht om een deel van de straf voorwaardelijk op te leggen.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister van 14 mei 2018;

- een voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, van 23 maart 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het navolgende in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur leiden.

Verdachte heeft zich samen met medeverdachte schuldig gemaakt aan een zogeheten plofkraak. Het doelwit van de plofkraak, een geldautomaat van de ING bank, bevond zich in een winkelpand van Albert Heijn. Verdachte en medeverdachte hebben eerst de toegangsdeur van het pand vernield en hebben vervolgens een explosief in de geldautomaat laten ontploffen. Vervolgens zijn zij er met de buit vandoor gegaan en hebben daarbij nog een explosief in het pand achtergelaten. Dit alles vond midden in de nacht plaats.

Door de ontploffing is grote schade ontstaan aan de automaat zelf en aan het pand waarin deze stond. Daarnaast had levensgevaarlijk letsel kunnen worden toegebracht aan de personen die boven het pand wonen, aan toevallige voorbijgangers en aan hulpverleners die na de ontploffing ter plaatse kwamen, te meer nu nog een explosief in het pand was achtergelaten. Een plofkraak is daarom een gewelddadige en gevaarlijke vorm van vermogenscriminaliteit en veroorzaakt sterke gevoelens van onveiligheid in de maatschappij. Verdachte en medeverdachte hebben zich echter enkel om hun eigen gewin bekommerd.

Verdachte is naar het oordeel van de rechtbank, anders dan de verdediging heeft gesteld, geen first offender. Hij is immers blijkens zijn documentatie en ondanks zijn jeugdige leeftijd, al meerdere malen veroordeeld voor vermogensdelicten en ook al tot (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraffen. In de laagbegaafdheid van de verdachte ziet de rechtbank geen grond om verdachte zijn deelname aan de plofkraak verminderd toe te rekenen.

Alle omstandigheden bezien, is de rechtbank van oordeel dat de straf zoals gevorderd door de officier van justitie passend en geboden is. Een lagere straf zou geen recht doen aan de ernst van de feiten en aan de schade die en het gevaar dat verdachte heeft veroorzaakt. De rechtbank zal dus een gevangenisstraf opleggen voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering, te weten een meldplicht, een ambulante behandelverplichting, opname in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang en na te melden andere voorwaarden het gedrag betreffende. Het voorarrest zal in mindering worden gebracht op de gevangenisstraf.

7a. Beslag

De officier van justitie heeft ter terechtzitting een beslaglijst overgelegd en daarbij aangegeven dat de daarop vermelde goederen verbeurdverklaard dienen te worden. In het geval er toch nog andere goederen zouden zijn waarop beslag rust, heeft de officier van justitie ter terechtzitting aangegeven dat geen strafvorderlijk belang zich verzet tegen teruggave van die goederen aan de belanghebbende en dat hij in dat geval zal toezien op teruggave aan de rechthebbende.

De na te melden in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals vermeld op de overgelegde beslaglijst, volgens opgave van verdachte aan verdachte toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan.

Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de eventueel nog in beslag genomen en niet teruggegeven overige voorwerpen aan de rechthebbende.

7b. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij ING Bank NV heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 3 bewezenverklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 18.332,83.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij ING Bank NV tot betaling van het bedrag van € 18.332,83 toe te wijzen, met de wettelijke rente vanaf 7 januari 2018, waarbij tevens de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht (Sr) wordt opgelegd tot dit bedrag, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 126 dagen hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht de schadevergoedingsmaatregel niet op te leggen. Voorts heeft de verdediging vraagtekens geplaatst bij de post “onderzoekskosten”, nu de politie al onderzoek heeft gedaan en een onderzoeksrapport ontbreekt. Deze post dient te worden afgewezen of te worden gematigd of de benadeelde partij dient voor dit deel niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder feit 1 en 3 bewezen verklaarde handelen tot het gevorderde bedrag van € 18.332,83 schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk is. De vordering is voor toewijzing vatbaar. Er is door middel van een plofkraak forse schade toegebracht aan het eigendom van de benadeelde partij, op grond waarvan de benadeelde partij recht had op en belang had bij het doen van eigen onderzoek naar het ontstaan van de schade. De vordering is gespecificeerd en onderbouwd en het gevorderde bedrag komt de rechtbank niet onredelijk voor. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf de datum van ondertekening van de vordering, 23 mei 2018. De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

Mede gelet op verdachtes zeer beperkte draagkracht en op de langdurige vrijheidsstraf die hem voor deze zaak zal worden opgelegd, ziet de rechtbank aanleiding om af te zien van het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel. De schulden zullen daarom alleen maar oplopen, waardoor op voorhand is te voorzien dat het opleggen van de schadevergoedingsmaatregel waarschijnlijk slechts zal leiden tot het in de toekomst tenuitvoerleggen van hechtenis. Daarbij komt dat de voorschotregeling ex artikel 36f lid 7 Sr niet van toepassing is als de benadeelde partij een rechtspersoon is, zoals in het onderhavige geval. Dit maakt dat de benadeelde partij het schadebedrag niet van de staat uitgekeerd zal krijgen als verdachte niet binnen acht maanden aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan. De benadeelde partij heeft om die reden onvoldoende baat bij oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7c. De beoordeling van de vorderingen na voorwaardelijke veroordeling

Parketnummer 96/094422-16

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van één week gevangenisstraf die door de politierechter te Amsterdam op 20 januari 2017 voorwaardelijk is opgelegd.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat deze vordering moet worden afgewezen. Een deel van de straf is voorwaardelijk opgelegd om verdachte ervan te weerhouden opnieuw de weg op te gaan alvorens het rijbewijs weer geldig is verklaard. De proeftijd loopt nog tot 2019. Het zou zijn doel voorbij schieten om de straf nu ten uitvoer te leggen.

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient naar het oordeel van de rechtbank de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 20 januari 2017 (parketnummer 96/094422-16) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van één week ten uitvoer gelegd te worden. Dat deze voorwaardelijke straf destijds is opgelegd voor een andersoortig feit, doet hier niet aan af.

Parketnummer 13/702097-17

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van negentien dagen gevangenisstraf die door de politierechter te Amsterdam op 12 juli 2017 voorwaardelijk is opgelegd.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 12 juli 2017 (parketnummer 13/702097-17) voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van negentien dagen ten uitvoer gelegd te worden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 33, 33a, 47, 55, 57, 157, 170 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland te Amsterdam (op het telefoonnummer 088-8041200) en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij de reclassering, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. Veroordeelde moet zich daarbij houden aan de aanwijzingen die de Reclassering Nederland hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen bij forensische polikliniek De Waag, Amsta of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- zijn medewerking dient te verlenen aan het vinden van geschikte en passende woonruimte, ook als dat inhoudt dat hij deel gaat nemen aan een begeleid wonen- of beschermd wonen-traject;

- zijn medewerking dient te verlenen aan het verkrijgen en behouden van een betaalde baan, dan wel reguliere en zinvolle dagbesteding;

- zijn medewerking dient te verlenen aan een schuldhulpverleningstraject, dan wel saneringstraject;

 geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht);

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- rode scooter;
- beitel;
- zwart/gele schroevendraaier;
- zwarte moker;
- beitel;
- rood/zwarte moker;
- gele betonschaar;
- geel breekijzer;

 gelast de teruggave van nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbende, voor zover daar nog beslag op rust;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij ING Bank NV

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 en 3 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij ING Bank NV, van een bedrag van € 18.332,83 (achttienduizenddriehonderdtweeëndertig euro en drieëntachtig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 23 mei 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd;

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 96/094422-16

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 20 januari 2017, te weten van: één (1) week gevangenisstraf;

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling met parketnummer 13/702097-17

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter te Amsterdam van 12 juli 2017, te weten van: negentien (19) dagen gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. E.H.T. Rademaker en
mr. G.W.B. Heijmans, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Damme, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 juni 2018.

Mr. Van der Mei en mr. Heijmans zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie
Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018010612, gesloten op 15 mei 2018, het door [verbalisant] opgemaakte aanvullend eind proces-verbaal, gesloten op 30 mei 2018, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 102-103.

3 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 99.

4 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 404.

5 Het proces-verbaal van sporenonderzoek, p. 405.

6 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 112.

7 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 195-196, en het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 197-200.