Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2719

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-06-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1239
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

Parkeerbelasting. Mededelingsplicht en onderzoeksplicht.

Eiser heeft een vergunning, die niet voor de straat geldt waar hij geparkeerd stond. Dit was in het verleden wel het geval. Eiser stelt dat de gebiedswijziging niet actief is bekendgemaakt aan de toenmalige vergunninghouders, anders dan dat op de website van de gemeente een nieuwe kaart is geplaatst. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan zijn mededelingsplicht ten aanzien van bestaande vergunninghouders. Van hen kan immers niet gevergd worden telkens weer te controleren of de geldigheid van hun parkeervergunning is gewijzigd. Verwacht mag worden dat bestaande vergunninghouders er op zijn minst op geattendeerd worden dat sprake is van een wijziging. Een onderscheid in gebieden door middel van verschillende kleuren palen is niet zonder meer afdoende, omdat niet duidelijk is wat de gemeente daarover heeft gecommuniceerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 03-07-2018
FutD 2018-1883
V-N Vandaag 2018/1482
Belastingblad 2018/310
NTFR 2018/1876 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummer: AWB 18/1239

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 juni 2018

in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiser

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Nijmegen, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 27 januari 2018 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (aanslagnummer [000] ).

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door [gemachtigde] . Namens verweerder is verschenen [gemachtigde] .

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vernietigt de naheffingsaanslag parkeerbelasting;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Op zondag 22 oktober 2017 omstreeks 16.06 uur stond de auto van eiser met kenteken [00-AAA-1] (hierna: de auto) geparkeerd in de [A-straat 1] te [Z] .

2. Eiser is in het bezit van een parkeervergunning om te kunnen parkeren in de zogeheten [A] . De [A-straat 1] ligt niet in de [A] , maar in de [B] . In de [B] moet op andere dagen en tijden worden betaald voor het parkeren en er gelden andere parkeertarieven dan in de [A] .

3. De parkeercontroleur heeft op bovengenoemde datum en genoemd tijdstip geconstateerd dat voor de auto geen parkeerbelasting was betaald. Vervolgens is de naheffingsaanslag opgelegd naar een bedrag van € 63,20 (€ 2,20 aan parkeerbelasting en € 61 aan kosten).

4. Niet in geschil is dat eiser feitelijk heeft geparkeerd op een plaats waarvoor, om op genoemde datum en tijdstip te mogen parkeren, parkeerbelasting moet worden betaald, en dat eiser dit niet heeft gedaan. Ook staat vast dat eiser op het moment van parkeren niet beschikte over een parkeervergunning om op die plaats te mogen parkeren.

5. In geschil is allereerst of de gemeente Nijmegen heeft voldaan aan haar mededelingsplicht. Indien dit het geval is, is in geschil of een e-mailbericht van verweerder bij eiser vertrouwen heeft kunnen wekken dat op basis van een coulanceregeling van verweerder de aanslag vernietigd zou worden.

6. Eiser woont aan de [A-straat 2] in [Z] . Hij heeft aangevoerd dat hij al jaren een parkeervergunning heeft voor het gebied waarbinnen hij woont. Hij heeft daarbij onbetwist gesteld dat de [A-straat 1] oorspronkelijk tot dezelfde parkeerzone behoorde als de [A-straat 2] . Eiser heeft indertijd bij de invoering van het betaald parkeren zich vergewist van de parkeersituatie en heeft toen de ligging van de diverse parkeerzones bekeken. Vervolgens zijn op enig moment de parkeerzones gewijzigd. Dit staat tussen partijen vast. Als gevolg daarvan behoren de [A-straat 1] en de [A-straat 2] niet meer tot dezelfde parkeerzone. Eiser stelt dat deze wijziging niet actief is bekendgemaakt aan de toenmalige vergunninghouders, anders dan dat op de website van de gemeente een nieuwe kaart is geplaatst. Verweerder heeft deze stelling niet betwist.

7. Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet voldaan aan zijn mededelingsplicht ten aanzien van bestaande vergunninghouders. Van hen kan immers niet gevergd worden telkens weer te controleren of de geldigheid van hun parkeervergunning is gewijzigd. De enkele opmerking van verweerder dat de gemeente voldoet aan haar mededelingsplicht doordat op internet alle informatie is te vinden en dat overigens men bij vragen bij een gemeentelijke balie kan informeren, is voor de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te kunnen komen dat verweerder ter zake van wijzigingen in de parkeerzones aan zijn mededelingsplicht ten opzichte van de bestaande vergunninghouders heeft voldaan. Bij een zo fundamentele wijziging mag verwacht worden dat bestaande vergunninghouders er op zijn minst op geattendeerd worden dat sprake is van een wijziging, desnoods met verwijzing naar de website of de gemeentelijke balie voor details. Dat de gemeente ten minste die mededeling heeft gedaan, is niet aannemelijk geworden. Het enkele feit dat ten tijde van het parkeren aan het begin van de [A-straat 1] een blauwe paal stond en in de [A] sprake is van groene palen is onvoldoende om het hiervoor gesignaleerde gebrek aan communicatie te helen. De rechtbank kan niet vaststellen welke informatie de gemeente hierover heeft verspreid. In beginsel behoeft een parkeerder naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer te begrijpen dat een andere kleur paal correspondeert met een andere parkeerzone.

8. Uit het voorgaande volgt dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn informatieplicht jegens eiser. Dit staat in deze zaak de heffing van parkeerbelasting in de weg (vgl. het arrest van de Hoge Raad van 22 november 1995, ECLI:NL:HR:1995:AA3126 en de daaraan ten grondslag liggende uitspraak van Gerechtshof Amsterdam van 11 februari 1994, kenbaar uit Belastingblad 1996/91). De naheffingsaanslag is daarom vernietigd.

9. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep gegrond. Wat eiser verder heeft aangevoerd, behoeft geen behandeling meer.

10. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding, nu niet is gebleken van kosten die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 juni 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.