Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2645

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-05-2018
Datum publicatie
29-06-2018
Zaaknummer
C/05/320738 / HA ZA 17-264
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aandeelhouder/bestuurder handelt in strijd met artikel 2:8 BW jegens andere aandeelhouder/bestuurder op zodanig grove wijze dat laatstgenoemde zich onmiddellijk van rechtsbijstand moest voorzien. Schade wordt begroot op en beperkt tot volledige proceskostenveroordeling. Vordering tot verwijzing naar de schadestaatprocedure wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/386
JONDR 2018/943
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/320738 / HA ZA 17-264

Vonnis van 2 mei 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

K.H.B. HOLDING B.V.,

gevestigd te Didam, gemeente Montferland,

eiseres,

advocaat mr. P.J.A. Plattel te Arnhem,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1]

gevestigd te Arnhem,

2. [gedaagde sub 2],

[adres gedaagde sub 2],

gedaagden,

advocaat mr. S.J.B. Drijber te Velp Gld.

Partijen zullen hierna respectievelijk KHB, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 2 augustus 2017

  • -

    het verkort proces-verbaal van comparitie van 12 december 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

KHB is een vennootschap van de heer [naam eigenaar KHB] (hierna: [naam eigenaar KHB]). KHB en [gedaagde sub 1] zijn tezamen met een derde vennootschap, [naam derde vennootschap] B.V. (hierna: [naam derde vennootschap]), aandeelhouder in twee bedrijven: Didam Investment Group Holding B.V. (hierna: DIGH) en T&P Holding B.V. (hierna: T&P Holding). Alle partijen bezitten 1/3 deel van de aandelen in genoemde vennootschappen.

2.2.

[gedaagde sub 2] is bestuurder van [gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 1] en KHB zijn de bestuurders van DIGH. [gedaagde sub 1] is enig bestuurder van T&P Holding. [naam derde vennootschap] is een vennootschap van de overleden broer van [gedaagde sub 2]. Deze vennootschap is op 26 juli 2016 failliet verklaard met benoeming van mr. Harbers tot curator.

2.3.

Op 20 februari 2017 hebben [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en de heer [naam 1] (hierna: [naam 1]) buiten medeweten van KHB de volgende handelingen verricht:

  • -

    KHB is bij de Kamer van Koophandel uitgeschreven als bestuurder van DIGH,

  • -

    Jaya B.V. – een onderneming van [naam 1] – is bij de Kamer van Koophandel

ingeschreven als zelfstandig bevoegde directeur/bestuurder van DIGH,

  • -

    het postadres van DIGH bij ING-Bank is gewijzigd naar het adres van [naam 1],

  • -

    de communicatiegegevens van DIGH zijn gewijzigd in het telefoonnummer en e-mailadres van [naam 1].

2.4.

Op 21 februari 2017 is [gedaagde sub 1] bij de Kamer van Koophandel uitgeschreven als bestuurder van DIGH.

2.5.

Bij de stukken bevindt zich een ‘volmacht’ van 6 maart 2017, onder meer inhoudende:

Hierbij geef ik [gedaagde sub 2] (…) in mijn hoedanigheid van zelfstandig bevoegde directeur van Gerard [naam derde vennootschap] B.V. (…) last en volmacht aan de heer [naam 1] (…) om voor en namens Gerard [naam derde vennootschap] B.V. rechtshandelingen waaronder begrepen maar niet beperkt tot het stemmen als aandeelhouder in het kapitaal van en op de aandeelhoudersvergadering(en) van Didam Investment Group Holding B.V. te verrichten.

2.6.

Bij de stukken bevinden zich de volgende afschriften van een oproep voor een algemene vergadering van aandeelhouders van DIGH, afkomstig van [naam 1] namens [gedaagde sub 1]:

  • -

    een oproep van 11 maart 2017 voor een vergadering op 27 maart 2017,

  • -

    een oproep van 23 maart 2017 voor een vergadering op 7 april 2017,

  • -

    een oproep van 28 maart 2017 voor een vergadering op 13 april 2017,

  • -

    een oproep van 1 april 2017 voor een vergadering op 17 april 2017.

2.7.

[naam 1] heeft namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] een besluit tot vaststelling van de jaarrekening 2011 van DIGH buitengerechtelijk vernietigd. Op grond hiervan moesten volgens [naam 1] alle jaarrekeningen van alle daarop volgende jaren worden aangepast.

2.8.

Nadat KHB daartegen bezwaar had gemaakt, heeft de Kamer van Koophandel op 21 maart 2017 alle onder 2.4 genoemde inschrijvingen/wijzigingen ongedaan gemaakt.

2.9.

Op 21 maart 2017 hebben [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [naam 1] getracht bij de Kamer van Koophandel het zelfstandig bestuurderschap van KHB in DIGH te wijzigen in een gezamenlijke bevoegdheid. De Kamer van Koophandel heeft daarop gevraagd om notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders waaruit een tot die wijziging strekkend besluit zou blijken.

2.10.

Bij brief van 27 maart 2017 heeft de advocaat van KHB onder meer het volgende aan [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bericht:

U heeft naar ik aanneem kennis kunnen nemen van de beslissing van de Kamer van Koophandel in verband met een volstrekt onrechtmatige actie, waarbij een vennootschap van de heer [naam 1] is ingeschreven tot bestuurder en onder meer KHB Holding B.V. is uitgeschreven als bestuurder. Het behoeft geen betoog dat slechts de algemene vergadering hiertoe kan beslissen. Uiteraard en vanzelfsprekend is dit door de Kamer van Koophandel gecorrigeerd.

Dit onrechtmatig handelen heeft schade veroorzaakt, welke leidt tot de conclusie aan de zijde van mijn cliënte dat er bij u sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt, op grond waarvan ik u mede in privé persoonlijk aansprakelijk houd voor alle schade die daardoor is ontstaan.

(…)

Alsof u niet voldoende gewaarschuwd was, heeft u zonder enige overleg met mijn cliënte en wederom zonder het houden van een algemene vergadering van aandeelhouders, getracht op 21 maart jl. (…) de bevoegdheid van KHB Holding B.V. eenzijdig te wijzigen in een gezamenlijke bevoegdheid. (…) Ook heeft u getracht onmiddellijk het correspondentieadres bij de ING bank van de vennootschap te wijzigen. De wijziging is door de Kamer van Koophandel niet doorgevoerd, maar leidt wederom tot een zeer onrustig beeld en wederom schade aan de zijde van KHB Holding B.V. die dit allemaal weer moet herstellen.

U heeft een vergadering van aandeelhouders bijeengeroepen op het moment dat u zelf geen bestuurder meer was, althans zelf was uitgeschreven (omdat u zelf meende dat dat kon) en dat was namens een van de aandeelhouders. Ik heb uw gemachtigde duidelijk gemaakt dat het niet rechtsgeldig is en bovendien voor zover nodig ingetrokken namens KHB Holding B.V. Uw gemachtigde blijft namens u echter halsstarrig en wenst per se dat de vergadering doorgang vindt. (…)

Ik wijs u er op dat u zelf aansprakelijk bent en blijft voor alle handelingen die uw gemachtigde namens u verricht. Feitelijk heeft u het volledige bestuurderschap van Didam Investment Group Holding B.V. uit handen gegeven aan uw gemachtigde, die niet alleen namens u de vergaderingen van aandeelhouders bijwoont, maar deze ook belegt, allerlei informatie opvraagt etc. etc.

Ik verzoek u mij tevens binnen 48 uur na heden te bevestigen dat u zelf uw bestuurstaak weer op u neemt. (…)

2.11.

Een verslag van een vergadering van aandeelhouders van Didam Investment Group B.V. (DIG), dochter van DIGH, op 27 maart 2017 om 14.00 uur, waarop [gedaagde sub 1] als voorzitter is opgetreden en Jaya B.V. als secretaris, houdt onder meer in dat is besloten tot verwerping van de jaarrekeningen 2012-2015 van DIG en tot weigering van décharge voor het door KHB gevoerde beleid.

2.12.

KHB heeft vervolgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in kort geding gedagvaard. Vanwege de spoedeisendheid van de zaak is daarin direct na de behandeling ter zitting op 19 april 2017 mondeling uitspraak gedaan. Daags daarna is deze uitspraak wat betreft het dictum in een zogenaamd kop staartvonnis vastgelegd, waarna op 28 april 2017 de overwegingen zijn gegeven. In dit vonnis (hierna ook: het kort gedingvonnis) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank onder meer het volgende overwogen en beslist:

4.9.

Met inachtneming van het voorgaande stelt de voorzieningenrechter vast dat gedaagden niet hebben weersproken dat er een hele reeks van handelingen heeft plaatsgevonden, geregisseerd door [naam 1], die, geëffectueerd of niet, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ontoelaatbaar zijn. Het gaat om de volgende handelingen (zie ook 2.4, 2.5, 2.8, 2.10 en 2.11), waarbij de handelingen onder 2 tot en met 6 uiteindelijk door de Kamer van Koophandel zijn teruggedraaid:

  1. [gedaagde sub 1] heeft buiten de andere aandeelhouders en bestuurder om getracht zichzelf te benoemen tot enige gemachtigde over de bankrekeningen van DIGH en getracht eiseres te blokkeren als gemachtigde.

  2. Eiseres is bij de Kamer van Koophandel uitgeschreven als bestuurder van DIGH terwijl zij in feite gewoon in functie was gebleven.

  3. Jaya B.V. – een onderneming van [naam 1] – is door [naam 1], handelend krachtens de volmacht, bij de Kamer van Koophandel ingeschreven als zelfstandig bevoegde directeur/bestuurder van DIGH,

  4. Het correspondentieadres van DIGH bij ING-Bank is door [naam 1], handelend krachtens de volmacht, gewijzigd naar het adres van [naam 1],

  5. De communicatiegegevens van DIGH zijn door [naam 1], handelend krachtens de volmacht, gewijzigd, zodat het telefoonnummer en e-mailadres van [naam 1] werden vermeld,

  6. [gedaagde sub 1] is bij de Kamer van Koophandel uitgeschreven als bestuurder van DIGH, terwijl zij in feite gewoon in functie was gebleven.

  7. [gedaagde sub 1] heeft getracht bij de Kamer van Koophandel het zelfstandig bestuurderschap van eiseres in DIGH te wijzigen in een gezamenlijke bevoegdheid,

  8. [gedaagde sub 1] heeft nogmaals getracht het correspondentieadres van DIGH bij ING-Bank te wijzigen,

  9. [gedaagde sub 1] heeft het standpunt ingenomen dat overeenkomstig de statuten van DIGH het vergader- en stemrecht van de curator (in het faillissement van [naam derde vennootschap]) zou zijn geschorst, omdat de curator in gebreke zou zijn gebleven de aandelen aan te bieden, hetgeen onjuist gebleken is,

  10. [naam 1] heeft namens [gedaagde sub 1] meerdere algemene vergaderingen van aandeelhouders van DIGH uitgeschreven, waarvan de bedoeling kennelijk en onweersproken steeds was het ontslag van eiseres uit haar bestuurderspositie,

  11. [naam 1] heeft namens [gedaagde sub 1] een besluit tot vaststelling van de jaarrekening 2011 van DIGH buitengerechtelijk vernietigd, hetgeen niet mogelijk is,

  12. Voor de algemene vergadering van aandeelhouders van DIG van 27 maart 2017 was geen geldige oproeping uitgegaan. Ter zitting is toegegeven dat eiseres met opzet niet was opgeroepen voor de vergadering.

4.10.

Dit handelen, dat in geen enkel geval enige basis in wet of statuten kan vinden en uitsluitend gericht is op benadeling van KHB en haar positie binnen DIGH lijkt een vorm van vennootschapspiraterij die zich aan geen enkele wettelijke of statutaire regel stoort.

4.11.

Alles overziend stelt eiseres naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht dat zij binnen DIGH wordt geconfronteerd met een beleidsbepaler, [naam 1], die zijn bevoegdheid alleen ontleent aan een volmacht van een aandeelhouder, [gedaagde sub 1], en zijn bevoegdheden niet, zoals de statuten van DIGH in navolging van de wet eisen, ontleent aan een mandaat van de aandeelhouders en bovendien zijn bevoegdheden gebruikt op de onder 4.10 hierboven gekenschetste wijze, zulks met instemming van gedaagden. Het verlenen van de volmacht door [gedaagde sub 1] kan niet anders worden gekwalificeerd dan als in strijd met het bepaalde in artikel 2:8 BW, terwijl het handelen van [gedaagde sub 2], zoals hierboven reeds is overwogen, daarmee onrechtmatig is jegens KHB. Het tolereren van het onder 4.10 bedoelde gedrag door de gevolmachtigde is tegenover KHB eveneens in strijd met artikel 2:8 BW wat [gedaagde sub 1] betreft en onrechtmatig wat [gedaagde sub 2] betreft.

(…)

5 De beslissing

5.1.

gebiedt gedaagden ervoor zorg te dragen dat per heden de heer [naam 1] niet langer als gevolmachtigde van een van gedaagden of gedaagden betrokken is bij de vennootschappen Didam Investment Group Holding B.V. en/of T & P Holding B.V. en/of (een van) hun dochtervennootschappen,

5.2.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt, ook de ander zal zijn bevrijd, om aan eiseres een dwangsom te betalen van € 10.000,00 voor iedere keer dat zij niet aan de in 2.1 uitgesproken hoofdveroordeling voldoen, tot een maximum van € 200.000,00 is bereikt,

5.3.

verbiedt gedaagden uitvoering of vervolg te geven aan enig besluit en/of actie ondernomen op de vergadering die is aangeduid als vergadering van aandeelhouders van Didam Investment Group B.V. en gehouden op 27 maart 2017 om 14.00 uur blijkens de notulen ervan (prod. 6 bij de dagvaarding) en gebiedt gedaagden ervoor zorg te dragen dat alle reeds op grond van deze besluiten en/of acties verrichte handelingen, waaronder het opmaken van aktes van cessie, ongedaan gemaakt worden voor 25 april 2017, 12.00 uur, onder toezending vóór 25 april 2017, 12.00 uur, aan eiseres van bewijsstukken daartoe,

5.4.

veroordeelt gedaagden hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt, ook de ander zal zijn bevrijd, om aan eiseres een dwangsom te betalen van € 100.000,00 indien zij niet aan de in 2.3 uitgesproken hoofdveroordeling voldoen (het niet-nakomen van de onder 2.3 bedoelde verplichtingen tot ongedaanmaking en melding daarvan vóór 25 april 2017, 12.00 uur),

(…)

2.13.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hebben voldaan aan het kort gedingvonnis.

3 Het geschil

3.1.

KHB vordert na wijziging van eis dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

A. voor recht verklaart dat de gedragingen van gedaagden, als opgesomd in

rechtsoverweging 4.9 van het bij dagvaarding overgelegde kort gedingvonnis van

19 april 2017, zelfstandig en in onderlinge samenhang bezien, handelen oplevert in strijd

met het bepaalde in artikel 2:8 BW en dat derhalve gedaagden (meermaals) onrechtmatig

jegens KHB hebben gehandeld,

B. gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan KHB te betalen juridische kosten ad

€ 37.799,25, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot

aan de dag der algehele voldoening,

C. gedaagden hoofdelijk veroordeelt om aan KHB te vergoeden de (overige) schade die

KHB heeft geleden ten gevolge van de onrechtmatige handelingen als opgesomd in

rechtsoverweging 4.9 van het in de dagvaarding genoemde kort gedingvonnis van

19 april 2017, welke schade nader dient te worden opgesteld bij staat en dient te worden

vereffend als volgens de wet,

D. gedaagden hoofdelijk veroordeelt in de kosten en nakosten van deze procedure.

3.2.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] voeren verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In deze zaak gaat het erom of [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] kunnen worden aangesproken tot schadevergoeding omdat hun gedragingen handelen oplevert in strijd met het bepaalde in artikel 2:8 BW en daarom onrechtmatig zijn jegens KHB.

4.2.

De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] bedoelde handelingen/gedragingen als zodanig niet betwisten. Zij betwisten wel dat die handelingen als onrechtmatig zijn te kwalificeren. De handelingen onder 2, 3, 5, 6 en 7 van rechtsoverweging 4.9 van het kort gedingvonnis – kort gezegd het manipuleren van de inschrijving in de Kamer van Koophandel – zijn uiteindelijk niet doorgevoerd, dan wel teruggedraaid door de Kamer van Koophandel. Dit geldt evenzeer voor de handelingen onder 1, 4 en 8 (het wijzigen van de bankmachtigingen en toegang tot de bankgegevens) nu ING Bank N.V. geen uitvoering heeft gegeven aan de verzochte wijzigingen. De overige handelingen, 9 tot en met 12, betreffen de uitgeroepen algemene vergaderingen van aandeelhouders van DIGH en de daarin genomen c.q. voorgenomen besluiten. [gedaagde sub 1] is als aandeelhouder gerechtigd om dergelijke vergaderingen te verlangen en daar bepaalde agendapunten voor in te brengen. Daarenboven geldt dat voor zover in bepaalde vergaderingen voor KHB nadelige besluiten zouden zijn genomen, aan die besluiten geen uitvoering is gegeven, althans dat die besluiten op grond van het kort gedingvonnis ongedaan zijn gemaakt. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is van een daadwerkelijk gepleegde onrechtmatige daad daarom geen sprake.

4.3.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Van belang is dat [gedaagde sub 1] een volmacht heeft gegeven aan een derde ([naam 1]), die vervolgens met volledig medeweten van de volmachtgever – de advocaat van [gedaagde sub 1] heeft ter zitting gesteld dat [gedaagde sub 2] als haar bestuurder op alle algemene vergaderingen van aandeelhouders aanwezig was – haar medeaandeelhouder KHB op allerlei mogelijke manieren heeft lastiggevallen, met als kennelijke doel die medeaandeelhouder onder druk te zetten om uitleg te geven over beweerdelijk door haar gepleegde onttrekkingen/onregelmatigheden. Dat bepaalde handelingen en besluiten uiteindelijk geen effect hebben gesorteerd, dan wel ongedaan zijn gemaakt, al dan niet naar aanleiding van het kort gedingvonnis, maakt dit niet anders. Evenmin is relevant of KHB al dan niet terecht door [gedaagde sub 1] – via haar gemachtigde [naam 1] – kan worden aangesproken voor vermeende malversaties binnen DIGH. Zoals de voorzieningenrechter ook al overwoog, zijn de onder rechtsoverweging 4.9 van het kort gedingvonnis opgenomen handelingen uitsluitend gericht op benadeling van KHB en haar positie binnen DIGH. Naar het oordeel van de rechtbank is dit in een samenwerkingsverband als hier aan de orde niet de manier waarop medeaandeelhouders en bestuurders met elkaar dienen om te gaan. Met genoemde handelingen heeft [gedaagde sub 1] als aandeelhouder en bestuurder dan ook tegenover KHB gehandeld in strijd met hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd in de zin van artikel 2:8 BW.

4.4.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] stellen dat alle handelingen waarvan KHB stelt dat die onrechtmatig zouden zijn, handelingen van (de gevolmachtigde van) [gedaagde sub 1] betreffen. Als er al sprake zou zijn van onrechtmatig handelen, betreft dit dan ook uitsluitend onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1]. Van een eigen onrechtmatige daad van [gedaagde sub 2] is geen sprake, aldus [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2].

4.5.

De rechtbank verwerpt ook dit verweer. De onder rechtsoverweging 4.9 van het kort gedingvonnis opgenomen handelingen zijn met volledig medeweten van [gedaagde sub 2] verricht. Het is ook [gedaagde sub 2] geweest die in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde sub 1] de gewraakte volmacht aan [naam 1] heeft gegeven. De rechtbank onderschrijft in dit verband rechtsoverweging 4.5 van het kort gedingvonnis, waaruit volgt dat [gedaagde sub 2], die kennelijk ontevreden was over KHB als medebestuurder en dier bestuurder [naam eigenaar KHB],

onrechtmatig jegens KHB heeft gehandeld, door op buitenwettelijke wijze te trachten KHB uit te laten rangeren binnen DIGH door [naam 1]. [gedaagde sub 2] heeft zelf zijn bevoegdheden in handen van [naam 1] gelegd (zie rechtsoverweging 4.6 van het kort gedingvonnis). Uit de feitelijke gang van zaken volgt genoegzaam dat [gedaagde sub 2] als bestuurder van [gedaagde sub 1] door de aanstelling van [naam 1] als gevolmachtigde heeft aangestuurd op escalatie van de situatie met [naam eigenaar KHB]. Met welk doel dit is geschied, is niet helemaal duidelijk geworden. Dit laat onverlet dat uit de feiten genoegzaam de conclusie kan worden getrokken dat men opzettelijk [naam eigenaar KHB] tot het uiterste heeft willen drijven (“het bloed onder de nagels vandaan halen”), waarbij niet is geschuwd onrechtmatige middelen in te zetten. Dat dit niet is gelukt, komt doordat [naam eigenaar KHB] zich met alle (juridische) middelen te weer heeft gesteld.

4.6.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de onder 3.1 sub A gevorderde verklaring voor recht kan worden toegewezen.

4.7.

KHB vordert verder de hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot betaling aan haar van een bedrag van € 37.799,25 wegens juridische kosten. KHB stelt dat zij schade heeft geleden door het handelen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] en de door hen ingeschakelde derde, [naam 1]. Deze schade vloeit voort uit de gedragingen die zijn opgesomd in de onder de feiten geciteerde rechtsoverweging 4.9 van het kort gedingvonnis en bestaat volgens KHB voornamelijk uit kosten juridische bijstand door Stellicher Advocaten. KHB verwijst in dit verband naar productie 33 bij dagvaarding. Deze productie bevat een overzicht van de bestede en gefactureerde uren van de advocaat en juridisch medewerker van KHB in het dossier KHB Holding/Advies (D2017008). De schade staat volgens KHB in causaal verband met de onrechtmatige gedragingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]. Het gehele dossier, en zeker de bestede en gefactureerde uren, zou immers niet bestaan als [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet hadden gehandeld zoals zij hebben gedaan, aldus KHB.

4.8.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betwisten dat zij enig bedrag zijn verschuldigd. Uit productie 33 blijkt dat de vordering die KHB op [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tracht te verhalen ofwel (i) op geen enkele wijze verband houdt met de verweten gedragingen van [naam 1], dan wel (ii) reeds is verdisconteerd in en is voldaan door betaling van de proceskostenveroordeling van het kort gedingvonnis.

4.9.

Zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in zijn arrest van 12 juni 2015, NJ 2016, 380, volgt uit artikel 241 Rv en de toelichting op het daarmee corresponderende artikel 57 lid 6 (oud) Rv (Parl. Gesch. Wijziging Rv. e.a.w. (Inv. 3, 5 en 6), p. 36) dat de artikelen 237 tot en met 240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een zowel limitatieve als exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Deze regeling derogeert ingevolge artikel 6:96 lid 3 BW in verbinding met artikel 241 Rv aan artikel 6:96 lid 2 BW. Zij derogeert eveneens aan het uitgangspunt dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt die hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, volledig te vergoeden. Dit neemt evenwel niet weg dat, zoals in voormelde toelichting wordt opgemerkt, een volledige vergoedingsplicht (ter zake van proceskosten) denkbaar is, maar alleen in ‘buitengewone omstandigheden’, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen past terughoudendheid, gelet op het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter (zie de arresten van de Hoge Raad van 6 april 2012, NJ 2012, 233 en 15 september 2017, RvdW 2017, 949).

4.10.

Er is naar het oordeel van de rechtbank sprake van buitengewone omstandigheden die maken dat volledige vergoeding van de proceskosten is aangewezen. [gedaagde sub 2] heeft via [naam 1] getracht KHB op buitenwettelijke wijze uit te rangeren binnen DIGH. De in dat verband door [naam 1] met medeweten van [gedaagde sub 1]/[gedaagde sub 2] verrichte handelingen waren uitsluitend gericht op benadeling van KHB en haar positie binnen DIGH. Vooral vanwege het malicieuze karakter van de door [gedaagde sub 2] gepleegde onrechtmatige daad acht de rechtbank een volledige kostenveroordeling dan ook aangewezen.

Ook de buitengerechtelijke kosten komen voor volledige vergoeding in aanmerking. Mede vanwege de complexiteit van het samenstel van handelingen die [naam 1] in korte tijd verrichtte, vergde dit van KHB dat zij zich onmiddellijk voorzag van juridische bijstand. Wat betreft de kosten is het op zichzelf juist dat de kostenspecificatie van productie 33 geen duidelijk onderscheid maakt tussen gerechtelijke en buitengerechtelijke kosten, dat een toelichting hierop ontbreekt en dat KHB ook ter comparitie hierover niets nader heeft gesteld. Bovendien wijzen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] terecht erop dat diverse gedeclareerde uren geen verband houden met werkzaamheden verricht in het kader van het kort geding van 19 april 2017, maar met, kort gezegd, discussies omtrent de verkoop/executie van aan [gedaagde sub 1] verpande aandelen van (het failliete) [naam derde vennootschap] in DIGH en T&P Holding en de contacten die KHB in dat kader met de curator van [naam derde vennootschap] heeft gehad. Dat er sprake is van enige overlapping is door de advocaat van KHB ook ter zitting erkend, maar in verband daarmee heeft de advocaat ook de oorspronkelijke eis met ruim € 3.500,00 verminderd. Weliswaar mag van een advocaat in beginsel worden verwacht dat deze in staat is een gespecificeerde rekening op te stellen, maar gezien de veelheid aan problemen en de korte periode waarin deze handelingen elkaar opvolgden, kan de advocaat van KHB niet worden tegengeworpen dat niet iedere gedeclareerde tijdseenheid exact aan een bepaald onderdeel van de rechtsstrijd kan worden gekoppeld, ook omdat onderwerpen elkaar overlappen.

4.11.

Alles overziend ziet de rechtbank daarom aanleiding om het toe te wijzen bedrag aan juridische kosten in redelijkheid vast te stellen op € 35.000,00. Aangezien de aansprakelijkheid en de hoogte van dit bedrag pas in dit vonnis worden vastgesteld en het verzuim dus niet eerder kan zijn ingetreden, zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf de betekening van dit vonnis.

4.12.

KHB vordert ten slotte hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] tot vergoeding van de (overige) schade die zij heeft geleden ten gevolge van de onrechtmatige handelingen als opgesomd in rechtsoverweging 4.9 van het kort gedingvonnis, welke schade nader dient te worden vastgesteld in een schadestaatprocedure. Volgens KHB bestaat deze schade uit interne kosten, bedrijfsschade, reputatieschade en kosten wegens voortdurend opvragen van informatie bij de Kamer van Koophandel.

4.13.

Voor een veroordeling tot vergoeding van schadevergoeding nader op te maken bij staat is voldoende dat de mogelijkheid dat schade is of zal worden geleden aannemelijk is gemaakt. Daartoe dient een eisende partij echter wel concrete feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan aannemelijk is dát er sprake is van schade. KHB beperkt zich tot de stelling dat de overige schade bestaat uit interne kosten, bedrijfsschade, reputatieschade en kosten wegens voortdurend opvragen van informatie bij de Kamer van Koophandel. In deze zaak is gegeven dat de onrechtmatige handelingen van [gedaagde sub 2] ertoe hebben geleid dat KHB zich onmiddellijk te weer heeft moeten stellen en van juridische bijstand heeft moeten voorzien. Dit zal ongetwijfeld de nodige spanning hebben opgeleverd bij haar bestuurder, maar uiteindelijk heeft KHB zich met succes kunnen verdedigen en heeft zij zelfs het tij weten te keren. Dat dit voor KHB materieel andere schade dan kosten juridische bijstand heeft opgeleverd, valt niet zonder meer in te zien. Wellicht dat vanwege genoemde spanning bij haar bestuurder sprake is van immateriële schade, maar dit betreft dan een vordering van de individuele bestuurder, terwijl de onderhavige procedure een procedure van de rechtspersoon betreft. De rechtbank wijst in dit verband nog op het feit dat KHB in haar akte nadere stukken en wijziging van eis zelf ook aangeeft dat de schade voornamelijk bestaat uit kosten juridische bijstand door Stellicher Advocaten. Die schade is hiervoor al aan de orde geweest. De slotsom is dan ook dat de rechtbank niet de voor verwijzing naar de schadestaatprocedure vereiste mate van aannemelijkheid van het bestaan van (overige) schade aanwezig acht. Dit deel van de vordering van KHB is derhalve niet toewijsbaar.

4.14.

Namens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is ten slotte verzocht dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank acht evenwel geen termen aanwezig om uitvoerbaar bij voorraadverklaring achterwege te laten.

4.15.

[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld. De rechtbank verstaat dat het hiervoor vastgestelde bedrag aan juridische kosten tevens een bedrag aan salaris advocaat voor deze procedure omvat. De overige kosten aan de zijde van KHB worden begroot op:

- dagvaarding € 85,21

- griffierecht € 1.924,00

Totaal € 2.009,21

4.16.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de gedragingen van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2], als opgesomd in rechtsoverweging 4.9 van het bij dagvaarding overgelegde kort gedingvonnis d.d. 19 april 2017, in onderlinge samenhang bezien, handelen oplevert in strijd met het bepaalde in artikel 2:8 BW en dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] derhalve onrechtmatig jegens KHB hebben gehandeld,

5.2.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan KHB te betalen juridische kosten ad

€ 35.000,00 (vijfendertigduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de betekening van dit vonnis tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van KHB tot op heden begroot op € 2.009,21,

5.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.5.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2018.

Coll.: MvG