Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2622

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-06-2018
Datum publicatie
28-06-2018
Zaaknummer
AWB - 15 _ 7138, 15_7139, 15_7140 en 15_7141
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet inkomstenbelasting 2001. Art. 6.31 Wet IB 2001. Persoonsgebonden aftrek ter zake van in Duitsland gelegen jachtslot. Toetsing aan HvJ EU 18 december 2014, C 87/13 en Hoge Raad 1 mei 2015. Vormt het jachtslot een element van het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 28-06-2018
V-N Vandaag 2018/1373
FutD 2018-1774
NTFR 2018/1803 met annotatie van mr. E. Alink RB
Belastingadvies 2018/19.4
V-N 2018/56.5 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummers: AWB 15/7138, 15/7139, 15/7140 en 15/7141

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 juni 2018

in de zaken tussen

[X] , te [Z] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Amsterdam, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.893, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 7.654 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 35.733. Tevens is bij beschikking € 837 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2009 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 53.322, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 9.664 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 30.098. Tevens is bij beschikking € 2.094 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2010 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 60.769, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.598. Tevens is bij beschikking € 707 aan heffingsrente in rekening gebracht.

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2011 een aanslag IB/PVV opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 69.035, een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van nihil en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.999. Tevens is bij beschikking € 371 aan heffingsrente vergoed.

Verweerder heeft bij uitspraken op bezwaar van 16 oktober 2015 de aanslagen en de beschikkingen heffingsrente gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen tijdig beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft op 29 augustus 2016 een aanvulling op het verweerschrift ingediend. Dit stuk is in kopie aan eiser verstrekt.

Het eerste onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 september 2016. Eiser is verschenen samen met zijn echtgenote [Y] en zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] , mr.drs. [A] en [B] . Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij. Verweerder heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlagen en foto’s.

De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens geschorst in afwachting van een beslissing van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (hierna: RCE) op het door de echtgenote van eiser ingediende verzoek.

Partijen hebben de rechtbank periodiek bericht over de voortgang. Afschriften hiervan zijn steeds aan de wederpartij verstrekt.

Het tweede onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 mei 2018. Eiser is verschenen samen met zijn echtgenote [Y] en zijn gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen mr. [gemachtigde] en mr.drs. [A] .

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

1. Eiser woont in Nederland en is binnenlands belastingplichtige. De echtgenote van eiser heeft in 2008 een in de Duitse deelstaat [Q] gelegen jachtslot gekocht voor € 380.000. Het betreft het “ [D] ” in de plaats [r] en is erkend als monument door de Duitse deelstaat [Q] .

2. Het jachtslot is in 1701 gebouwd in opdracht van [C] . Dr. [E] van het “Freies Institut für Bauforschung und Dokumentation” heeft in zijn rapport “ [F] ” – kort samengevat – gesteld dat het jachtslot uniek is voor de regio qua bouwstijl. Een aantal architectonische kenmerken zou zijn terug te voeren naar Noord‑Duitsland of naar de Republiek der Nederlanden in de Gouden Eeuw. Ook het dak, een zogeheten [G] , is bijzonder voor de regio. Een gelijke dakconstructie is terug te vinden op [H] dat zich dertig kilometer ten noorden van het jachtslot bevindt. Dat slot is eind 17e eeuw ook in barokstijl gebouwd in opdracht van het vorstendom [I] . Ten aanzien van [H] is wetenschappelijk komen vast te staan dat daar een Nederlandse bouwmeester actief is geweest. Het vorstendom [I] onderhield in die periode goede contacten met Nederland. Eiser heeft de conclusie van het rapport als volgt vertaald en samengevat:

“Samenvattende kunnen we zeggen dat het in het jaar 1701 gebouwde herenhuis in zowel zijn barokke vorm als bouwstructuur, maar vooral de Nederlands‑Franse dakconstructie …… één van de meest buitengewone en ongewone vorstelijke gebouwen uit de periode rond 1700 in Noord‑ [Q] vormt.”

3. Eiser heeft in de onderhavige jaren uitgaven gedaan voor het jachtslot, die als persoonsgebonden aftrek op het inkomen uit werk en woning in mindering zijn gebracht. In de aangiften IB/PVV 2008, 2009 en 2010 heeft eiser het jachtslot aangegeven als bezitting naar een waarde van – in eerste instantie – € 380.000 ter bepaling van zijn inkomen uit sparen en beleggen.

4. Op 22 november 2012 heeft eiser voor de jaren 2009 en 2010 een verbeterde aangifte IB/PVV ingediend. Op dezelfde datum is ook een nieuwe aangifte IB/PVV 2008 ingediend, die is aangemerkt als aanvulling op het reeds gemaakte bezwaar.

5. Verweerder heeft bij het vaststellen van de aanslagen de onderhoudskosten voor het jachtslot niet in aftrek toegestaan. Voor wat betreft de waarde van het jachtslot ter bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen heeft verweerder voor de jaren 2008 en 2009 de oorspronkelijk aangegeven waarde van € 380.000 aangehouden. In de aanslagen IB/PVV 2010 en 2011 is verweerder uitgegaan van de (nader) aangegeven waarde van € 22.200.

6. Bij beschikking van 24 november 2016 heeft de RCE de door de echtgenote van eiser gedane aanvraag om erkenning van het jachtslot als Nederlands erfgoed buiten Nederland, afgewezen. In de beschikking is onder meer neergelegd dat niet is komen vast te staan dat het monument van algemeen belang is voor Nederland vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

7. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 24 april 2017 ongegrond verklaard. In de beslissing op bezwaar is onder meer het volgende ter motivering daarvan opgenomen:

“De vraag is hoe relevant een eventuele Nederlandse invloed op de constructie of de gevel is voor het Nederlands cultureel erfgoed op een niveau zoals vereist in de Beleidsregel. Uit de Nota van Toelichting op de Beleidsregel blijkt dat het aanwijzingsbeleid zeer terughoudend is en ‘een monument aan hoge eisen moet voldoen wat betreft de cultuurhistorische waarde (criterium a) of de architectuur- en kunsthistorische waarde (criterium b)’. Alleen de belangrijkste monumenten worden aangewezen.

(…)

Er kan niet worden gezegd dat er sprake is van een relevante technische ontwikkeling of innovatieve waarde. (…) Het voorkomen van de kapconstructie met krommers, de vloerbalklaag en het baksteenwerk in [Q] bleef toch een zeldzaamheid en de mansardedakvorm zou, gezien de invloed van de Franse architectuur in die tijd, ook op andere wijze tot stand gekomen zijn.

Hoewel het gegeven dat het [G] in de regio min of meer zijn entree in [R] maakt, voor [Q] dus zeker relevant, is de hooguit beperkte rol die een kapconstructie met krommers in de ontwikkeling speelt voor Nederland niet relevant genoeg.

Gelet op hetgeen ik hiervoor heb overwogen gaat het hier om bouwtechnisch interessante details, maar niet om pionierswerk of technische vernieuwing die ook echt en met reden wordt doorgezet. (…)

De geschiedenis en het verhaal dat gaat bij [D] in relatie tot Nederland, geeft evenmin blijk van bijzondere Nederlandse kenmerken. De historische relatie van de opdrachtgever Graf [J] met Nederland is niet draagkrachtig en waar het gaat om een opdracht aan eventueel Nederlandse timmerlieden nog zeer hypothetisch.

De [K] -tak die het voorbeeld-stellende [H] liet bouwen onder leiding van een Nederlandse [L] naar een Frans ontwerp van [M] , is een andere tak dan die van [R] . Daar gaat het om [N] , die het graafschap [S] erfde en daar ook trouwde; hij was ook een Nederlandse veldmaarschalk in dienst van het Staatse leger, had in die rol de leiding in het rampjaar 1672, en was gouverneur van [T] . Daarentegen is de tak die, overigens pas een halve eeuw later, in [R] bouwde, die van zijn neef [C] en diens zoon, de bouwheer [J] , die de bouw nog tijdens het leven van zijn vader begon. Van deze zoon is zo’n sterke Nederlandse band niet bekend.

(…)

De meestertimmerman [L] is voor de onderhavige beoordeling niet van voldoende belang; hij geniet onvoldoende bekendheid, is ook geen architect van dit jachtslot (dat is een Fransman), maar een uitvoerder.”

8. Het daartegen ingestelde beroep is ongegrond verklaard (rechtbank Gelderland 23 januari 2018, ECLI:NL:RBGEL:2018:283).

Geschil

9. In geschil is of de in de aangiften in aanmerking genomen uitgaven voor het jachtslot als persoonsgebonden aftrek in de zin van artikel 6.31 van de Wet IB 2001 ten laste van het inkomen uit werk en woning kunnen worden gebracht. Daarnaast is in geschil of het jachtslot in de aanslagen IB/PVV 2008 en 2009 voor de juiste waarde in aanmerking is genomen.

10. Eiser heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat de uitspraken op bezwaar onvoldoende zijn gemotiveerd.

Daarnaast stelt eiser dat de onderhoudskosten voor het jachtslot op de voet van artikel 6.31 van de Wet IB 2001 ten laste van het inkomen uit werk en woning kunnen worden gebracht. Naar zijn mening vormt het jachtslot een element van het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed en zou het slot voor aanwijzing op grond van de Monumentenwet 1988 in aanmerking komen als het op Nederlands grondgebied zou zijn gelegen. Eiser verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) van 18 december 2014, ECLI:EU:C:2014:2459, en het arrest van de Hoge Raad van 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1174. Het jachtslot kwalificeert daarvoor volgens eiser omdat het is gebouwd in opdracht van het vorstendom [I] en het jachtslot, blijkens het rapport van dr. [E] , een aantal Nederlandse architectonische kenmerken heeft. Bovendien zou er vanuit dit vorstendom een directe verbinding liggen met het Nederlandse koningshuis. Het jachtslot zal daarom in de toekomst een onderdeel vormen van de Nederlandse Oranjeroute in Duitsland (onder andere [U] , [V] , [W] en [q] ).

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat het beoordelingskader van de RCE te strikt is en heeft daarbij onder meer verwezen naar de toelichting bij de Beleidsregel erkenning tot het Nederlands cultureel erfgoed behorende monumenten gelegen buiten Nederland, nr. WJZ/785850 (10601), Stcrt. 2015, 19301 (hierna: de Beleidsregel). In die toelichting worden als voorbeelden van buitenlandse monumenten die waarschijnlijk voor een erkenning in aanmerking zouden komen genoemd: de Friese kerk in Rome, het Collège néerlandais van Willem Dudok in Parijs, of Schloss Oranienburg in Oranienburg bij Berlijn. Eiser meent dat daarmee de lat zo hoog ligt dat geen enkel in een andere lidstaat dan Nederland gelegen monument dat in handen is van een particulier voor erkenning in aanmerking zou komen.

Voor het jaar 2008 is een onjuist bedrag aan kosten aangegeven. Dit had niet € 34.395 moet zijn, maar € 40.934, aldus eiser.

Daarnaast heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat voor de jaren 2008 en 2009 de waarde van het jachtslot ter bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen dient te worden aangepast naar een waarde van € 22.200, aangezien hem kort na de aankoop ervan grote gebreken zijn gebleken.

Ten slotte verzoekt eiser om vergoeding van de werkelijke proceskosten wegens de onzorgvuldige en niet‑tijdige handelwijze van verweerder.

11. Verweerder is van mening dat de uitgaven voor het onderhoud van het jachtslot niet voor aftrek in aanmerking komen omdat de RCE afwijzend heeft beslist op het verzoek van eiser. Ook verder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat de door hem gedane uitgaven voor aftrek in aanmerking te komen. Verweerder stelt zich niet langer op het standpunt dat het Besluit van de Minister van Financiën van 2 juli 2015 een terugwerkende kracht kent tot 18 december 2014 en het hier om eerdere jaren gaat.

Met betrekking tot het inkomen uit sparen en beleggen heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in de jaren 2008 en 2009 terecht een waarde van € 380.000 voor het jachtslot in aanmerking is genomen. Deze waarde stemt overeen met de aankoopprijs van het jachtslot in 2008. In de jaren 2010 en 2011 is ten onrechte een bedrag van € 22.200 in aanmerking genomen. Dit had eigenlijk € 380.000 moeten zijn. In zoverre heeft verweerder een beroep op interne compensatie gedaan.

Beoordeling van het geschil

Uitspraak op bezwaar onvoldoende gemotiveerd?

12. De rechtbank is van oordeel dat de uitspraak op bezwaar weliswaar summier, maar niet onvoldoende is gemotiveerd. Uit de uitspraak op bezwaar komt – onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van arrest van 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1174 en de daarin genoemde voorwaarden – voldoende naar voren waarom het bezwaar is afgewezen.

Wettelijk kader en jurisprudentie

13. Artikel 6.31 van de Wet IB 2001 luidt in de onderhavige jaren – voor zover relevant – als volgt:

“1. Als uitgaven met betrekking tot een monumentenpand worden in aanmerking genomen:

a. (…)

b. indien het een bezitting betreft die volgens artikel 5.1 in de belastingheffing wordt betrokken en waarbij de daarmee overeenkomende waardeveranderingen van het monumentenpand de belastingplichtige direct of indirect grotendeels aangaan: het bedrag van de drukkende onderhoudskosten, verminderd met 4% van de waarde in het economische verkeer van de bezitting op de begindatum als bedoeld in artikel 5.2, waarbij de waarde in het economische verkeer van de bezitting wordt bepaald met toepassing van artikel 5.19.

(…)

3. Onderhoudskosten van een monumentenpand zijn de kosten van werkzaamheden daaraan voor zover die ertoe hebben gestrekt het pand, zoals dat bij de aanvang van de werkzaamheden bestond, in bruikbare staat te herstellen of te houden en in redelijkheid zijn gemaakt.”

14. In zijn arrest van 18 december 2014, C‑87/13, ECLI:EU:C:2014:2459, heeft het HvJ EU overwogen:

“29 Het voorwerp van de in het hoofdgeding aan de orde zijnde wettelijke regeling is (…) het behoud en de bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland door middel van een speciale aftrekbaarheid van bepaalde kosten van monumentenpanden, met name die welke hun eigenaar tot woning dienen.

30 Het is bovendien met het oog op deze doelstelling dat het Koninkrijk der Nederlanden de bovengenoemde aftrekmogelijkheid heeft geopend voor belastingplichtigen die eigenaar zijn van een in Nederland gelegen monumentenpand, ook als zij in een andere lidstaat woonachtig zijn (…).

31 Het feit dat een belastingvoordeel waarvan het doel bestaat in de bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland, enkel wordt toegekend aan eigenaren van monumentenpanden die op het nationale grondgebied zijn gelegen, is derhalve inherent aan de door de nationale wetgever nagestreefde doelstelling.

32 Het hieruit voortvloeiende verschil in behandeling is dus van toepassing op categorieën van belastingplichtigen die zich niet in objectief vergelijkbare situaties bevinden.

33 Dit zou slechts anders zijn indien de belastingplichtige aantoont dat het monument waarvan hij de eigenaar is, ondanks het feit dat het is gelegen op het grondgebied van een andere lidstaat dan het Koninkrijk der Nederlanden, desalniettemin een element vormt van het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed, en een dergelijke omstandigheid dit monument, indien het niet extraterritoriaal zou zijn, in aanmerking zou doen komen voor bescherming op grond van de Nederlandse Monumentenwet.”

15. In zijn arrest van 1 mei 2015 heeft de Hoge Raad, ECLI:NL:HR:2015:1174, onder meer overwogen:

“2.1. (…) dat artikel 49 VWEU zich er niet tegen verzet dat een lidstaat de aftrek van onderhoudskosten ter zake van monumenten beperkt tot die monumenten die op zijn grondgebied zijn gelegen, mits die aftrek ook openstaat ter zake van monumenten die weliswaar op het grondgebied van een andere lidstaat zijn gelegen, maar verband kunnen houden met het cultuurhistorisch erfgoed van eerstbedoelde lidstaat.

2.2.

Van voormeld verband met het cultuurhistorisch erfgoed van Nederland is gelet op punt 33 van het arrest [rb: zie onder 14. hiervoor] alleen dan sprake indien belanghebbende aannemelijk maakt dat het in België gelegen en door hem bewoonde kasteel (hierna: het kasteel) een element vormt van het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed, en het kasteel, indien het op het grondgebied van Nederland zou zijn gelegen, in aanmerking zou doen komen voor bescherming op grond van de Monumentenwet 1988.”

Persoonsgebonden aftrek monumentenpand

16. Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich mee dat op eiser, die een aftrekpost claimt, de last rust aannemelijk te maken dat het jachtslot een element vormt van het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed en dat het jachtslot, indien het op het grondgebied van Nederland zou zijn gelegen, voor een aanwijzing op grond van de Monumentenwet 1988 in aanmerking zou komen. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd.

17. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit de door eiser overgelegde stukken waaronder het “ [F] ” alsmede de analyse in de beslissing op bezwaar niet naar voren komt dat het jachtslot een element vormt van juist het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed. Het jachtslot beschikt weliswaar over Nederlandse elementen, maar daarmee is nog niet aannemelijk gemaakt dat het jachtslot als geheel een element is van het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed. Dat het “één van de meest buitengewone en ongewone vorstelijke gebouwen uit de periode rond 1700 in Noord‑ [Q] vormt”, maakt niet dat het jachtslot een element vormt van het Nederlands cultuurhistorisch erfgoed, zoals is vereist gelet op de onder 14. en 15. hiervoor geciteerde jurisprudentie. Reeds hierom heeft verweerder terecht de persoonsgebonden aftrek geweigerd en kan verder in het midden blijven of de Beleidsregel een te strikte interpretatie is van het door het HvJ EU gegeven criterium. Daarmee wordt ook niet toegekomen aan de stelling van eiser dat het jachtslot zou zijn aangewezen indien het in Nederland zou hebben gelegen en eerder een aanvraag zou zijn ingediend, wat daar verder ook van zij.

18. De beroepen kunnen in zoverre niet slagen.

Inkomen uit sparen en beleggen

19. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat voor de jaren 2008 en 2009 de oorspronkelijk aangegeven waarde van € 380.000 te hoog is en gelet op verborgen gebreken € 22.200 zou bedragen. Hij heeft zijn stelling echter, na gemotiveerde betwisting door verweerder, niet nader met (schriftelijke) bewijsstukken onderbouwd.

20. Ook in zoverre kunnen de beroepen dus niet slagen.

Heffingsrente

21. Aangezien eiser geen afzonderlijke gronden tegen de beschikkingen heffingsrente heeft aangevoerd, zal de in rekening gebrachte c.q. vergoede heffingsrente in stand blijven.

Conclusie

22. Gelet op het voorgaande dienen de beroepen ongegrond te worden verklaard.

Proceskosten

23. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.J.C. Pieterse, voorzitter, mr. A.F. Germs‑de Goede en mr. J.M.W. van de Sande, rechters, in tegenwoordigheid van mr. drs. O.D. Heitling, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 14 juni 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.