Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2491

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-06-2018
Datum publicatie
07-06-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1515
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om handhaving in de vorm van een last onder dwangsom of bestuursdwang ten behoeve van het ongedaan maken van een afsluiting van een natuurgebied dat als homo-ontmoetingsplaats wordt gebruikt. Het verzoek behelst het verwijderen van de hangsloten aan de klaphekken die toegang bieden aan het gebied. De rechtbank overweegt dat de paden geen wegen zijn in de zin van de Wegenwet en de Wegenverkeerswet. Daarom is er geen overtreding van de Algemene plaatselijke verordening of de Wegenverkeerswet. Verweerder was niet bevoegd om te handhaven en de hangsloten te verwijderen. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1515

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], gevestigd te [woonplaats] eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2016 (hierna: primair besluit) heeft verweerder geweigerd om handhavend op te treden tegen – kort gezegd – maatregelen waardoor de toegankelijkheid van een bosgebied is beperkt.

Bij besluit van 13 februari 2017 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten.

Eiseres heeft beroep tegen het bestreden besluit ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 18 april 2018. Namens eiseres verschenen

[eiseres] en [eiseres]. Verweerder liet zich vertegenwoordigen door

mr. J. Keur, die werd vergezeld door (onder meer) J. Otter en H. de Wit.

Overwegingen

Inleiding

1.1.

Langs rijksweg A12 ligt een strook voor het parkeren van (vracht)auto’s, die plaatselijk bekend staat als ‘het Ginkelse Zand’. De parkeerstrook is eigendom van de Staat der Nederlanden en wordt beheerd door Rijkswaterstaat.

1.2.

Ten noorden van de parkeerstrook ligt het natuurgebied ‘De Ginkelse Heide’. De parkeerstrook en het natuurgebied worden van elkaar gescheiden door een terrein met bomen (hierna: het terrein). De eigendom van het natuurgebied en het terrein is in handen van de gemeente Ede.

1.3.

Op de grens tussen de parkeerstrook en het terrein staat een stalen erfafscheiding van ongeveer twee meter hoog. De erfafscheiding wordt her en der onderbroken door poorten, die partijen aanduiden als “klaphekken”. Enige maanden geleden zijn de poorten voorzien van hangsloten, om te voorkomen dat personen het terrein vanaf de parkeerstrook kunnen bereiken.

1.4.

Sinds een aantal jaren wordt het terrein gebruikt door homoseksuele mannen voor het onderhouden van seksuele contacten. Het aanbrengen van hangsloten aan de poorten belemmert de mogelijkheid om het terrein als homo-ontmoetingsplaats te gebruiken. Momenteel is het terrein slechts bereikbaar via een parkeerplaats bij restaurant “Planken Wambuis” aan de provinciale weg N224 en een looproute van ongeveer twee kilometer.

2.1.

Eiseres stelt zich onder meer ten doel om ervoor te zorgen dat bestaande homo-ontmoetingsplaatsen ook in de toekomst als zodanig kunnen worden gebruikt, zo blijkt uit haar statuten en haar feitelijke activiteiten.

2.2.

Eiseres heeft aangevoerd dat het permanent gesloten houden van de poorten het gebruik van het terrein als homo-ontmoetingsplaats welbeschouwd onmogelijk maakt, en dat dit jegens haar onrechtmatig is.

2.3.

Eiseres wil dat bezoekers van de parkeerstrook het terrein weer gewoon kunnen betreden. Ter vervulling van die wens heeft eiseres per brief van 11 augustus 2016 aan verweerder gevraagd om handhavend optreden, door het opleggen van een last onder bestuursdwang of dwangsom tot het verwijderen van de hangsloten (hierna: het handhavingsverzoek).

2.4.

Uit het primaire besluit en het bestreden besluit blijkt dat de wet- en regelgeving volgens verweerder geen bevoegdheid geven om tegen deze afsluiting op te treden.

Omvang van het geding

3. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de op het terrein gesitueerde paden (hierna: paden) moeten worden aangemerkt als openbare wegen in de zin van de Wegenwet en eveneens als voor het verkeer openstaande wegen in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW). Dit standpunt ligt ten grondslag aan haar betoog dat de maatregelen moeten worden gekwalificeerd als overtredingen van publiekrechtelijke voorschriften. Dat betreft in dit geval de artikelen 2.10 van de Algemene Plaatselijke Verordening Ede (hierna: APV) en 15 van de WVW. Verweerder zou deze overtredingen met behulp van bestuursrechtelijke handhavingsmaatregelen ongedaan moeten maken. In dit verband wijst eiseres onder meer op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) over a. de definitie van het begrip ‘weg’; en b. de manier om met bestuursrechtelijke maatregelen af te dwingen dat de openbaarheid van wegen niet wordt belemmerd.

4. Verweerder betwist in de eerste plaats dat de paden kunnen worden aangemerkt als wegen in de zin van de Wegenwet en/of de WVW. Ten tweede voert verweerder aan dat eiseres moet bewijzen dat de paden openbaar in de zin van de Wegenwet zijn. Volgens verweerder is eiseres dit niet gelukt.

5. De rechtbank constateert dat eiseres de omvang van het geschil over het permanent gesloten houden van de poorten heeft beperkt door (de formulering van) het handhavingsverzoek. Dit verzoek strekt namelijk slechts tot het treffen van bestuursrechte-lijke handhavingsmaatregelen wegens de overtreding van publiekrechtelijke voorschriften.

Weg in de zin van de Wegenwet en/ of de WVW?

6.1.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wegenwet is deze wet uitsluitend van toepassing op openbare wegen.

6.2.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de WVW is deze wet slechts van toepassing op alle voor het openbaar verkeer openstaande wegen.

7.1.

Het begrip ‘weg’ is niet nader omschreven in de Wegenwet en evenmin in de WVW. Daarom is het aan de rechter om dit begrip te definiëren.

7.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling kan pas worden gesproken van een weg in de zin van de Wegenwet en de WVW als het gaat om een stuk grond dat een (relevante) functie vervult in de afwikkeling van het openbare verkeer. Het is niet zo, zoals eiseres suggereert, dat het al voldoende is als het gaat om een strook grond waarvan verkeer gebruik maakt.

7.3.

De rechtbank sluit zich aan bij de hiervoor aangehaalde jurisprudentie. Voor de beantwoording van de vraag of de paden kunnen worden aangemerkt als wegen heeft de rechtbank in de gedingstukken en tijdens de zitting gezocht naar informatie over de feitelijke toestand van de paden die niet meer via de parkeerstrook kunnen worden bereikt. Daarbij is gebruik gemaakt van de foto’s, kaarten en tekeningen die in het procesdossier zitten, en van de toelichtingen die daarop door partijen in de stukken en tijdens de zitting zijn gegeven.

7.4.

De rechtbank maakt geen gebruik van de mogelijkheid tot raadpleging van de website ‘www.topotijdreis.nl’. Deze website geeft immers – zo leidt de rechtbank af uit wat de gemachtigden van eiseres tijdens de zitting hebben verklaard – slechts informatie over de vraag sinds wanneer de paden in kwestie er zijn, maar niet tevens over de vraag door wiens toedoen deze paden zijn ontstaan, en evenmin over de vraag welke functie deze paden nu precies vervullen of hebben vervuld. Naar het oordeel van de rechtbank kan raadpleging van de website ‘www.topotijdreis.nl’ dan ook redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van deze zaak.

8.1.

De rechtbank is van oordeel dat de paden niet kunnen worden aangemerkt als wegen in de zin van de Wegenwet en/of de WVW. Daartoe overweegt zij het volgende.

8.2.

De paden kunnen niet worden aangemerkt als ontsluitingsroutes. De paden leiden immers niet naar een perceel of een gebouw, zoals een ligweide of een horecagelegenheid (met een terras), waar dagelijks een onbepaalde groep personen komt.

8.3.

Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat a. de paden ongeveer één meter breed zijn; b. op geen enkele wijze zijn verhard; en c. uitkomen op een strook grond die evenmin is verhard. Uit die feiten concludeert de rechtbank dat de paden objectief bezien niet geschikt zijn om te dienen als doorgangs- of verbindingsroutes in de gebruikelijke zin van het woord. Verder acht de rechtbank voldoende aannemelijk geworden dat de paden in de praktijk ook niet als zodanig werden gebruikt.

8.4.

Het vorenstaande wordt niet anders doordat het terrein zelf in de praktijk een functie als homo-ontmoetingsplaats heeft vervuld, en evenmin doordat het terrein – naar zeggen van eiseres – soms door 400 personen per etmaal werd bezocht. Die omstandigheden maken immers niet dat openbaar verkeer via de paden werd afgewikkeld. Ze betekenen slechts dat het terrein voor personen tamelijk eenvoudig toegankelijk was.

Slotoverwegingen

9.1.

Het oordeel dat de paden niet kunnen worden aangemerkt als wegen in de zin van de Wegenwet en/of de WVW betekent dat de publiekrechtelijke voorschriften, artikel 2.10 van de APV en artikel 15 van de WVW, al om deze reden niet van toepassing zijn. Er is dus geen overtreding van deze voorschriften. Verweerder is daarom niet bevoegd tegen het aanbrengen van de hangsloten aan de klaphekken op te treden.

9.2.

Het vorenstaande heeft tot gevolg dat de rechtbank niet toekomt aan de vraag of de paden openbaar zijn (geworden) in de zin van de Wegenwet, en evenmin aan de vraag of de paden hebben opgestaan voor het openbaar verkeer in de zin van de WVW. Antwoorden op die vragen kunnen immers niet leiden tot het oordeel dat het aanbrengen van de hangsloten tóch in strijd komt met de hiervoor vermelde voorschriften uit de APV en WVW.

10.1.

Eiseres verzoekt om nadeelcompensatie in de vorm van de realisering van een homo-ontmoetingsplaats met faciliteiten die qua bereikbaarheid en privacy vergelijkbaar is met de mogelijkheden die het terrein bood. De rechtbank begrijpt dit verzoek zo, dat eiseres de instandlating van de afwijzing van het handhavingsverzoek pas rechtmatig vindt als deze afwijzing gepaard gaat met feitelijke compenserende maatregelen.

10.2.

Onder verwijzing naar de rechtsoverwegingen 8.1 en 9.1 van deze uitspraak ziet de rechtbank geen reden voor het oordeel dat verweerder gehouden is tot nadeelcompensatie in de door eiseres gewenste zin.

11. Eiseres betoogt dat de burgemeester van de gemeente Ede ten onrechte heeft bevolen om het terrein af te sluiten voor bezoekers.

De rechtbank overweegt dat een besluit van de burgemeester, wat daar verder ook van zij, buiten deze procedure valt.

Conclusie

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de afwijzing van het handhavings-verzoek terecht in stand heeft gelaten. Daarom zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Gelet hierop ziet zij geen aanleiding om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten die eiseres heeft gemaakt.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, voorzitter, en mr. R.J.B. Schutgens en

mr. L.M. Koenraad, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.