Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2370

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-02-2018
Datum publicatie
29-05-2018
Zaaknummer
330505
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

verzet; tegenstrijdige forumkeuzebedingen, samenhang; onbevoegdheidsincident, exceptie van nietigheid dagvaarding en incidentele vordering tot het treffen van provisionele voorzieningen afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/330505 / HA ZA 17-529

Vonnis in incident in verzet van 14 februari 2018

in de zaak van

1 [naam partij] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [naam partij],

wonende te [woonplaats]

3. [naam partij]

wonende te [woonplaats] ,

eisers in conventie in de hoofdzaak,

verweerders in reconventie in de hoofdzaak,

gedaagden in het verzet,

verweerders in de incidenten

advocaat mr. T.L.G.M. Heebing te Zevenaar,

tegen

[gedaagde in conv.in de hoofdzaak] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde in conventie in de hoofdzaak

eiser in reconventie in de hoofdzaak,

eiser in het verzet,

eiser in de incidenten,

advocaat mr. M. Bitter te Haarlem.

Eiser in conventie in de hoofdzaak sub 1 zal hierna [eiser in conv. in de hoofdzaak] worden genoemd. Eisers in conventie in de hoofdzaak sub 2. en 3. zullen hierna samen tevens worden aangeduid als [eisers in conv. in de hoofdzaak] (mannelijk enkelvoud). Gedaagde in conventie in de hoofdzaak zal [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] worden genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het door deze rechtbank op 4 oktober 2017 tussen [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] als eisende partijen en [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] als gedaagde partij bij verstek gewezen vonnis onder zaaknummer / rolnummer 322857 / HA ZA 17/345 (verder: het verstekvonnis);

- de verzetdagvaarding, tevens aan te merken als incidentele conclusie strekkende tot het uitspreken van de onbevoegdheid van rechtbank Gelderland om kennis te nemen van de vorderingen van [eisers in conv. in de hoofdzaak] , alsmede tot nietigverklaring van de inleidende dagvaarding van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] , tevens aan te merken als de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie in de hoofdzaak tevens houdende provisionele vorderingen tot schorsing van executie, opheffing beslag en het stellen van zekerheid bij wege van te treffen voorzieningen ex artikel 223 Rv;

- de akte houdende overlegging van de producties als genoemd in de verzetdagvaarding tevens van rectificatie van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] ;

- de conclusie van antwoord in de incidenten c.q. ten aanzien van de provisionele vorderingen, tevens van antwoord in de hoofdzaak in conventie en in reconventie, tevens antwoordakte, tevens akte overlegging producties aan de zijde van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] . Het deel van deze conclusie dat is genomen in antwoord in de hoofdzaak in conventie is door de rolrechter geweigerd, waarmee de onderdelen van de conclusie met randnummers 205 tot en met 219 zijn vervallen.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald in de incidenten.

2 De feiten

2.1.

[gedaagde in conv.in de hoofdzaak] is de zoon van wijlen [overledene] en [overledene] . [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] waren respectievelijk broer en zus van [overledene] Zijn derhalve tevens elkaars broer en zus en tevens respectievelijk oom en tante van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] .

2.2.

Tussen [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] zijn verschillende overeenkomsten van geldlening tot stand gekomen. In een tussen hen overeengekomen ‘Overeenkomst strekkende tot integrale geldlening’ van 4 februari 2011 die eerdere overeenkomsten van 16 december 2009, 19 oktober 2010 en 9 december 2010 met terugwerkende kracht vervangt, is in artikel 3.2. een forumkeuzebeding opgenomen met de inhoud:

3.2.

De rechtbank Arnhem is bevoegd kennis te nemen van geschillen voortvloeiende uit deze overeenkomst.

2.3.

Tussen [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] zijn overeenkomsten van geldlening tot stand gekomen van 6 april 2009, 21 december 2009, 24 juni 2010, 30 december 2010 en 31 januari 2011, alsmede een addendum behorende bij die overeenkomsten, eveneens van 31 januari 2011. In al deze overeenkomsten is steeds een bepaling opgenomen met de inhoud:

De rechtbank Zwolle is bevoegd kennis te nemen van geschillen voorvloeiende uit deze overeenkomst.

2.4.

Met verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant locatie Breda van 10 mei 2017 hebben [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] conservatoir beslag gelegd op het onverdeelde aandeel van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] in de nalatenschap van [overledene] , in welke nalatenschap, onder meer, zes registergoederen vallen.

3 Het geschil

3.1.

[eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] hebben in de verstekprocedure gevorderd dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] zal veroordelen om binnen 14 dagen na de betekening van het vonnis aan

- [eiser in conv. in de hoofdzaak] te voldoen een bedrag groot € 100.000,00, te vermeerderen met primair de contractuele rente verschuldigd van 5% per jaar en subsidiair de wettelijke rente, en wel over € 65.000,00 over het tijdvak 16 september 2009 tot 1 juli 2015, over € 35.000,00 over het tijdvak 19 oktober 2010 tot 1 juli 2015, over € 25.000,00 vanaf 29 december 2010 tot de dag der voldoening en over € 75.000,00 vanaf 4 februari 2011 tot de dag der voldoening, waarop in mindering komt het reeds betaalde bedrag van € 29.332,37,

- [eisers in conv. in de hoofdzaak] te voldoen een bedrag groot € 390.000,00, te vermeerderen met de contractuele rente verschuldigd van 5% per jaar en subsidiair de wettelijke rente, en wel over € 100.000,00 vanaf 6 april 2009, over € 150.000,00 vanaf 21 december 2009, over € 40.000,00 vanaf 24 juni 1010, over € 25.000,00 vanaf 30 december 2010 en over € 75.000,00 vanaf 31 januari 2011, telkens tot de dag der voldoening,

met veroordeling van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] in de kosten van het geding, de nakosten en

beslagkosten daaronder begrepen, onder bepaling, dat gedaagde over deze proceskosten

met ingang van de veertiende dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis tot aan

de dag der algehele voldoening, de wettelijke rente verschuldigd zal zijn.

3.2.

Bij het verstekvonnis zijn de vorderingen van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] integraal toegewezen en is [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] veroordeeld in de beslagkosten, aan de zijde van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] begroot op € 585,50 aan explootkosten en € 2.580,00 aan salaris advocaat en voorts in de proceskosten, aan de zijde van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] tot de dag van de uitspraak begroot op in totaal € 4.236,31, waarvan € 111,31 wegens explootkosten, € 1.545,00 wegens griffierecht (inclusief beslag) en € 2.580,00 wegens salaris advocaat.

3.3.

[gedaagde in conv.in de hoofdzaak] vordert in het incident in het verzet dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

1. het verstekvonnis vernietigt en:

2. de onbevoegdheid van de rechtbank uitspreekt om kennis te nemen van de vorderingen van [eisers in conv. in de hoofdzaak] ;

3. de inleidende dagvaarding nietig te verklaart;

4. [eiser in conv. in de hoofdzaak] als gevolg van de nietige inleidende dagvaarding niet-ontvankelijk te verklaart in zijn vorderingen, althans deze afwijst;

5. [eisers in conv. in de hoofdzaak] als gevolg van de nietige inleidende dagvaarding niet-ontvankelijk

verklaart in zijn vorderingen, althans deze afwijst;

6. bij wege van voorlopige voorziening ex art. 223 Rv met onmiddellijke ingang na vonniswijzing de executie van het verstekvonnis schorst, althans voor zover nodig ieder van gedaagden in het verzet hoofdelijk beveelt met onmiddellijke ingang na vonniswijzing de executie van het verstekvonnis te schorsen, alles zolang deze verzetprocedure niet geëindigd zal zijn en niet ten gronde beslist zal zijn in de hoofdprocedure;

7. bij wege van voorlopige voorziening ex art. 223 Rv [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] ieder voor zichzelf en hoofdelijk veroordeelt tot het met onmiddellijke ingang na vonniswijzing opheffen van de door hen gelegde beslagen;

8. [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] ieder voor zichzelf en hoofdelijk veroordeelt tot betaling aan [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] van de door hem gemaakte en te maken kosten ter zake de conservatoire en executoriale beslagen, daaronder begrepen de explootkosten;

9. bij wege van voorlopige voorziening ex art. 223 Rv [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] ieder voor zichzelf en hoofdelijk veroordeelt tot het met onmiddellijke ingang na vonniswijzing stellen van zekerheid zoals bedoeld in artikel 235 Rv ten gunste van de [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] ;

10. [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van het geding daaronder begrepen de kosten van betekening van het verstekvonnis en betekening van het exploot van verzet, de beslagkosten, en de werkelijke door [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] gemaakte

advocaatkosten, althans ieder van hen veroordeelt in de (proces)kosten op een door

de rechtbank te bepalen wijze.

3.4.

[gedaagde in conv.in de hoofdzaak] heeft in de hoofdzaak gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad beslist om, kort weergegeven:

In conventie

1. Het verstekvonnis waarvan verzet te vernietigen.

2. Voor recht te verklaren dat de vorderingen van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] zijn verjaard.

3. Primair: [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] niet-ontvankelijk te verklaren in hun respectievelijke vorderingen, althans deze af te wijzen, op de grond dat deze zijn verjaard.

4. Subsidiair: [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] niet-ontvankelijk te verklaren in hun respectievelijke vorderingen, althans deze af te wijzen, omdat de schulden zijn overgenomen door de pachter, althans deze vorderingen al zijn betaald.

5. Meer subsidiair: [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] niet-ontvankelijk te verklaren in hun respectievelijke vorderingen, althans deze af te wijzen, omdat deze niet deugdelijk zijn onderbouwd.

6. [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding daaronder begrepen de kosten van betekening van het verstekvonnis en betekening van het exploot van verzet, althans ieder van hen te veroordelen in de proceskosten op een door de rechtbank te bepalen wijze.

In reconventie

1. [eiser in conv. in de hoofdzaak] te veroordelen om alle gegevens die hij bezit inzake het contact van hemzelf en van [eisers in conv. in de hoofdzaak] inzake het golfressort en hotel in [woonplaats] en inzake alle correspondentie en afspraken met de pachter binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, aan [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] in kopie ter beschikking te stellen op een of meer voor [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] toegankelijke gegevensdragers, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.500,00 per dag of dagdeel dat hij hiermee in gebreke blijft, althans door de rechtbank te bepalen termijnen van beschikbaar stellen en dwangsommen.

2. [eisers in conv. in de hoofdzaak] te veroordelen om alle gegevens die hij bezit inzake het contact van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] inzake het golfressort en hotel in [woonplaats] en inzake alle correspondentie en afspraken met de pachter binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, aan [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] in kopie ter beschikking te stellen op een of meer voor [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] toegankelijke gegevensdragers, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.500,00 per dag of dagdeel dat hij hiermee in gebreke blijft, althans door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen termijnen van beschikbaar stellen en dwangsommen.

4. [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] hoofdelijk te veroordelen tot het vergoeden van de als gevolg van hun handelen en nalaten ter zake hun geldleningen en het project in Duitsland en hun afspraken met de pachter door [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] geleden schade, nader op te maken bij staat.

5. [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] hoofdelijk te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, het door hen ten laste van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] gelegde beslag op het aandeel van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] in de nalatenschap van zijn overleden moeder op te heffen en door te laten halen en geen nieuw beslag te leggen, onder verbeurte van een dwangsom door ieder van hen van € 1.500,00 per dag of dagdeel dat een van hen hiermee in gebreke blijft, althans door de rechtbank te bepalen termijn van opheffing en dwangsommen.

6. [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] hoofdelijk te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, de kosten van het betekenen van het beslagexploot aan [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] te voldoen.

7. Voor het geval er een vonnis wordt gewezen of beslissing wordt gegeven dat uitvoerbaar bij voorraad is en waarin [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] wordt veroordeeld iets te geven aan of te doen voor [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] hen hoofdelijk te veroordelen tot het stellen van zekerheid ten gunste van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] .

8. [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van de als gevolg van hun proceshandelingen en proceshouding en misbruik van procesrecht door [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] geleden schade, nader op te maken bij staat.

9. [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] hoofdelijk te veroordelen in de kosten van het geding waaronder de kosten van betekening van het verstekvonnis en betekening van het exploot van verzet, de beslagkosten, en de werkelijke door [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] gemaakte advocaatkosten, althans ieder van hen te veroordelen in de door de rechtbank te begroten (proces)kosten.

3.5.

[eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] hebben verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Het verzet is tijdig en op de juiste wijze ingesteld, zodat [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] in zijn verzet kan worden ontvangen.

De beoordeling in de incidenten

De onbevoegdheid ten aanzien van de vorderingen ingesteld door [eisers in conv. in de hoofdzaak] .

4.2.

[eisers in conv. in de hoofdzaak] heeft niet betwist dat de door hem ingestelde vorderingen voortvloeien uit de hiervoor onder 2.3. genoemde overeenkomsten en dat in die overeenkomsten steeds is bepaald dat “de rechtbank Zwolle” bevoegd is kennis te nemen van geschillen voorvloeiende uit de desbetreffende overeenkomst. Gelet op het bepaalde in artikel 108 Rv zou dit met zich brengen dat de rechtbank Overijssel, waarin de rechtbank Zwolle is opgegaan, bij uitsluiting bevoegd is van die vorderingen kennis te nemen.

4.3.

[eisers in conv. in de hoofdzaak] heeft aangevoerd dat tussen de vorderingen van respectievelijk [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] een zodanige samenhang bestaat dat daarvan een gezamenlijke behandeling is aangewezen en wel door de rechtbank Gelderland, die in de zaak tussen [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] , aldus [eisers in conv. in de hoofdzaak] , als gevolg van forumkeuze bevoegd is.

4.4.

Dit laatste is geen punt van geschil: tussen partijen staat vast dat de rechtbank Gelderland op grond van forumkeuze bevoegd is kennis te nemen van de vordering van [eiser in conv. in de hoofdzaak] . Geen van partijen heeft ook verwijzing van deze zaak gevorderd. Dit betekent dat het niet mogelijk is om én beide forumkeuzebedingen te respecteren én beide zaken door één rechter te laten beoordelen. De vraag die beantwoord dient te worden is wat deze situatie betekent voor de bevoegdheid van de rechtbank Gelderland om te oordelen over de vordering van [eisers in conv. in de hoofdzaak] : dient deze gevoegd behandeld te worden met de vordering van [eiser in conv. in de hoofdzaak] door de rechtbank Gelderland of dient deze te worden gesplitst en te worden verwezen naar de rechtbank Overijssel. Daarbij is allereerst van belang vast te stellen of sprake is van samenhang tussen de vorderingen van beide eisende partijen in de hoofdzaak, zoals [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] stellen, of dat daarvan, zoals [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] aanvoert, geen, althans onvoldoende sprake is.

4.5.

Niet betwist is dat de vorderingen van enerzijds [eiser in conv. in de hoofdzaak] en anderzijds [eisers in conv. in de hoofdzaak] op [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] voortvloeien uit afzonderlijke overeenkomsten van geldlening. Aan de andere kant is geen punt van geschil dat zowel de leningen van [eiser in conv. in de hoofdzaak] als die van [eisers in conv. in de hoofdzaak] aan [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] zijn verstrekt ter financiering van het zelfde project (verder: het project) van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] , met wie beide andere partijen in familiebetrekking staan. Voorts voert [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] ten aanzien van de vorderingen van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] in belangrijke mate dezelfde verweren: [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] zouden, aldus [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] kort weergegeven, samen met een pachter van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] hebben afgesproken dat deze de schulden van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] onder de verschillende geldleningsovereenkomsten zou overnemen en dat de pachter deze zou voldoen door de aan [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] verschuldigde pachtsommen niet aan hem te betalen maar aan [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] . De pachter is daarmee, aldus [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] in de schulden van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] getreden en de formele contractspartij van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] geworden, wat tot niet-ontvankelijkheid van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] zou moeten leiden, althans tot het afwijzen van hun vorderingen. Deze stellingen van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] worden door [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] gezamenlijk betwist. Ook een deel van de vorderingen van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] in reconventie is ten aanzien van zowel [eiser in conv. in de hoofdzaak] als [eisers in conv. in de hoofdzaak] op voornoemde stellingen gebaseerd, waarbij hij, kort weergegeven, voorts stelt dat hij door de afspraken met de pachter en andere daarmee samenhangende gedragingen van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] schade heeft geleden. Hij vordert om die reden hoofdelijke veroordeling van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] tot vergoeding van die schade en voorts, van ieder van hen, afgifte van (afschriften van) alle gegevens die zij bezitten inzake alle contacten van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] aangaande het project en de afspraken met de pachter. Ook tegen deze reconventionele vorderingen verweren [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] zich gezamenlijk. Ook in de incidenten geldt dat [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] zijn vorderingen tot nietigheid van de dagvaarding en tot het treffen van een aantal provisionele voorzieningen ten aanzien van zowel [eiser in conv. in de hoofdzaak] als [eisers in conv. in de hoofdzaak] , steeds baseert op dezelfde feiten en omstandigheden.

De rechtbank is van oordeel dat in deze omstandigheden een dusdanige samenhang bestaat tussen de verschillende vorderingen, zowel in de incidenten als in de hoofdzaak, zowel in conventie als in reconventie, dat deze, ter voorkoming van tegenstrijdige uitspraken en ter bevordering van een doelmatige procedure, bij voorkeur door dezelfde rechter dienen te worden beoordeeld.

4.6.

Het uitgangspunt dat aldus verknochte zaken om voornoemde redenen door dezelfde rechter worden, althans kunnen worden behandeld, is in de wet terug te vinden in artikel 107 Rv en 220 Rv. Artikel 107 Rv ziet op samenhangende zaken tegen verschillende gedaagden, en is in zoverre dus niet rechtstreeks van toepassing op de onderhavige casus, waarin het in de hoofdzaak immers gaat om samenhangende zaken van verschillende eisers. Ook artikel 220 Rv is niet rechtstreeks van toepassing: Dat ziet kort gezegd op verwijzing en voeging van aan verschillende bevoegde rechters voorgelegde verknochte zaken en niet op de hier gevorderde splitsing en verwijzing, in verband met gestelde onbevoegdheid. Dit neemt niet weg dat nu, indien de zaken door respectievelijk [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] bij de verschillende in de forumbedingen aangewezen gerechten waren aangebracht, artikel 220 Rv ertoe had kunnen leiden dat een van die zaken ter voeging zou zijn verwezen naar het andere gerecht vanwege de verknochtheid en het belang van een doelmatige procedure en het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen, kan worden aangenomen dat in de onderhavige spiegelbeeldige situatie, waarin de verknochte zaken al gevoegd zijn aangebracht en splitsing wordt gevraagd, artikel 220 Rv zich daar om de zelfde redenen - in beginsel - tegen verzet. Naar het oordeel van de rechtbank volgt dan uit de strekking van artikel 220 Rv, en naar analogie van artikel 107 Rv, dat de rechter die bevoegd is te oordelen over de vordering van de ene eiser, [eiser in conv. in de hoofdzaak] , dus rechtbank Gelderland, dat in beginsel ook is ten aanzien van de beoordeling van de daarmee samenhangende vordering van de andere eiser, [eisers in conv. in de hoofdzaak] , alsmede ten aanzien van de beoordeling van de tegen deze beide partijen door [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] ingestelde incidentele en reconventionele vorderingen.

4.7.

Dan komt de vraag aan de orde of voornoemde artikelen en belangen in dit geval dienen te prevaleren ten opzichte van het bepaalde in artikel 108 Rv, op grond waarvan, zoals overwogen onder r.o. 4.2. splitsing, onbevoegdheidsverklaring en verwijzing zou zijn voorgeschreven. In dat verband acht de rechtbank van belang dat zijdens [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] in het geheel niet is aangevoerd welk belang hij heeft bij het splitsen van de zaken van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] of bij het verwijzen van de vordering van [eisers in conv. in de hoofdzaak] naar rechtbank Overijssel. Een gerechtvaardigd belang valt, nu er bijvoorbeeld geen sprake van is dat [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] woont in (de omgeving van) Overijssel, zonder een dergelijke onderbouwing ook niet in te zien. Sterker nog, zonder toelichting, die niet is gegeven, valt niet in te zien waarom de belangen van het voorkomen van tegenstrijdige uitspraken en bevorderden van een doelmatige procesvoering door behandeling door één rechtbank niet ook relevant zijn voor [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] . De rechtbank gaat er daarom van uit dat bij [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] een gerechtvaardigd belang voor de gevorderde splitsing, onbevoegdverklaring en verwijzing ontbreekt. In deze omstandigheden komt [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] geen beroep op het forumkeuzebeding toe, althans dient het belang van het voorkomen van tegenstrijdige beslissingen en het bevorderen van een doelmatige procedure te prevaleren.

4.8.

De conclusie is dan dat de incidentele vordering tot onbevoegdheidsverklaring dient te worden afwezen.

De exceptie van nietigheid van de dagvaarding

4.9.

[gedaagde in conv.in de hoofdzaak] heeft aangevoerd dat het exploot van dagvaarding in de hoofdzaak door [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] niet is betekend op de in afdeling 6 van titel 1 van boek 1 Rv. (artikel 45 Rv e.v.) voorgeschreven wijze en dat dit er toe leidt dat die dagvaarding, gelet op het bepaalde in artikel 120 Rv nietig is. [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] voert daartoe aan dat de dagvaarding niet is betekend op zijn, ook bij [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] bekende, woonplaats aan de [woonplaats] waar hij destijds ook al stond ingeschreven. Aangezien zijn woon- en verblijfplaats bekend was voldoet, aldus [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] , de door [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] gebruikte wijze van betekening zoals omschreven in artikel 54 Rv, aan het parket van de ambtenaar van het openbaar ministerie parket Oost Nederland, niet. [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] voert voorts aan dat geen bewijs is geleverd van de publicatie van het exploot in een dagblad zoals in artikel 54 Rv voorgeschreven en met name niet dat het gepubliceerd is in de Staatscourant zoals door [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] gesteld.

4.10.

[eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] betwisten in de conclusie van antwoord in de incidenten dat niet op de voorgeschreven wijze is betekend. Het door [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] genoemde adres te [woonplaats] was niet diens woon- of verblijfplaats. De enkele omstandigheid dat hij daar stond ingeschreven doet daar, aldus [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] niet aan af. Ter onderbouwing van deze stelling hebben [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] een schriftelijke verklaring overgelegd van S.F.A. Hendriks, toegevoegd-gerechtsdeurwaarder, met daarin voor zover hier van belang de volgende inhoud:

Op 22 mei 2017 wilde ik; S.F.A. Hendriks, toegevoegd-gerechtsdeurwaarder, de dagvaarding in bovenstaande zaak betekenen op het bij ons bekende GBA adres te [woonplaats] Ik zag door het woonkamerraam al dat het huis leeg stond op wat klusgereedschap na. Er deed een man open die mij vertelde dat hij de nieuwe eigenaar van het pand was en [persoon] de vorige bewoner.

[persoon] zou niet meer in het pand wonen en hij wist ook niet waar [persoon] op dat moment verbleef. De man die ik sprak was het huis aan het opknappen (hij droeg oude

kleren met verfvlekken erop), ik vond dit een geloofwaardig verhaal. Ik ben als deurwaarder verplicht om me zoveel mogelijk in te spannen om ervoor te zorgen dat het exploot de betrokkene bereikt. Ik geloofde deze man en kon daarom het exploot niet op de [woonplaats] achterlaten. Omdat ik verder geen aanknopingspunten had waar [persoon] dan elders zou verblijven en de eisende partij ook geen adres kon achterhalen is de dagvaarding openbaar betekend.

[eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] voeren voorts aan dat [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] volgens het GBA geen eigenaar was van de woning en dat uit de transportakte, die sinds 2 mei 2017 in de openbare registers staat ingeschreven, blijkt dat de toenmalige eigenaar de woning heeft verkocht. Dit bevestigt, aldus [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] dat de deurwaarder op 22 mei 2017 de nieuwe eigenaar in de woning heeft aangetroffen. [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] stellen voorts dat het openbaar exploot wel in de Staatscourant is gepubliceerd. Zij hebben ter onderbouwing van die stelling een aanbiedingsbrief aan de Staatscourant overgelegd, alsmede een afschrift van een publicatie uit de Staatscourant van 29 mei 2017.

4.11.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] zijn stelling dat hij op 22 mei 2017 woonstede had op het voornoemde adres te [woonplaats] niet anders heeft onderbouwd dan met de GBA-inschrijving en met de, overigens niet betwiste stelling dat [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] het beslag-exploot een week eerder op het zelfde adres hadden betekend. Daar tegenover staan de bovengenoemde onderbouwde stellingen van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] dat [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] feitelijk geen woonstede had op dat adres en de daarbij overgelegde schriftelijke verklaring van de toegevoegd-gerechtsdeurwaarder, waar [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] nog niet op heeft kunnen reageren. Wat er daar ook van zij, ook indien er van wordt uitgegaan dat de betekening niet op de voorgeschreven wijze is geschied, verwerpt de rechter, gelet op het bepaalde in artikel 122 Rv, het beroep van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] op de nietigheid van het exploot van dagvaarding. Immers, naar het oordeel van de rechtbank hebben de door [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] gestelde gebreken hem niet onredelijk in zijn belangen, al bedoeld in dat artikel, geschaad. Hij heeft in de onderhavige procedure voldoende gelegenheid zich alsnog tegen de vorderingen van [eiser in conv. in de hoofdzaak] te verweren. Dat hij ten gevolge van de gestelde gebreken in de betekening is beperkt in het verweer dat hij in het geding wil voeren, is naar het oordeel van de rechtbank niet gesteld althans niet onderbouwd. Dit volgt ook niet uit de door [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] gestelde omstandigheden dat het verstekvonnis bij voorraad uitvoerbaar is verklaard, er conservatoire beslagen zijn gelegd, dat [eiser in conv. in de hoofdzaak] heeft aangekondigd het beslag te zullen gaan uitwinnen, [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] alle zeilen moet bijzetten om de executie af te wenden en hij wordt bestookt door adviseurs en advocaten van de nabestaande van zijn moeder die ook door het beslag worden getroffen. Deze omstandigheden zijn voorts niet terug te voeren op het gestelde betekeningsgebrek als zodanig. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep op nietigheid van de dagvaarding wordt verworpen.

De incidentele vordering tot het treffen van provisionele voorzieningen.

[gedaagde in conv.in de hoofdzaak] vordert dat de rechter een drietal voorlopige voorzieningen zal treffen voor de duur van het geding, te weten de schorsing van de executie van het verstekvonnis, (althans) het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 235 Rv en de opheffing van het door [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] gelegde in r.o. 2.4 omschreven beslag.

4.12.

[gedaagde in conv.in de hoofdzaak] heeft voldoende processueel belang bij de incidentele vorderingen. De gevraagde voorlopige voorziening hangen samen met de hoofdvordering en zijn gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kunnen worden gegeven.

4.13.

Ten aanzien van de vordering tot het treffen van de voorlopige voorzieningen heeft [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] kort weergegeven aangevoerd dat [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] conservatoir beslag hebben gelegd ondanks dat hun vorderingen al (door de pachter) zijn voldaan, althans zijn verjaard, althans niet meer door [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] hoeven te worden voldaan, althans ondanks dat nakoming door [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] van zijn (gepretendeerde) verplichtingen uit de geldleningsovereenkomst afdoende is gedekt door andere zekerheden, te weten hypothecaire inschrijvingen in het Duitse Grundbuch met betrekking tot onroerende zaken met een waarde van € 2.700.000,00, en dat [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] dit beslag hebben omgezet in executoriaal beslag en zich niets gelegen hebben laten liggen aan de brieven van gemachtigde van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] om de executie op te schorten. Dit alles, aldus [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] , ondanks dat de inleidende dagvaarding nietig was en in weerwil ervan dat bij [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] bekend was dat [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] tegen het verstekvonnis verzet in zou stellen. Er bestaat voorts, aldus [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] gegronde vrees voor “verduistering” van de aldus door [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] geïncasseerde of te incasseren bedragen, waarmee zo begrijpt de rechtbank, [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] bedoelt dat sprake is van een restitutierisico.

4.14.

[eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] hebben voornoemde stellingen gemotiveerd betwist. Zij betwisten dat hun vorderingen verjaard zijn en stellen dat deze opeisbaar zijn, zij betwisten dat er voldoende andere zekerheden zijn en stellen voldoende belang te hebben bij het in r.o. 2.4. genoemde beslag. De hyptohecaire inschrijvingen in het Duitse Grundbuch bieden onvoldoende zekerheid voor de vorderingen van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] , nu de executiewaarde, aldus [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] , maar 50% van de vrije verkoopwaarde beslaat, de executie geheel door en in regie van het Amtsgericht zal plaatsvinden en executieverkopen in Duitsland vaak jarenlang duren. [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] staan bovendien, zo voeren zij aan, met betrekking tot een deel van de desbetreffende onroerende zaken als vierde en vijfde in rangorde ingeschreven en met betrekking tot een ander deel als tweede en derde, terwijl de inschrijvingen boven hen een waarde van € 600.000,00 en € 100.000,00 vertegenwoordigen. Van misbruik van recht of van vexatoir beslag is, aldus [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] , dan ook geen sprake. Ook betwisten zij de gestelde nietigheid van de inleidende dagvaarding en dat de vorderingen overgedragen of voldaan zijn. Er is voorts, zo voeren zij aan, geen sprake van enige grond voor vrees van “verduistering” van geïncasseerde of te incasseren bedragen en evenmin van een restitutierisico, nu [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] allen redelijk gefortuneerd zijn.

4.15.

De rechtbank overweegt dat in het geval hoger beroep is ingesteld tegen een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis, het incident tot schorsing van de tenuitvoerlegging daarvan is geregeld in art. 351 Rv. Een dergelijke bepaling ontbreekt echter voor het geval van verzet tegen een bij voorraad uitvoerbaar verklaard verstekvonnis, zoals hier aan de orde. Er is echter geen grond om te veronderstellen dat het vorderen van schorsing van de executie van een dergelijk vonnis als voorlopige voorziening voor de duur van de verzetsprocedure op grond van artikel 223 Rv niet mogelijk zou zijn.

4.16.

Bij de beoordeling van een dergelijke vordering staat voorop dat uit artikel 145 Rv volgt dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaard verstekvonnis heeft verkregen in beginsel bevoegd is dat vonnis te executeren, ook indien tegen het verstekvonnis verzet is ingesteld. Ten aanzien van de vraag of de executie van een bij voorraad uitvoerbaar verklaard vonnis dient te worden geschorst volgt in het geval sprake is van hoger beroep tegen een op tegenspraak gewezen vonnis uit de jurisprudentie dat daarvoor de navolgende maatstaven gelden :

(i) de incidenteel eiser moet belang hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging;

(ii) bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van degene die schorsing verzoekt bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de door hem verkregen veroordeling direct ten uitvoer te leggen;

(iii) bij deze belangenafweging dient de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing in een hoger beroep zaak geldt voorts dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen omtrent de uitvoerbaar bij voorraad-verklaring. Dit kan anders zijn indien het vonnis waartegen beroep is ingesteld klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de besteden beslissing feiten en omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen die kunnen rechtvaardigen dat van die eerder beslissing wordt afgeweken. (vgl. Hoge Raad 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008: BC5012; Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 2 december 2014 ECLI:NL:GHARL:2014:9394).

4.17.

De voornoemde maatstaven zijn geformuleerd ten aanzien van een incidentele vordering in hoger beroep, tegen een op tegenspraak gewezen vonnis, waarbij een rechter in eerste instantie reeds aan de hand van de over en weer aangedragen gronden en stellingen op de geschillen tussen partijen heeft beslist. Bij de beoordeling van een vergelijkbare vordering in een verzetprocedure is daarvan geen sprake: de in de verstekzaak oordelende rechter heeft immers geen rekening heeft gehouden met de aangedragen feiten en stellingen van de eiser in verzet. De in het incident door eiser aangevoerde argumenten en gronden kunnen, voor zover deze in het kader van de beoordeling van de gevorderde voorlopige voorziening voldoende aannemelijk zijn geworden en indien er gelet daarop gegronde redenen zijn te veronderstellen dat de rechter de veroordeling in het verstekvonnis niet zou hebben uitgesproken in het geval eiser in verzet was verschenen en de in het incident opgeworpen argumenten als verweer had gevoerd, een rechtvaardiging zijn om van de eerder uitgesproken uitvoerbaarheid bij voorraad af te wijken en de gevorderde voorlopige voorzieningen toe te wijzen (vgl. Gerechtshof ’s Hertogenbosch 9 december 2014 ECLI:NL:GSHE:2014:5174, JBPR 2015/9).

4.18.

[gedaagde in conv.in de hoofdzaak] betwist niet dat de geldleningsovereenkomsten waar de vorderingen van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] op zijn gebaseerd hebben bestaan en dat deze niet door hem zelf zijn voldaan, zodat daarvan voorshands kan worden uitgegaan. Hij heeft in het incident ter verweer tegen de vordering van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] , zo begrijpt de rechtbank, kort gezegd, als bevrijdende verweren aangevoerd dat de vorderingen van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] tot nakoming niet toewijsbaar zijn, omdat deze zijn verjaard, althans zijn overgedragen aan een ander, althans door een ander dienen te worden voldaan, althans reeds zijn voldaan. Deze verweren en de daaraan ten grondslag gelegde feiten zijn door [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] gemotiveerd betwist. De rechtbank acht , mede gelet op deze gemotiveerde betwisting, de aan de verweren van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden thans niet reeds dusdanig aannemelijk geworden dat deze, voorshands oordelend in het kader de gevorderde voorlopige voorziening, de veronderstelling rechtvaardigen dat de rechter de bij voorraad uitvoerbaar verklaarde veroordelingen in het verstekvonnis niet zou hebben uitgesproken in het geval eiser in verzet in de verstekzaak was verschenen en deze als verweer had aangevoerd. Dit levert derhalve geen grond op voor toewijzing van de gevraagde voorziening.

4.19.

Derhalve moet worden beoordeeld of een afweging van de materiële belangen van partijen in lijn met de in 4.16 aangehaalde jurisprudentie de gevorderde ordemaatregel rechtvaardigen.

4.20.

De rechtbank overweegt dat tenuitvoerlegging van het bij voorbaat uitvoerbaar verklaard verstekvonnis voor risico is van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] : in geval van vernietiging van het verstekvonnis zijn zij in beginsel voor door de executie ontstane schade schadeplichtig jegens [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] . [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] heeft niet gesteld dat hij door tenuitvoerlegging in een noodsituatie kom te verkeren, terwijl hij, voor zover hij stelt dat [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] onvoldoende verhaal bieden in het geval dat het verstekvonnis wordt vernietigd, hij deze, door [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] betwiste stelling in het geheel niet heeft onderbouwd, laat staan aannemelijk heeft gemaakt. De stelling dat eventuele uitwinning van het onverdeelde aandeel van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] in de nalatenschap tot grote schade zou leiden voor de nalatenschap en de overige erfgenamen, die vervolgens mogelijk [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] daarvoor zouden aanspreken, is evenmin nader onderbouwd en kan zonder die nadere onderbouwing niet worden gevolgd. De stelling dat [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] geen belang hebben bij executie in verband met andere zekerheden is door hen, zoals aangehaald onder r.o. 4.14. gemotiveerd weersproken. Al met al komt de rechtbank, nu verder geen in dit verband relevante feiten of omstandigheden zijn gesteld, tot het oordeel dat een belangenafweging de schorsing van de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis niet rechtvaardigt. De conclusie is dan ook dat deze gevraagde voorziening wordt afgewezen.

4.21.

Ten aanzien van de gevorderde opheffing van het conservatoire beslag overweegt de rechtbank dat niet gesteld of gebleken is dat daarbij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen zijn verzuimd. Nu ten aanzien van die vordering geen andere feiten en omstandigheden zijn aangevoerd dan hiervoor onder 4.18-4.20. besproken volgt uit de daar weergegeven overwegingen dat niet summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, noch dat voor de vordering van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] voldoende zekerheid is gesteld. Ook deze vordering zal derhalve worden afgewezen.

4.22.

Ten aanzien van de op artikel 223 Rv gestoelde vordering tot het door [eiser in conv. in de hoofdzaak] stellen van zekerheid geldt eveneens dat nu van de betwiste stelling dat [eiser in conv. in de hoofdzaak] onvoldoende verhaal zal bieden geen onderbouwing is gegeven, het belang van deze gevraagde voorziening niet aannemelijk is gemaakt. De vordering zal daarom eveneens worden afgewezen.

Overigens ten aanzien van de incidenten

4.23.

[gedaagde in conv.in de hoofdzaak] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de incidenten. De aan de zijde van [eiser in conv. in de hoofdzaak] en [eisers in conv. in de hoofdzaak] gevallen kosten worden begroot op nihil voor verschotten en één punt à € 452,- volgens het liquidatietarief voor salaris advocaat, vermeerderd met rente daarover met ingang van de 14de dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis. Voor toewijzing van nakosten ziet de rechtbank in dit incident geen aanleiding.

De beoordeling in de hoofdzaak

4.24.

De rechtbank zal een comparitie bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.

Daarbij zullen ook de reconventionele vorderingen van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] op grond van artikel 843a Rv aan de orde komen en de vraag of deze als incidentele vorderingen moeten worden gezien.

4.25.

De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.

4.26.

De behandeling van de zaak ter comparitie zal in beginsel de volgende onderwerpen bevatten. De rechter zal beginnen met een aantal formaliteiten. Vervolgens zal de rechter zo nodig vragen stellen over de feiten en over de standpunten van partijen waarin inzicht moet bestaan om tot een oordeel te kunnen komen.

4.27.

In beginsel wordt ter comparitie aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.

4.28.

Op de comparitie zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn, dat de rechtbank een mondeling tussenvonnis kan wijzen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.

4.29.

Alle overige beslissingen worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

in de incidenten

5.1.

wijst het gevorderde af,

5.2.

veroordeelt [eisers in conv. in de hoofdzaak] hoofdelijk in de kosten van het incident, aan de zijde van [gedaagde in conv.in de hoofdzaak] tot op heden begroot op € 452,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening van dit vonnis.

in de hoofdzaak

5.3.

beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van mr. T.P.E.E. van Groeningen in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,

5.4.

bepaalt dat de partijen dan in persoon aanwezig moeten zijn,

5.5.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 28 februari 2018 voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten op de woensdagen in de maanden maart tot en met juni, waarna dag en uur van de comparitie zullen worden bepaald,

5.6.

bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de comparitie zelfstandig zal bepalen,

5.7.

bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de comparitie dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,

5.8.

wijst partijen er op, dat voor de zitting twee uur zal worden uitgetrokken,

5.9.

houdt iedere verder beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.P.E.E. van Groeningen en in het openbaar uitgesproken op 14 februari 2018.