Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2322

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
24-05-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
16-1428, 1661 en 2451
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Omgevingsvergunning voor de bouw van een vrieshuis. Het beroep van een aantal eisers is niet-ontvankelijk omdat zij geen zienswijze tegen de ontwerp-omgevingsvergunning hebben ingediend of omdat zij niet tijdig bij de rechtbank beroep hebben ingesteld. Een aantal eisers is niet-ontvankelijk omdat zij te ver van het vrieshuis wonen. De rechtbank volgt hierbij het eerdere oordeel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de zaak met betrekking tot het bestemmingsplan (tussenuitspraak van 19 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1939).

Omdat de Afdeling in de einduitspraak van 24 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:163) de beroepen van de omwonenden ongegrond heeft verklaard – en het bestemmingsplan daardoor onherroepelijk is geworden – is de rechtbank van oordeel dat het procesbelang van eisers met betrekking tot de omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” is komen te vervallen. Het gebruik is door het nieuwe bestemmingsplan immers niet langer in strijd met het bestemmingsplan.

Over de beroepsgronden inzake de activiteit “bouwen”, en in het bijzonder de bezwaren met betrekking tot het aspect “welstand”, oordeelt de rechtbank dat het welstandsadvies op diverse punten gebreken bevat. Deze gebreken worden gepasseerd met toepassing van artikel 6:22 Awb.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 16/1428, AWB 16/1661 en AWB 16/2451

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

1. [eiser] en [eiser] , [eiser] en [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] en [eiser], [eiser] en [eiser]te [woonplaats] ,

[eiser] en [eiser] , te [woonplaats] ,

[eiser] en [eiser] , te [woonplaats] , (16/1428),

2. [eiser] en [eiser]te [woonplaats] , (16/1661, gemachtigde: mr. S. Oord)

3. [eiser] en [eiser]te [woonplaats] , (16/2451).

eisers,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland, verweerder.

Als derde-partij hebben aan het geding deelgenomen:

[derde-partij] , (gemachtigde: mr. M. Bos), te [woonplaats] , vergunninghoudster;

en

de raad van de gemeente Bronckhorst, te Hengelo (hierna: gemeenteraad), partij van rechtswege.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan [derde-partij] (hierna: [derde-partij] ) een omgevingsvergunning verleend.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op de zitting van 9 april 2018 zijn de beroepen gevoegd behandeld.

Namens eisers 1 zijn [eiser] en [eiser] verschenen. Namens eisers 2 is [eiser] verschenen. Namens eisers 3 is [eiser] verschenen.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, H.P.T. Nas, T.A. Korts en W. Halfman.

Namens [derde-partij] zijn verschenen [derde-partij] , bijgestaan door gemachtigde mr. M. Bos.

Namens de gemeenteraad zijn verschenen H. Annevelink en mr. A.K. Gerritsen.

Overwegingen

1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Inleiding

2. Het voorliggende bouwplan heeft betrekking op de bouw van een vrieshuis op de bedrijfslocatie van [derde-partij] in [woonplaats] , met een bouwhoogte van 35 meter. [derde-partij] heeft hiervoor op 13 april 2015 bij verweerder een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend.

In het bestreden besluit heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend voor de activiteit “bouwen” op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), alsmede voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” op grond van artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en sub a, onder 3°, van de Wabo. Door de gemeenteraad is op grond van artikel 2.27 van de Wabo en artikel 6.5 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) een verklaring van geen bedenkingen verleend.

De omgevingsvergunning ziet naast de activiteiten “bouwen” en “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” ook op de activiteiten “milieu”, “aanleggen van uitritten” en “vellen van houtopstanden”.

De omgevingsvergunning is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

3. De procedure voor een nieuw bestemmingsplan voor het bedrijfsterrein van [derde-partij] heeft gelijk opgelopen met de omgevingsvergunning. Op 17 december 2015 heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan “ [woonplaats] ; herziening bedrijfsterrein [derde-partij] ” vastgesteld.

4. Door een groot aantal omwonenden – waaronder eisers 1, 2 en 3 – is bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) beroep ingesteld tegen het voornoemde bestemmingsplan. Vanwege de samenhang met de omgevingsvergunning heeft de rechtbank het beroep tegen de omgevingsvergunning aangehouden tot na de uitspraak van de Afdeling op de beroepen tegen het bestemmingsplan.

Op 19 juli 2017 heeft de Afdeling een tussenuitspraak gedaan op deze beroepen (ECLI:NL:RVS:2017:1939). In de tussenuitspraak heeft de Afdeling het beroep van een aantal omwonenden niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij te ver van het vrieshuis wonen en daarop niet of nauwelijks zicht hebben. Het beroep van eisers 2 is gegrond verklaard met betrekking tot het aspect “parkeren”.

5. Ter uitvoering van de tussenuitspraak van de Afdeling heeft de gemeenteraad op 26 oktober 2017 het bestemmingsplan “ [woonplaats] ; herziening bedrijfsterrein [derde-partij] ” gewijzigd vastgesteld. Dit gewijzigde bestemmingsplan bevat een aanvullende motivering met betrekking tot de parkeerbehoefte. Op 24 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:163) heeft de Afdeling een einduitspraak gedaan, en het beroep van eisers 2, voor zover gericht tegen het gewijzigde bestemmingsplan, ongegrond verklaard.

Het bestemmingsplan dat de bouw van het vrieshuis mogelijk maakt is daardoor in rechte onaantastbaar geworden.

Ontvankelijkheid

6.1.

De rechtbank zal allereerst ingaan op de ontvankelijkheid van eisers 1 en 3.

Alleen bij een ontvankelijk beroep komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van de beroepsgronden.

6.2.

Voor een ontvankelijk beroep is gelet op artikel 6:13 van de Awb vereist dat een zienswijze tegen de ontwerp-omgevingsvergunning is ingediend. Eisers dienen voorts binnen de beroepstermijn van 6 weken beroep in te stellen bij de rechtbank, en zij moeten belanghebbenden zijn bij het besluit.

Ontvankelijkheid eisers 1

6.3.

De rechtbank stelt vast dat eisers [eiser] , [eiser] en [eiser] , [eiser] en [eiser] , [eiser] en [eiser] geen zienswijze tegen de ontwerp-omgevingsvergunning hebben ingediend. Ter zitting is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan hen dat redelijkerwijs niet kan worden verweten.

De beroepen van deze eisers zijn daarom niet-ontvankelijk.

6.4.

De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 19 juli 2017 voorts overwogen dat [eiser] en [eiser] , respectievelijk [eiser] en [eiser] , respectievelijk [eiser] , geen belanghebbenden zijn bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan, omdat zij op respectievelijk 970, 980 en 860 meter van het vrieshuis wonen. Omdat het bestemmingsplan ziet op dezelfde ontwikkeling als de omgevingsvergunning volgt de rechtbank de uitspraak van de Afdeling in deze.

Het beroep van deze eisers is daarom niet-ontvankelijk.

6.5.

[eiser] en [eiser] (hierna: [eiser] ) zijn wel belanghebbenden, zoals ook de Afdeling heeft overwogen in rechtsoverweging 11.1 in de tussenuitspraak.

Het beroep van [eiser] is ontvankelijk.

Ontvankelijkheid eisers 3

7. Eisers 3 hebben hun beroepschrift op 19 april 2016 bij de rechtbank ingediend. Dit is buiten de beroepstermijn van 6 weken. Ter zitting is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat eisers in verzuim zijn geweest. De omstandigheid, zoals eisers 3 ter zitting hebben toegelicht, dat zij wel op 10 september 2015 een advies, bedoelende een zienswijze te zijn, naar aanleiding van de ontwerp omgevingsvergunning naar verweerder hebben gestuurd, kan hieraan niet afdoen. Bovendien zijn eisers 3 in de tussenuitspraak van de Afdeling in hun beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat zij op een afstand van 1200 meter vanaf het beoogde vrieshuis wonen. Het beroep van eisers 3 is dan ook niet-ontvankelijk.

Omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”

Procesbelang [eiser] , [eiser] en [eiser]

8.1.

Voordat de rechtbank aan de inhoudelijke behandeling van de beroepsgronden toekomt beoordeelt zij ambtshalve – dat wil zeggen ongeacht of partijen hierover gronden hebben aangevoerd – of eisers (nog) procesbelang hebben bij hun beroep. Het procesbelang is het belang dat eisers hebben bij de uitkomst van de procedure, wat zij met een rechterlijk oordeel over hun beroep tegen de omgevingsvergunning (nog) kunnen bereiken.

8.2.

Het in rechte onaantastbare bestemmingsplan “ [woonplaats] ; herziening bedrijfsterrein [derde-partij] ” biedt dezelfde bouw- en gebruiksmogelijkheden als de thans bestreden omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Door de vaststelling van dit bestemmingsplan is voor het vrieshuis inmiddels geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan meer vereist. Het bouwplan past immers binnen het nieuwe bestemmingsplan. Indien dit onderdeel van het bestreden besluit zou worden vernietigd zouden eisers desondanks niet meer kunnen bereiken wat zij met het instellen van het beroep tegen de omgevingsvergunning beoogden, namelijk dat artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo (inhoudend: strijd met het bestemmingsplan) een beletsel vormt voor de realisering van het bedrijfsgebouw.

Het inmiddels in rechte onaantastbaar zijn van het nieuwe bestemmingsplan betekent namelijk dat verweerder het bouwplan, indien de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan zou worden vernietigd, opnieuw zou moeten toetsen aan het bestemmingsplan en vervolgens daarbij zou moeten concluderen dat het bedrijfsgebouw aan het bestemmingsplan voldoet en dat geen omgevingsvergunning voor het afwijken hiervan meer is vereist.

8.3.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben eisers [eiser] en [eiser] en [eiser] daarom geen procesbelang meer bij de vernietiging van de omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”. Het voorgaande geldt ook voor de beroepsgronden van [eiser] die zijn gericht tegen de door de gemeenteraad verleende verklaring van geen bedenkingen, aangezien deze verklaring van geen bedenkingen eveneens betrekking heeft op het afwijken van het bestemmingsplan.

Het beroep van [eiser] is naast de beroepsgronden tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan” ook gericht tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen” (de 'bouwvergunning'), en in het bijzonder tegen de welstandstoets. [eiser] heeft nog wel belang bij de toetsing van dit onderdeel van het bestreden besluit.

De rechtbank zal onder het kopje “welstand” ingaan op deze beroepsgrond.

8.4.

[eiser] en [eiser] hebben echter uitsluitend beroepsgronden ingediend tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit “gebruik in strijd met het bestemmingsplan”. Gelet op het voorgaande is hun procesbelang komen te vervallen.

Het beroep van [eiser] en [eiser] is daarom niet ontvankelijk.

Omgevingsvergunning voor de activiteit “bouwen”

Welstand

9.1.

[eiser] stelt zich op het standpunt dat de welstandsadviezen ten onrechte niet als bijlage bij het bestreden besluit zijn opgenomen, zodat hij niet heeft kunnen beoordelen of het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Volgens [eiser] heeft verweerder daarnaast ten onrechte de welstandsnota specifiek voor het bedrijfsterrein van [derde-partij] aangepast. Deze herziening van de welstandsnota had volgens [eiser] vóór de uitwerking van de plannen door een onafhankelijk bureau moeten worden opgesteld, en niet door hetzelfde adviesbureau – Arcadis – dat ook het ontwerp van het vrieshuis en de landschappelijke inpassing heeft opgesteld, aldus [eiser] .

[eiser] betoogt voorts dat het vrieshuis door de omvang, gevelafwerking en kleur niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Volgens [eiser] is het bouwplan in strijd met het specifiek voor het terrein van [derde-partij] geldende welstandscriterium voor “bebouwing”, omdat het vrieshuis door zijn omvang niet is afgestemd op de schaal van de omliggende gebouwen. Het bouwplan is ook in strijd met het criterium “landschappelijke inpassing”, omdat het beplantingsplan niet voorziet in beplanting aan de noord- en zuidoostzijde. Daardoor is aan deze zijden geen afschermend beplantingselement aanwezig en wordt de zichtlijn niet doorbroken.

[eiser] betoogt tot slot dat het bouwwerk in strijd is met de algemene welstandscriteria uit paragraaf 3.2 van de welstandsnota, en de welstandscriteria voor de gebiedstypen “nieuwe stads- en dorpsgebieden” en “bedrijventerreinen” uit respectievelijk paragraaf 4.4 en 4.6 van de welstandsnota.

9.2.

De aanvraag dient overeenkomstig artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo, gelezen in samenhang met artikel 12a van de Woningwet, door de welstandscommissie getoetst te worden aan de redelijke eisen van welstand, waarbij de welstandsnota het toetsingskader vormt.

9.3.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in onder meer de uitspraak van 3 september 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:3294) mag verweerder, hoewel hij niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, aan het advies in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Tenzij het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat verweerder dit niet - of niet zonder meer - aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag heeft mogen leggen, behoeft het overnemen van een welstandsadvies in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies overlegt van een andere deskundig te achten persoon of instantie dan wel gemotiveerd aanvoert dat het welstandsadvies in strijd is met de volgens de welstandsnota geldende criteria. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven tot het oordeel dat het besluit van verweerder in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

9.4.1.

Verweerder heeft aan het bestreden besluit het positieve advies van de welstandscommissie ten grondslag gelegd, welk advies is neergelegd in de stukken van 22 december 2014, 14 december 2015 en 22 januari 2016. Deze stukken zijn echter ten onrechte niet als bijlage bij het besluit ter inzage gelegd en in het bestreden besluit wordt de inhoud van het welstandsadvies ook niet weergegeven.

De beroepsgrond slaagt in zoverre.

9.4.2.

Ter zitting is door verweerder en de gemeenteraad voorts aangegeven dat de herziening van de welstandsnota voor het terrein van [derde-partij] pas in april 2016 – dus na het bestreden besluit – is vastgesteld. Dit houdt in dat de welstandscommissie haar advies heeft gebaseerd op welstandscriteria die ten tijde van het bestreden besluit nog niet waren opgenomen in de welstandsnota.

De beroepsgrond slaagt ook in zoverre.

9.4.3.

De bestuursrechter kan gebreken in een besluit passeren, indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld. Dit volgt uit artikel 6:22 van de Awb.

De rechtbank ziet aanleiding om het gebrek met betrekking tot het niet ter inzage leggen van het welstandsadvies te passeren, omdat verweerder hangende het beroep alsnog het welstandsadvies heeft overgelegd en eisers de mogelijkheid hebben gehad om hierop te reageren. De rechtbank acht het niet aannemelijk dat de belanghebbenden door het gebrek zijn benadeeld.

De Afdeling heeft in de uitspraak van 18 november 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:3508, rechtsoverweging 13.3) voorts een vergelijkbaar gebrek gepasseerd.

Ter zitting heeft de gemeenteraad met betrekking tot de toetsing aan de welstandsnota aangegeven dat door een omissie de wijziging van de welstandsnota niet tegelijk met het bestemmingsplan is vastgesteld. De aanpassingen van de welstandsnota zijn echter als bijlage bij het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning gevoegd, zodat de welstandscriteria kenbaar waren voor eisers. De rechtbank acht het daarom niet aannemelijk dat de belanghebbenden door dit gebrek zijn benadeeld. Ook hier geldt overigens dat indien de bestreden omgevingsvergunning zou worden vernietigd, toetsing aan de aangepaste welstandsnota niet tot een andere omgevingsvergunning zou leiden.

De rechtbank ziet daarom aanleiding om ook dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.

9.5.

De rechtbank overweegt dat, anders dan [eiser] heeft betoogd, voor een bestuursorgaan geen verplichting bestaat om een wijziging van de welstandsnota door een onafhankelijk bureau op te laten stellen. Er is geen wettelijke bepaling die dit voorschrijft. De bevoegdheid tot het wijzigen van de welstandsnota ligt bij de gemeenteraad. De gemeenteraad kan ervoor kiezen om zich bij het vaststellen van wijzigingen van de welstandsnota te baseren op adviezen van derden.

De gemeenteraad heeft specifiek voor het bedrijfsterrein van [derde-partij] de welstandsnota gewijzigd. Dit houdt in dat de welstandscommissie in het kader van de welstandstoets het bouwplan dient te toetsen aan de specifieke criteria die voor deze bedrijfslocatie zijn opgenomen. De welstandscommissie heeft het bouwplan daarom terecht niet getoetst aan de algemene welstandscriteria uit paragraaf 3.2, 4.4 en 4.6 van de welstandsnota.

9.6.1.

In de welstandsnota staan voor het bedrijfsterrein van [derde-partij] – voor zover hier van belang – de volgende criteria voor “bebouwing”:

“Situering*

• De indeling van het perceel en de hoofdopzet van het bedrijfspand afstemmen op de stedenbouwkundige karakteristiek van de locatie.

• Gebouwen staan geclusterd of in een onderlinge samenhang op het terrein geplaatst.

• De situering is een resultante van een afweging tussen een functionele inrichting van het terrein en een afstemming op de ritmiek, de schaal en de hoogte van de bestaande bebouwing in de omgeving.

• Verzorgde terreininrichting en erfafscheidingen.

Massa en vorm*

• De hoofdvorm van de gebouwen is eenduidig.

• Eenheid in bouwhoogte bevorderen. Uitzondering hierop is het op de kaart met een arcering aangegeven gebied, hier is een bouwhoogte van 35 meter toegestaan. Verbrokkeling van bouwvormen vermijden.

• (…).

* voor zover niet anders geregeld in het bestemmingsplan.”

9.6.2.

Met betrekking tot hetgeen [eiser] heeft aangevoerd tegen de omvang van het bouwwerk overweegt de rechtbank dat dit een aspect betreft dat in het kader van het welstandsadvies niet (nogmaals) aan bod kan komen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 14 december 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BU7930), toetst de welstandscommissie het bouwplan aan de hand van de criteria in de welstandsnota aan redelijke eisen van welstand en heeft zij zich daarbij in beginsel te richten naar de bouwmogelijkheden die het geldende bestemmingsplan biedt, dan wel, indien het bouwplan daarvan afwijkt, die waaraan verweerder planologische medewerking wenst te verlenen. Gelet op de bereidheid van verweerder en de gemeenteraad om wat betreft het gekozen bouwvolume van het bouwplan in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, dient dit bij de welstandstoets te worden gerespecteerd en kan in die afwijking geen grond zijn gelegen voor een negatief welstandsoordeel.

Overigens wordt in de welstandsnota voor de omvang van het bouwwerk onder “massa en vorm” expliciet een uitzondering gemaakt voor het vrieshuis van 35 meter, zodat de beroepsgrond ook daarom niet kan slagen.

9.6.3.

In de welstandsnota zijn naast de criteria voor de bebouwing voor een grootschalig bedrijfsterrein ook criteria opgenomen voor de "landschappelijke inpassing":

“Situering*

• Beplanting zodanig situeren dat zichtlijnen op de bedrijfsgebouwen effectief worden doorbroken.

• Aandacht voor zichtlijnen vanaf de directe omgeving en zichtlijnen vanaf grotere afstand voor zover deze niet door andere bebouwing of beplanting wordt doorbroken.

Massa en vorm*

• Massa en vorm van beplanting aansluiten op beplantingsstructuren in de omgeving.

• Beplantingszones langs de randen van het bedrijfsterrein hebben een voldoende massa en dichtheid.

Materiaal gebruik

• Gebruik maken van gebiedseigen soorten, aandacht voor variatie in soorten, in groeisnelheid en groeivormen.

* voor zover niet anders geregeld in het bestemmingsplan.”

9.6.4.

De rechtbank stelt vast dat in het welstandsadvies niet kenbaar aan de criteria voor landschappelijke inpassing is getoetst (behoudens de enkele opmerking in het advies van

14 december 2015 dat langs de nieuw aan te leggen weg de gestreepte gevel grotendeels aan het zicht is onttrokken door de stevige landschappelijke structuur en aanplant van zowel grote als kleine bomen).

Verweerder heeft zich bij zijn besluitvorming daarom in zoverre niet zonder meer op het welstandsadvies kunnen baseren.

De rechtbank constateert echter dat door de voornoemde uitzondering in de welstandsnota,

"* voor zover niet anders geregeld in het bestemmingsplan”, beoordeeld moet worden in hoeverre, gelet op hetgeen het bestemmingsplan daaromtrent bepaalt, voor toetsing van het bouwplan aan de criteria voor landschappelijke inpassing zoals neergelegd in de welstandsnota nog wel ruimte bestaat.

9.6.5.

Artikel 4, lid 4.4.1, van de bestemmingsplanregels bevat de voorwaardelijke verplichting, die op de betrokken perceelsgronden toepasselijk is, dat deze gronden pas ten behoeve van de bedrijfsvoering (anders dan bouw- en terreininrichtingswerkzaamheden) in gebruik mogen worden genomen indien/nadat (2.) de landschappelijke inpassing van dit bedrijfsterreingedeelte is gerealiseerd en daarna wordt beheerd overeenkomstig het beplanting- en beheerplan, zoals opgenomen in bijlage 1 bij de Regels van dit bestemmingsplan.".

Bijlage 1 bij de bestemmingsplanregels bestaat uit het "Definitief beplanting- en beheerplan [derde-partij] bedrijfsterrein, B03203.000028, definitief ontwerp V2", van 16 juli 2015 (bij de door verweerder ingezonden stukken inzake het beroep tegen de omgevingsvergunning draagt dit ontwerp de datum van 2 juli 2015).

De Afdeling heeft in de tussenuitspraak van 19 juli 2017 (r.o. 27.3.1. en volgende) overwogen dat de gemeenteraad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het voorziene vrieshuis op aanvaardbare wijze landschappelijk wordt ingepast.

9.6.6.

Het beplanting- en beheerplan bevat specifieke aanwijzingen omtrent de plaats en hoedanigheid van aan te planten bomen etc. Kennisneming van het plan leidt tot de conclusie dat daarin alle criteria als opgenomen in de welstandsnota voor landschappelijke inpassing zijn bestreken.
In dit plan is onder meer het volgende opgenomen:

(pag. 27):

"Samenvattend bestaan de inpassingsmaatregelen uit de volgende elementen:

• Een hoge randzone om het bedrijfsterrein met een dichte structuur aan de zuidzijde en de noordzijde;

• Een meer transparante structuur aan de oostzijde die de overgang vormt na het landschap, met de retentie voor hemelwater ten behoeve van het bedrijfsterrein."

en (inzake deelgebied 1; pag. 35):

"Met deze randzone wordt de bouwmassa van het warehouse ingepast ten opzichte van de nieuwe ontsluitingsweg, de aansluiting en beplanting op de L. Dolfingweg en de zichtlijnen vanuit het dorp. Door in de groenzone aan de zuidwestzijde van de warehouse snelgroeiende bomen te planten, wordt de zichtlijn vanaf de Dr. Alfons Ariënsstraat op de warehouse zo snel mogelijk verzacht. Met de realisering van de randzone wordt de entree van het dorp via de nieuwe ontsluitingsweg begeleid door een landschappelijk aantrekkelijke zone. De maat en schaal van de percelen sluiten aan bij de bestaande groene bospercelen in de rand van het dorp. Als uitgangspunt geldt dat het beschikbare oppervlak met bestemming Groen (circa 1,5 ha) volledig wordt benut voor de realisering van deze randzone. Gegeven de keuze voor een efficiënt ruimtegebruik en de locatie van het warehouse dat hieruit voortvloeit wordt hiermee het warehouse op een acceptabel niveau ingepast."

9.6.7.

Aangezien het voornoemde beplanting- en beheerplan een in de bestemmingsplanregels neergelegde voorwaardelijke verplichting vormt voor het ten behoeve van de bedrijfsvoering (anders dan bouw- en terreininrichtingswerkzaamheden) in gebruik mogen nemen en beheren van dit bedrijfsterreingedeelte, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het betoog van [eiser] dat de omgevingsvergunning onrechtmatig is omdat er volgens hem geen beplanting zou komen aan de noord- en zuidoostzijde van het vrieshuis. Dit vormt immers alsdan een kwestie van handhaving door het bevoegd gezag op grond van de bestemmingsplanregels.

Conclusie

9.6.8.

De rechtbank concludeert op grond van het bovenstaande dat de welstandscommissie aan de criteria van de welstandsnota voor de landschappelijke inpassing van het vrieshuis nauwelijks inhoudelijk heeft kunnen en mogen toetsen, aangezien het bestemmingsplan daaromtrent reeds uitvoerige regels bevat. De welstandscommissie heeft dat niet kenbaar in haar advisering betrokken.

Deze omstandigheid maakt dat verweerder zich bij zijn besluitvorming niet zonder meer op het welstandsadvies heeft mogen baseren.

De rechtbank beschouwt deze schending van artikel 3:9 van de Awb evenwel niet als een grond voor vernietiging van het bestreden besluit. Evenals hiervoor is namelijk niet aannemelijk dat de belanghebbenden door dit gebrek zijn benadeeld. Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb passeert de rechtbank daarom ook dit gebrek.

Eindconclusie

10. Op grond van al het vorenstaande zijn de beroepen van eisers, met uitzondering van [eiser] , niet-ontvankelijk en moet het beroep van [eiser] ongegrond worden verklaard.

11. Niet is bij [eiser] gebleken van voor proceskostenveroordeling in aanmerking komende kostenposten.

In de hiervoor geconstateerde en gepasseerde gebreken ziet de rechtbank aanleiding met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, van de Awb te bepalen dat verweerder het door [eiser] betaalde griffierecht ad € 168 aan hem vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart de beroepen van [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] ,

[eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] , [eiser] en [eiser] niet-ontvankelijk;

verklaart het beroep van [eiser] ongegrond;

bepaalt dat verweerder het griffierecht ad € 168 aan [eiser] vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van Gijn, voorzitter, mr. G.H.W. Bodt en mr. L.M. Koenraad, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Bijlage wettelijk kader

Algemene wet bestuursrecht (Awb)

Artikel 1:2, eerste lid:

“Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.”

Artikel 3:9:

“Indien een besluit berust op een onderzoek naar feiten en gedragingen dat door een adviseur is verricht, dient het bestuursorgaan zich ervan te vergewissen dat dit onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden.”

Artikel 3:11, eerste lid:

“Het bestuursorgaan legt het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.”

Artikel 6:7:

“De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken.”

Artikel 6:13:

“Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld.”

Artikel 6:22:

“Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.”

Artikel 8:1:

“Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.”

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2:1, eerste lid:

“1 Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

b. (…),

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, een beheersverordening, een exploitatieplan, de regels gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening of een voorbereidingsbesluit voor zover toepassing is gegeven aan artikel 3.7, vierde lid, tweede volzin, van die wet,

d. (…),

e. 1°. het oprichten,

2°. het veranderen of veranderen van de werking of

3°. het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,

f. t/m i. (…).”

Artikel 2:10, eerste lid:

“Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

a. (…);

b. (…);

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

d. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, onder a, van de Woningwet, tenzij het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning niettemin moet worden verleend;

e. (…).”

Artikel 2:12, eerste lid:

“Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. (…),

2°. (…),

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat;

b. t/m d. (…).”

Woningwet

Artikel 12a, eerste lid

“1 De gemeenteraad stelt een welstandsnota vast, inhoudende beleidsregels waarin in ieder geval de criteria zijn opgenomen die het bevoegd gezag toepast bij de beoordeling:

a. of het uiterlijk en de plaatsing van een bouwwerk waarop de aanvraag om een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk betrekking heeft, zowel op zichzelf beschouwd, als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, in strijd zijn met redelijke eisen van welstand;

b. of het uiterlijk van een bestaand bouwwerk in ernstige mate in strijd is met redelijke eisen van welstand.”