Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2301

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
22-05-2018
Datum publicatie
25-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 6916
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:2103, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Mondelinge uitspraak
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Navorderingsaanslagen. Zorgkosten en giften. De inspecteur heeft een onderzoek naar het aangiftegedrag gedaan van degene vanaf wiens adres de aangiften zijn verzonden. er is sprake van een nieuw feit. Eiseres heeft haar zorgkosten en giften niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/1148
Viditax (FutD), 28-05-2018
FutD 2018-1490
NTFR 2018/1423 met annotatie van mr. J. Kastelein
V-N 2018/45.2.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RechtbanK gelderland

Team belastingrecht

zaaknummers: AWB 17/6916, 17/6917, 17/6918 en 17/6919

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2018

in de zaak tussen

[X] , wonende te [Z] , eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Arnhem, verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken van verweerder van 13 november 2017, waarbij de bezwaren van eiseres tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor de jaren 2012, 2013, 2014 en 2015 ongegrond zijn verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 mei 2018.

Namens verweerder zijn mr. [gemachtigde] en [A] verschenen. Eiseres is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen. Zij is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 13 april 2018 aan eiseres op het adres [A-straat 1] te [Z] , onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 14 april 2018 door of namens eiseres in ontvangst genomen. De uitnodiging is op juiste wijze, tijdig op het juiste adres aangeboden.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Overwegingen

1. De aangiften IB/PVV over de jaren 2012 tot en met 2015 van eiseres zijn tijdig ingediend. De aangiften zijn digitaal ingediend vanaf het IP-adres van [B] . In de aangiften zijn aftrekposten opgenomen voor specifieke zorgkosten en giften.

2. Verweerder heeft op 19 december 2014, 31 januari 2015, 12 mei 2015 en 21 mei 2016, overeenkomstig de door eiseres ingediende aangiften, de aanslagen IB/PVV voor de jaren 2012 tot en met 2015 opgelegd.

3. Naar aanleiding van een onderzoek naar het aangiftegedrag van [B] is verweerder in de loop van 2016 gebleken dat deze voor verschillende personen onjuiste aangiften heeft ingediend. Daarbij zijn opvallend vaak zorgkosten opgevoerd. Verweerder heeft vervolgens bij brief van 18 maart 2017 aan eiseres gevraagd om haar aftrekposten te onderbouwen. Eiseres heeft niet gereageerd op deze brief.

4. Verweerder heeft met dagtekening 12 augustus 2017 navorderingsaanslagen IB/PVV aan eiseres opgelegd voor de jaren 2012 tot en met 2015. Hierbij zijn de door eiseres opgevoerde aftrekposten wegens uitgaven voor specifieke zorgkosten en giften gecorrigeerd. Daarbij heeft verweerder ook belastingrente in rekening gebracht.

5. Bij de uitspraken op bezwaar zijn de navorderingsaanslagen en de beschikkingen belastingrente gehandhaafd.

6. In geschil is of verweerder beschikte over een nieuw feit om de navorderingsaanslagen te mogen opleggen. Indien sprake is van een nieuw feit, is tussen partijen in geschil of eiseres recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten en giften.

7. Op grond van artikel 16, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) kan, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat een aanslag ten onrechte achterwege is gelaten of tot een te laag bedrag is vastgesteld, verweerder de te weinig geheven belasting navorderen. Een feit, dat verweerder bekend was of redelijkerwijs bekend had kunnen zijn, kan geen grond voor navordering opleveren, behalve in de gevallen waarin de belastingplichtige ter zake van dit feit te kwader trouw is.

8. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder niet kan navorderen, omdat het daartoe op grond van artikel 16 van de AWR vereiste nieuwe feit ontbreekt. Volgens eiseres heeft zij al jaren specifieke zorgkosten en giften in aftrek gebracht, ook al vóór 2012. Er heeft zich volgens eiseres niet iets nieuws voorgedaan dat navordering rechtvaardigt.

9. Op verweerder rust de bewijslast aannemelijk te maken dat sprake is van een nieuw feit. In dat kader moet beoordeeld worden of de navorderingsaanslagen voortvloeien uit feiten die bij het opleggen van de primitieve aanslagen al bij verweerder bekend waren of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn. Verweerder mag bij het vaststellen van de aanslag uitgaan van de juistheid van de gegevens die eiseres in haar aangifte heeft vermeld. Tot een nader onderzoek is hij in beginsel niet gehouden, tenzij hij, na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangifte, aan de juistheid van enig daarin opgenomen gegeven of het ontbreken daarvan, in redelijkheid behoort te twijfelen (zie onder meer Hoge Raad 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9082). Verweerder hoeft in redelijkheid niet te twijfelen aan de juistheid van de in het aangiftebiljet opgenomen posten, als daarvoor ook een andere, niet onwaarschijnlijke verklaring mogelijk is (vergelijk HR 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL7165 en HR 31 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX7184).

10. Verweerder heeft gesteld dat de door eiseres ingediende aangiften voor de jaren 2012 tot en met 2015 geen grond opleverden voor nader onderzoek. Hierbij speelde een rol dat de aangiften er verzorgd uitzagen en waren ingediend door iemand die vaker aangiften voor anderen indient. Na met een normale zorgvuldigheid kennis te hebben genomen van de inhoud van de aangiften, had hij geen twijfel over de juistheid van de aangifte. In de zomer van 2016 heeft verweerder ontdekt dat vanaf een bepaald IP-adres verschillende onjuiste aangiften zijn ingediend. Ook de aangiften van eiseres zijn vanaf dit IP-adres ingediend. Dit heeft ertoe geleid dat verweerder ook een nader onderzoek heeft ingesteld naar de aangiften van eiseres. Omdat eiseres niet heeft gereageerd op het verzoek van verweerder van 18 maart 2017 om de aftrekposten te onderbouwen, vormde dit volgens verweerder het nieuwe feit op grond waarvan kan worden nagevorderd.

11. De rechtbank oordeelt dat verweerder pas reden had te twijfelen aan de juistheid van de aangiften van eiseres nadat hij had ontdekt dat er verschillende onjuiste aangiften afkomstig waren van hetzelfde IP-adres. Dit rechtvaardigde nadere vragen van verweerder. Omdat eiseres die vragen niet beantwoordde en de aftrekposten niet onderbouwde, is daarmee grond voor navordering ontstaan.

12. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat zij recht heeft op aftrek van de door haar aangegeven specifieke zorgkosten en giften. Gelet op de gemotiveerde betwisting door verweerder ligt het op de weg van eiseres om haar stelling nader te onderbouwen. Het betreft immers twee aftrekposten waarop zij een beroep doet. Eiseres heeft daarvoor geen enkele onderbouwing gegeven. Zij heeft aangegeven niet meer over de stukken te beschikken, omdat zij die heeft weggegooid nadat de aanslagen waren opgelegd. Eiseres heeft dat niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank merkt daarbij op dat [B] voor verschillende personen aangiften heeft ingediend en dat haar ambtshalve bekend is dat meerdere van die mensen identieke beroepschriften hebben ingediend. Eiseres heeft bovendien niet gesteld dat zij enige moeite heeft gedaan om deze informatie alsnog te achterhalen. Zij had bijvoorbeeld bij de bank om kopieën van de bankafschriften kunnen vragen en bij de zorgverzekeraar een overzicht van de gedeclareerde bedragen kunnen opvragen. Aangezien zij geen enkele onderbouwing heeft gegeven, zijn de aftrekposten terecht gecorrigeerd.

13. Gelet op het voorgaande zijn de beroepen ongegrond.

14. Nu eiseres geen afzonderlijke beroepsgronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente heeft aangevoerd, zijn ook de beroepen met betrekking tot de beschikkingen belastingrente ongegrond.

15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Roosma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 mei 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.