Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2148

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
14-05-2018
Zaaknummer
6588879 \ HA VERZ 18-7 \ 406 \ 529
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Kanton. Arbeidsrecht. Geen dringende reden voor het gegeven ontslag op staande voet. Toewijsbaar: een vergoeding wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 BW en een billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 aanhef en sub a BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-0562
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 6588879 \ HA VERZ 18-7 \ 406 \ 529

uitspraak 11 april 2018

beschikking

in de zaak van

[Verzoeker]

[woonplaats]

verzoekende partij

verwerende partij in het zelfstandig tegenverzoek

gemachtigde mr. C.J. Tijman

toevoegingsnummer: 2FP1304

tegen

1.

de vennootschap onder firma [naam V.O.F.]

[vestigingsplaats]

2.

[verwerende sub 2]

[woonplaats]

3.

[verwerende sub 3]

[woonplaats]

4.

[verwerende sub 4]

[woonplaats]

verwerende partijen

verzoekende partijen in het zelfstandig tegenverzoek

gemachtigde mr. A. Wiltink

Partijen worden hierna [verzoeker] en [verweerder] genoemd.

1 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift ex artikel 7:681 BW met producties 1 t/m 7, ingekomen op de griffie op 18 januari 2018,

- het verweerschrift ex artikel 7:681 BW tevens houdende zelfstandig verzoek met producties 1 t/m 5, ingekomen op de griffie op 6 maart 2018,

- de door de gemachtigde van [verzoeker] op 8 maart 2018 toegezonden producties A en B,

- het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling van 15 maart 2018,

- de pleitnotitie van de gemachtigde van [verzoeker].

2 De feiten

2.1.

Van 15 januari 2013 tot 1 februari 2017 exploiteert [verzoeker] de rijschool ‘[naam rijschool]’. Deze rijschool voorzag in een specialistisch rijopleiding voor mensen met autisme.

2.2.

[verzoeker] treedt op 1 februari 2017 voor de duur van één jaar in dienst van [verweerder] in de functie van rijinstructeur tegen een salaris van laatstelijk € 2.285,90 bruto per maand. [verzoeker] begeleidt voornamelijk cursisten met autisme.

2.3.

Artikel 10.1 van de arbeidsovereenkomst luidt als volgt:

Bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst zal verrekening van te veel dan wel te weinig opgenomen vakantiedagen en te veel dan wel te weinig uitbetaalde vakantietoeslag geschieden door inhouding op dan wel uitbetaling bij het laatste maandsalaris, een en ander naar rato van het aantal gewerkte maanden in de betreffende periode.

2.4.

[verweerder] ontslaat [verzoeker] op 5 december 2017 op staande voet.

In de ontslagbrief van gelijke datum staat onder meer het volgende.

(…) Al geruime tijd moet ik constateren dat er geld verdwijnt. Lesgelden die betaald hadden moeten worden, staan nog open. Op maandag 4 december jl. kwam ik erachter, door navraag bij de familie [naam A], dat de lesgelden wel zijn betaald door opa, echter niet aan de [verweerder], maar aan u rechtstreeks. Ik heb u nog dezelfde dag mee geconfronteerd en u heeft dit toegegeven. U heeft lesgelden rechtstreeks aan u laten overmaken, zonder mij daarvan op de hoogte te stellen, ook niet nadat ik heb aangegeven dat deze bedragen nog open staan.

Het vermoeden bestaat dat dit vaker is gebeurd, echter alleen al deze specifieke situatie betreffende de familie [naam A] levert een dringende reden voor een ontslag op staande voet op grond van artikel 7:678 lid 2 sub d BW.

U heeft zich schuldig gemaakt aan verduistering van lesgelden waardoor u het vertrouwen van mij als werkgever onwaardig bent geworden. Op grond daarvan beeindig ik uw arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang.

Ontslag op staande voet maakt u schadeplichtig. Derhalve behoud ik mij het recht voor om eventuele schade door de omstandigheden die leidden tot dit ontslag op u te verhalen en/of deze schade te verrekenen met de eindafrekening van uw arbeidsovereenkomst. (…)

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, hoofdelijke veroordeling van [verweerder] om aan [verzoeker] te betalen:

a. a) € 4.937,54 bruto ter zake een vergoeding wegens onregelmatige opzegging;

b) € 2.500,00 bruto ter zake een billijke vergoeding, dan wel een door de kantonrechter te bepalen billijke vergoeding;

c) de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde bedragen tot aan de dag der algehele voldoening;

d) de proceskosten.

3.2.

[verzoeker] berust in het feit dat zijn dienstverband door het ontslag op staande voet is geëindigd. Hij bestrijdt wel dat hij aan [verweerder] een dringende reden voor ontslag heeft gegeven. [verzoeker] maakt dan ook aanspraak op een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en op een billijke vergoeding. Ter onderbouwing van zijn verzoek voert hij het volgende aan.

Toen [verzoeker] op 1 februari 2017 bij [verweerder] in dienst trad, nam hij een aantal cursisten (met autisme) mee, die voorheen autorijles hadden bij zijn rijschool ‘[naam rijschool]’. Sommige van deze cursisten hadden voor 1 februari 2017 een lespakket bij [naam rijschool] afgenomen en betaald. De reeds betaalde lessen van deze lespakketten die ná 1 februari 2017 werden gegeven, moesten worden afgedragen aan [verweerder]. [verzoeker] stelt dat het niet geheel duidelijk was welke cursisten dit betrof, dat hij [verweerder] begin 2017 meermalen te kennen heeft gegeven dat dit nog moest worden uitgezocht, maar dat het uitzoeken werd bemoeilijkt omdat zijn boekhouder niet beschikbaar was. [verzoeker] wijst er op dat geen van partijen er werk van heeft gemaakt om deze financiële kwestie uit te zoeken.

[verzoeker] geeft aan dat er mogelijk sprake is van een omissie bij de betaling van lesgelden door de familie [naam A], maar dat een en ander – vanwege de afwezigheid van zijn boekhouder – lastig te achterhalen was. Indien [verzoeker] de (eventueel) door de familie [naam A] aan hem betaalde lesgelden nog niet aan [verweerder] heeft doorbetaald, is dit het gevolg van de turbulente periode van de overgang van zijn onderneming naar zijn indiensttreding bij [verweerder]. [verzoeker] wijst er op dat beide partijen wisten dat er nog uitgezocht moest worden of er (reeds aan [verzoeker] betaalde) lesgelden verrekend moesten worden. [verzoeker] betwist uitdrukkelijk dat hij lesgelden heeft verduisterd.

3.3.

[verweerder] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het verzoek van [verzoeker].

[verweerder] is van mening dat er wel degelijk sprake was van een dringende reden voor ontslag. Aangezien de door [verweerder] aan de familie [naam A] verzonden factuur onbetaald bleef, heeft [verweerder] [verzoeker] meermalen verzocht hierover duidelijkheid te geven. Omdat [verweerder] geen antwoord kreeg, heeft zij zelf contact opgenomen met de familie [naam A]. Deze familie gaf aan dat zij reeds aan [verzoeker] had betaald. Nadat [verweerder] [verzoeker] hiermee confronteerde, erkende [verzoeker] de betaling te hebben ontvangen. [verweerder] acht de mededeling van [verzoeker] dat het lastig was om een en ander uit te zoeken, omdat zijn boekhouder niet beschikbaar is, niet aannemelijk. [verzoeker] heeft de betaling van de familie [naam A] gesignaleerd, maar heeft dit geprobeerd voor [verweerder] achter te houden.

Mede gelet op het feit dat [verzoeker] niet wilde dat [verweerder] contact opnam met zijn cursisten (met autisme) en het feit dat [verzoeker] op vragen van [verweerder] steeds aangaf dat hij ‘dingen moest uitzoeken’, gaat [verweerder] er vanuit dat er – naast de betaling van de familie [naam A] – nog meer betalingen aan [verzoeker] zijn gedaan, waarvan [verweerder] niet op de hoogte is gesteld en die niet aan [verweerder] zijn doorbetaald.

4 Het zelfstandig tegenverzoek en het verweer

4.1.

[verweerder] verzoekt de veroordeling van [verzoeker] om aan haar te betalen:

I. € 2.035,00 ter zake schade vanwege onbetaalde lessen;

II. € 3.531,81 bruto ter zake verrekening minuren.

4.2.

[verweerder] legt ter onderbouwing van haar schadevordering vanwege onbetaalde lessen een overzicht over van cursisten die de factuur van [verweerder] onbetaald hebben gelaten. [verzoeker] heeft verklaard dat een aantal van deze cursisten aan hem hebben betaald, maar [verzoeker] heeft nagelaten deze bedragen over te maken aan [verweerder].

[verweerder] baseert haar vordering ter zake 217 minuren op artikel 10 van de arbeidsovereenkomst. Zij stelt dat [verzoeker] veel minder heeft gewerkt dan overeengekomen en dat hij – ondanks dat hij daar meermalen door [verweerder] op is gewezen – deze minuren niet heeft gecompenseerd.

4.3.

[verzoeker] voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van het tegenverzoek van [verweerder].

5 De beoordeling

verzoeken [verzoeker]

5.1.

Vooropgesteld wordt dat het verzoek tijdig is ingediend, nu het is ontvangen binnen twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst door [verweerder] is beëindigd (artikel 7:681 lid 1 BW juncto artikel 7:686a lid 4, onderdeel a, BW).

5.2.

Het geschil van partijen betreft allereerst de vraag of sprake was van een dringende reden voor het door [verweerder] aan [verzoeker] gegeven ontslag op staande voet.

5.3.

Krachtens artikel 7:677 BW is een werkgever bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de werknemer.

Artikel 7:678 lid 1 BW bepaalt dat als dringende redenen worden beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij behoren in de beschouwing te worden betrokken de aard en ernst van hetgeen werkgever als dringende reden aanmerkt, en verder onder meer de aard van de dienstbetrekking, de duur daarvan en de wijze waarop de werknemer die dienstbetrekking heeft vervuld, alsmede de persoonlijke omstandigheden.

5.4.

De dringende reden die door [verweerder] aan het ontslag op staande voet ten grondslag is gelegd, betreft het verduisteren van lesgelden.

[verweerder] heeft geconstateerd dat lesgelden onbetaald bleven. [verweerder] heeft [verzoeker] meermalen – tevergeefs – verzocht hierover duidelijkheid te geven. [verweerder] heeft daarom zelf navraag gedaan bij een cursist van [verzoeker], de familie [naam A], die aangaf reeds rechtstreeks aan [verzoeker] te hebben betaald. Ondanks dat [verweerder] [verzoeker] eerder al had gewezen op het nog openstaande lesgeld voor de familie [naam A], heeft [verzoeker] [verweerder] niet op de hoogte gesteld van de rechtstreekse betaling, noch heeft zij (een deel van) dit lesgeld doorbetaald aan [verweerder].

5.5.

De kantonrechter is van oordeel dat de [verzoeker] verweten gedragingen in de gegeven omstandigheden geen dringende reden voor ontslag opleveren. Daartoe overweegt de kantonrechter als volgt.

[verzoeker] exploiteerde tot 1 februari 2017 de rijschool ‘[naam rijschool]’, gespecialiseerd in rijlessen voor mensen met autisme. Per 1 februari 2017 besluiten partijen om (zoals [verzoeker] stelt) ‘hun krachten te bundelen’. [verzoeker] treedt bij [verweerder] in dienst en zal zich specifiek richten op cursisten met autisme. Feitelijk werden daardoor de werkzaamheden van de rijschool ‘[naam rijschool]’ ondergebracht bij [verweerder]. Deze gang van zaken bracht mee dat er een bepaalde financiële verrekening diende plaats te vinden ten aanzien van de cursisten die voor 1 februari 2017 bij rijschool ‘[naam rijschool]’ een lespakket hadden afgenomen en betaald, en die ook na 1 februari 2017 van [verzoeker] (inmiddels in dienst bij [verweerder]) rijles kregen. Vast staat dat er tussen partijen onduidelijkheid bestond over welke bedragen door [verzoeker] aan [verweerder] moesten worden doorbetaald.

Uit de stellingen van partijen en hun verklaringen ter zitting leidt de kantonrechter af dat partijen weliswaar hebben gesproken over de verrekening die nog moest plaatsvinden, maar dat partijen geen duidelijk afspraken hebben gemaakt over de wijze waarop deze verrekening zou plaats te vinden en op welke termijn.

Vast staat dat [verweerder] [verzoeker] op enig moment concreet heeft gevraagd naar de lesgelden van de familie [naam A] en dat [verzoeker] heeft aangegeven een en ander te zullen uitzoeken. Omdat het antwoord van [verzoeker] lang op zich liet wachten, heeft [verweerder] zelf contact opgenomen met de betreffende cursist en bleek dat er al was betaald aan [verzoeker].

De kantonrechter is van oordeel dat van [verzoeker] in de gegeven omstandigheden had mogen worden verwacht dat hij inzicht kon verschaffen in zijn financiële administratie, in het bijzonder ten aanzien van de reeds betaalde lesgelden van cursisten die voorheen bij ‘[naam rijschool]’ rijles hadden en na 1 juli 2017 bij [verweerder]. Desalniettemin leidt de omstandigheid dat [verzoeker] lesgelden van de familie [naam A] heeft ontvangen, zonder dat hij [verweerder] daarvan in kennis heeft gesteld en zonder dat hij (een deel van) dit bedrag heeft afgedragen aan [verweerder], zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet tot de conclusie dat [verzoeker] deze lesgelden (opzettelijk) heeft verduisterd. Niet valt uit te sluiten dat [verzoeker] geen, dan wel onvoldoende inzicht had in zijn eigen financiële administratie. Daarvan is [verzoeker] een verwijt te maken, maar dit verwijt is onvoldoende om een ontslag op staande voet te rechtvaardigen. Bovendien kan ook [verweerder] ten aanzien van deze gang van zaken een verwijt worden gemaakt, omdat zij voor deze samenwerkingsconstructie heeft gekozen, zonder voorafgaand duidelijke afspraken te maken over de financiën c.q. verrekening van reeds aan [verzoeker] betaalde lesgelden. De kantonrechter is van oordeel dat van [verweerder] in de gegeven omstandigheden had mogen worden verwacht dat zij voor een minder vergaande maatregel had gekozen dan het ontslag op staande voet. Nadat [verweerder] van de familie [naam A] vernam dat er reeds lesgeld aan [verzoeker] was betaald, had van [verweerder] mogen worden verwacht dat zij met [verzoeker] in gesprek was gegaan en duidelijk had gemaakt dát en binnen welke termijn zij een correcte afrekening wenste van het lesgeld dat reeds door cursisten aan [verzoeker] was betaald. Daarbij had [verweerder] duidelijk moeten maken dat het niet (tijdig) verstrekken van deze informatie arbeidsrechtelijke consequenties zou kunnen hebben.

Kortom, [verzoeker] krijgt het voordeel van de twijfel. Dat sprake is van (opzettelijk) verduisteren van lesgelden is niet komen vast te staan.

5.6.

Nu geen sprake is van een dringende reden voor ontslag, heeft [verweerder] de arbeidsovereenkomst in strijd met de regels van artikel 7:671 BW opgezegd. Dit leidt tot de conclusie dat de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 BW toewijsbaar is. Nu [verweerder] de arbeidsovereenkomst op 5 december 2017 niet eerder had kunnen opzeggen dan tegen 1 februari 2018, is de gevorderde vergoeding van € 4.937,54 bruto toewijsbaar.

5.7.

[verzoeker] heeft voorts verzocht een billijke vergoeding toe te kennen van € 2.500,00 bruto.

[verweerder] voert als verweer dat voor toekenning van een billijke vergoeding geen plaats is, omdat er geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever.

Dit verweer wordt verworpen, omdat de rechtsgrond voor toewijzing van een billijke vergoeding op grond van artikel 7:681 BW reeds is gegeven met het oordeel dat aan het gegeven ontslag geen dringende reden ten grondslag ligt. (zie Kamerstukken II 2013/14, 33818, nr. 4, p. 61 en Kamerstukken I 2013/14, 33818, nr. C, p. 113).

Met andere woorden: [verweerder] heeft ernstig verwijtbaar gehandeld door [verzoeker] ten onrechte ontslag op staande voet te geven. Dit maakt dat toekenning van een billijke vergoeding op zijn plaats is.

5.8.

Vooropgesteld wordt dat het er bij de begroting van de billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 aanhef en sub a BW om gaat dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Met inachtneming van hetgeen de Hoge Raad in zijn beschikking van 30 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1187) heeft overwogen, acht de kantonrechter bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding het volgende van belang.

5.9.

De arbeidsovereenkomst is gesloten voor de betrekkelijk korte duur van één jaar en zou van rechtswege aflopen op 1 februari 2018, dus (ongeveer) twee maanden na het (ten onrechte gegeven) ontslag op staande voet. Uit de overgelegde stukken (onder andere de e-mail van 15 november 2017 van [verzoeker] aan [verweerder]) en de verklaringen van partijen ter zitting kan worden afgeleid dat beide partijen er (voorafgaand aan het ontslag op staande voet) vanuit gingen dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval op 1 februari 2018 zou eindigen. In het geval [verzoeker] had gekozen voor de vernietiging van de opzegging had de arbeidsovereenkomst dus uiterlijk tot 1 februari 2018 geduurd en had [verzoeker] (enkel) over de periode van 5 december 2017 tot 1 februari 2018 nog loon ontvangen.

Bij de begroting van de billijke vergoeding acht de kantonrechter verder van belang dat [verweerder], gelet op de beperkte resterende duur van de arbeidsovereenkomst, in samenhang bezien met de vergaande consequenties van een ontslag op staande voet, ook voor een minder vergaande maatregel had kunnen kiezen. Verwezen wordt naar hetgeen hieromtrent in r.o. 5.5. is overwogen.

Ook acht de kantonrechter van belang dat [verzoeker] na het einde van de arbeidsovereenkomst met [verweerder] zijn werkzaamheden als rijinstructeur zelfstandig heeft voortgezet. [verzoeker] heeft gesteld dat hij ‘zijn’ cursisten les bleef geven, zij het dat hij er moeite voor heeft moeten doen om deze cursisten te overtuigen de rijlessen bij hem te blijven volgen. Ook heeft [verzoeker] kosten moeten maken voor de huur van een (les)auto.

Ten slotte acht de kantonrechter bij de begroting van de billijke vergoeding van belang dat voldoende aannemelijk is geworden dat beide partijen de intentie hadden om een vruchtbare samenwerking te realiseren door de specifieke doelgroep van cursisten met een bepaalde vorm van autisme bij [verweerder] onder te brengen en door [verzoeker] te laten begeleiden. Uit de stellingen van partijen en de verklaringen ter zitting leidt de kantonrechter evenwel af dat de communicatie tussen partijen niet voldoende is geweest en dat beide partijen daarvan een verwijt kan worden gemaakt. Deze (mis)communicatie had niet alleen betrekking op de verrekening van lesgelden, maar bijvoorbeeld ook op de wijze van roosteren. Hoewel beide partijen het er over eens waren dat de arbeidsovereenkomst diende te eindigen, is de beslissing van [verweerder] om [verzoeker] twee maanden voor het aflopen van de arbeidsovereenkomst op staande voet te ontslaan in de gegeven omstandigheden niet juist c.q. te vergaand geweest. Op deze wijze heeft [verweerder] de onduidelijkheid die bij beide partijen bestond omtrent de verrekening van lesgelden geheel als verwijt bij [verzoeker] gelegd, terwijl – zoals reeds overwogen – (ook) van [verweerder] had mogen worden verwacht dat zij bij aanvang van de arbeidsovereenkomst duidelijke financiële afspraken (met [verzoeker]) had gemaakt. De omstandigheid dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst heeft beëindigd zonder dringende reden en zonder instemming van [verzoeker], kan [verweerder] daarom ernstig worden verweten.

Gelet op al deze omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding een billijke vergoeding van € 1.500,00 bruto toe te kennen.

5.10.

De gevorderde en niet betwiste wettelijke rente is toewijsbaar zoals gevorderd.

5.11.

[verweerder] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld conform de aanbeveling schikking en proceskosten Wwz.

tegenverzoeken [verweerder]

5.12.

Hoewel niet uitdrukkelijk – ex artikel 23 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering – in het petitum van het verweerschrift opgenomen, kan uit de benaming en de inhoud van het verweerschrift worden afgeleid dat [verweerder] aanspraak maakt op een bedrag ad € 2.035,00 ter zake schade vanwege onbetaalde lessen én op een bedrag ad € 3.531,81 bruto ter zake verrekening minuren (zie hiervoor onder r.o. 4.1. en 4.2.).

In dit kader acht de kantonrechter van belang dat [verzoeker] in zijn pleitnotities verweer heeft gevoerd tegen deze tegenverzoeken van [verweerder] en een en ander tijdens de mondelinge behandeling uitvoerig ter sprake is gekomen. De kantonrechter acht [verweerder] daarom ontvankelijk in haar tegenverzoeken.

5.13.

[verweerder] maakt allereerst aanspraak op vergoeding van door haar geleden schade, bestaande uit een groot aantal onbetaald gebleven facturen. [verweerder] heeft deze facturen, die zijn gericht aan verschillende cursisten, als productie 4 overgelegd.

5.14.

De kantonrechter is van oordeel dat dit verzoek dient te worden afgewezen. Nog daargelaten dat [verweerder] geen duidelijke grondslag voor haar vordering heeft aangevoerd, geldt dat zij – in het licht van het verweer van [verzoeker] – onvoldoende heeft onderbouwd dat zij schade heeft geleden én dat die schade [verzoeker] kan worden toegerekend. Dat de betreffende facturen onbetaald zijn gebleven, leidt zonder nadere toelichting aan de zijde van [verweerder], die ontbreekt, niet tot de conclusie dat de cursisten lesgelden dus aan [verzoeker] hebben betaald. [verzoeker] heeft dit ook betwist.

Het had op de weg van [verweerder] gelegen haar stelling dat bepaalde cursisten ná 1 juli 2017 lesgelden aan [verzoeker] hebben betaald en welke lesgelden aan [verweerder] hadden moeten worden doorbetaald, nader met feiten en omstandigheden te onderbouwen. Enkel het overleggen van de door [verweerder] opgestelde facturen, die zijn verzonden aan de cursisten, is in dat kader onvoldoende.

Bovendien bepaalt artikel 7:661 BW dat een werknemer jegens een werkgever niet aansprakelijk is voor schade, die is toegebracht in de uitoefening van de arbeidsovereenkomst, tenzij de schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid. Dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid, is naar het oordeel van de kantonrechter niet komen vast te staan. Dit deel van het tegenverzoek zal daarom worden afgewezen.

5.15.

Ten aanzien van de door [verweerder] verzochte verrekening van minuren overweegt de kantonrechter als volgt. Voor zover moet worden aangenomen dat [verzoeker] minder uren werkte dan was overeengekomen, geldt dat artikel 7:628 BW bepaalt dat de werknemer ook in dat geval het recht op loon behoudt, indien de werknemer de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. [verzoeker] heeft aangevoerd dat hij alleen de rijlessen van de cursisten met autisme inplande, dat [verweerder] de open plekken in de agenda kon opvullen en dat [verzoeker] alleen een rijles verwijderde als de cursist zelf (tijdig) annuleerde of wilde verzetten. De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] het verweer van [verzoeker] – namelijk dat de niet gewerkte uren voor rekening en (het bedrijfs)risico van [verweerder] dienen te komen – onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken. Dat [verweerder] [verzoeker] er op heeft gewezen dat hij te weinig uren werkte (onder meer in de brief van 4 juli 2017) leidt niet tot de conclusie dat de niet gewerkte uren dus voor rekening van [verzoeker] dienen te komen. Bovendien kan uit de brief worden afgeleid dat het onderwerp weliswaar ter sprake is gebracht door [verweerder], maar niet dat [verweerder] [verzoeker] duidelijk heeft gemaakt dat de minuren (al dan niet binnen een bepaalde termijn) moesten worden ingehaald en dat – in het geval dit niet zou gebeuren – de te weinig gewerkte uren voor rekening van [verzoeker] zouden komen. Zonder nadere toelichting, aan de zijde van [verweerder], die ontbreekt, valt niet in te zien dat partijen bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst de bedoeling hebben gehad om eventueel door [verzoeker] minder gewerkte uren als vakantie-uren aan te merken én dat [verweerder] deze minuren bij beëindiging van de arbeidsovereenkomst bij [verzoeker] in rekening kon brengen. Naar het oordeel van de kantonrechter biedt artikel 10 van de arbeidsovereenkomst geen grondslag voor de door [verweerder] verzocht verrekening. Dat de arbeidsovereenkomst op 1 februari 2017 is aangevangen en [verzoeker] – met toestemming van [verweerder] – reeds in januari 2017 is begonnen met zijn werkzaamheden, waarbij de in januari gewerkte uren zijn ‘meegenomen’ (als meer-uren, zo begrijpt de kantonrechter), maakt dit niet anders. Op grond van deze werkwijze, noch op grond van de tekst van artikel 10 van de arbeidsovereenkomst, behoefte [verzoeker] te verwachten dat te weinig gewerkte uren bij het einde van de arbeidsovereenkomst als te veel opgenomen vakantiedagen zouden worden verrekend.

Ook dit deel van het tegenverzoek zal daarom worden afgewezen.

5.16.

[verweerder] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld conform de aanbeveling schikking en proceskosten Wwz.

6 De beslissing

ten aanzien van de verzoeken van [verzoeker]

6.1.

veroordeelt [verweerder] hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de anderen ter hoogte van dat bedrag zijn bevrijd, om aan [verzoeker] te betalen:

I. een bedrag van € 4.937,54 bruto aan vergoeding wegens onregelmatige opzegging ex artikel 7:672 lid 10 BW;

II. een bedrag van € 1.500,00 bruto aan billijke vergoeding ex artikel 7:681 lid 1 BW;

III. de wettelijke rente over de onder I en II genoemde bedragen vanaf de verschillende data van opeisbaarheid tot de dag der algehele voldoening;

6.2.

veroordeelt [verweerder] hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de anderen ter hoogte van dat bedrag zijn bevrijd, in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [verzoeker] begroot op € 679,00 in totaal, welk bedrag bestaat uit € 79,00 aan griffierecht en € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde;

6.3.

bepaalt dat [verweerder] deze kosten moet betalen aan de gemachtigde van [verzoeker].

6.4.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

6.5.

wijst het meer of anders verzochte af;

ten aanzien van de tegenverzoeken van [verweerder]

6.6.

wijst de tegenverzoeken van [verweerder] af;

6.7.

veroordeelt [verweerder] hoofdelijk, in die zin dat voor zover de een betaalt ook de anderen ter hoogte van dat bedrag zijn bevrijd, in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [verzoeker] begroot op € 400,00 aan salaris voor de gemachtigde;

6.8.

bepaalt dat [verweerder] deze kosten moet betalen aan de gemachtigde van [verzoeker].

6.9.

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. M.P.C.J. van Bavel en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018