Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2093

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
04-05-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
05/015124-17 en 05/255809-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mishandeling en bedreiging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers : 05/015124-17 en 05/255809-17 (gevoegd ter terechtzitting)

Datum uitspraak : 4 mei 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1978 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 april 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/015124-17:

hij op of omstreeks 10 oktober 2016, althans in de maand oktober 2016, te Neede, in de gemeente Berkelland, althans in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 2] , dochter van hem, verdachte, en

genoemde [slachtoffer 1] ), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend genoemde [slachtoffer 1] (in een telefoongesprek

met haar) te kennen te geven - zakelijk weergegeven -, dat het beter is, dat hij (verdachte) [slachtoffer 2] mee zal nemen of dood zal schieten, en/of dat hij (verdachte) begreep, dat er mensen zijn die zichzelf en hun kinderen ombrengen, en/of dat hij iedereen zal doodschieten die hem niet had

geholpen, en/of dat hij een lijstje had gemaakt met mensen die hij dood wilde maken, en/of dat hij iedereen zou doodschieten als de mensen van de levenseindekliniek hem niet wilden helpen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Ten aanzien van parketnummer 05/255809-17:

1

hij op of omstreeks 15 december 2017, te Neede, in de gemeente Berkelland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, genaamd [slachtoffer 3] (jeugdbeschermer bij [naam] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet genoemde [slachtoffer 3] met een stok tegen de ribben, althans het (boven)lichaam, en/of tegen de arm(en) en/of tegen de hand(en) heeft geslagen, en/of

met dat opzet met een stok heeft geslagen in de richting van het hoofd van genoemde [slachtoffer 3] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 15 december 2017, te Neede, in de gemeente Berkelland een persoon, genaamd [slachtoffer 3] (jeugdbeschermer bij [naam] ), heeft mishandeld, door genoemde [slachtoffer 3] met een stok tegen de ribben, althans het (boven)lichaam, en/of tegen de arm(en) en/of tegen de hand(en) te slaan;

2

hij op of omstreeks 15 december 2017, te Neede, in de gemeente Berkelland, een persoon, genaamd [slachtoffer 3] (jeugdbeschermer bij [naam] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

-door die [slachtoffer 3] opzettelijk dreigend toe te voegen - zakelijk weergegeven -, dat hij (verdachte) het leven van genoemde [slachtoffer 3] zou beeindigen en/of dat genoemde [slachtoffer 3] niet levend het huis zou verlaten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

-door opzettelijk dreigend een stok ter hand te nemen en/of te tonen aan genoemde [slachtoffer 3] , en/of (vervolgens) genoemde [slachtoffer 3] met een stok in de hand tot op (vrij) korte afstand te naderen, en/of

-door opzettelijk dreigend met een stok een of meer slaande beweging(en) te maken in de richting van genoemde [slachtoffer 3] .

2a. Vrijspraak

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat feit 1 primair met parketnummer 05/255809-17 niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte zal van het tenlastegelegde feit in zoverre worden vrijgesproken.

2b. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van parketnummer 05/015124-17 1 :

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft naar voren gebracht dat hij zich niet kan voorstellen dat hij de tenlastegelegde woorden heeft gezegd.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 1] heeft verklaard dat verdachte haar op 10 oktober 2016 belde om over hun dochter, [slachtoffer 2] geboren op [geboortedatum 2]2, te praten. Vervolgens veranderde verdachte van gespreksstof. Verdachte gaf aan dat hij een dodenlijst had gemaakt en hij zei: “Als de mensen van de Levenseinde kliniek mij niet helpen dan schiet ik iedereen dood. Ik heb een lijstje en [slachtoffer 3] , van [naam] staat bovenaan. Daaronder staan een aantal leden van jouw familie, de huisarts en de mensen van de kliniek. Als [slachtoffer 2] geen vader mag hebben dan moet jij ook maar ervaren hoe het is om zonder een vader verder te moeten.” Hiermee bedoelde verdachte dat hij de ouders van [slachtoffer 1] ook wat aan zou gaan doen. Verder hoorde [slachtoffer 1] verdachte zeggen dat hij het begrijpt dat er mensen zijn die zichzelf en hun kind ombrengen / ontvoeren omdat zij geen vader mogen zijn door toedoen van zo’n moeder. Ook zei verdachte: “ [slachtoffer 2] zou autisme krijgen en zij zou grote problemen met een moeder als [slachtoffer 1] krijgen en dan zou zij een borderliner worden en dan springt zij voor een trein. Dus het is beter dat ik [slachtoffer 2] meeneem of dood zal schieten, want als ik er niet meer ben heeft zij niets aan een moeder zoals jij."3

Aanvullend heeft [slachtoffer 1] verklaard dat als verdachte haar belt, zij probeert om het met hem over neutrale dingen te hebben. Vaak lukt het haar om hem af te leiden en het gesprek een andere kant op te leiden, maar deze keer absoluut niet. [slachtoffer 1] hoorde verdachte zeggen dat hij mensen wilde doodschieten, maar ook dat hij onze dochter [slachtoffer 2] wilde doodschieten. [slachtoffer 1] werd bang, omdat zij verdachte niet meer kon inschatten. Verdachte heeft namelijk nooit zulke dingen gezegd en al helemaal niet over zijn eigen kind.4

In het proces-verbaal van bevindingen is een opname van een telefoongesprek tussen [slachtoffer 1] en verdachte schriftelijk uitgewerkt. Daaruit komt onder meer naar voren dat verdachte contact zegt te hebben gehad met medewerkers van de Levenseinde Kliniek. Verdachte was boos en zei dat hij iedereen dood zou schieten die verdachte niet geholpen had. Verdachte gaf aan dat hij een lijstje had gemaakt van mensen die hij dood wilde maken.5

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 10 oktober 2016 met [slachtoffer 1] heeft gebeld, dat hij niet meer weet wat hij heeft gezegd, maar dat het zou kunnen dat hij de tenlastegelegde woorden heeft gezegd.6

Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde woorden heeft geuit tijdens het telefoongesprek op 10 oktober 2016. Deze woorden zijn zowel bedreigend geweest voor [slachtoffer 1] als voor [slachtoffer 2] . Daarbij overweegt de rechtbank dat - zoals blijkt uit de aangifte en de aanvullende verklaring van aangeefster - de 8-jarige [slachtoffer 2] met aangeefster naar aanleiding van de bedreiging op advies van politie en Bureau Jeugdzorg op stel en sprong verhuisd is naar een geheime opvanglocatie.

Ten aanzien van parketnummer 05/255809-17 7 :

Feit 1:

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tenlastegelegde feit.

Het standpunt van verdachte

Verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat hij aangever niet heeft geslagen. Hij heeft wel een slaande beweging gemaakt maar aangever niet geraakt.

Beoordeling door de rechtbank

Aangever [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij op 15 december 2017 een afspraak had met verdachte. [slachtoffer 3] is jeugdbeschermer bij [naam] . Verdachte las de brief: “omgangsregeling” en toen sprong verdachte op. Verdachte liep naar de kast in de woonkamer en greep een stok die daar bovenop lag. Verdachte kwam op [slachtoffer 3] aflopen. Toen [slachtoffer 3] zag dat verdachte hem wilde slaan heeft hij zijn linker arm/hand achter zijn hoofd gehouden om die te beschermen. Verdachte sloeg [slachtoffer 3] toen hard met de stok tegen de linker zijde van zijn ribbenkast. [slachtoffer 3] voelt daar nu nog pijn en zijn rechterhand doet pijn.8

Getuige [getuige] heeft gezien dat [verdachte] met de stok uithaalde naar aangever en hem in zijn linker flank raakte.9

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij op 15 december 2017 een afspraak had bij hem thuis te [woonplaats] , in de gemeente Berkelland, met [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] zou bij hem komen om over de omgang met zijn dochter te praten. [getuige] , zijn begeleidster, was ook bij dat gesprek om de prikkels bij verdachte af te nemen en hem bij het gesprek te begeleiden. [slachtoffer 3] had een omgangsregeling op papier staan. Tijdens het lezen van de omgangsregeling werd verdachte heel boos en pakte hij een stok en wilde [slachtoffer 3] slaan. [slachtoffer 3] heeft zich afgeweerd. Verdachte denkt niet dat hij [slachtoffer 3] heeft geraakt.10

Gelet op het voorgaande in samenhang bezien acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het subsidiair tenlastegelegde feit, de mishandeling. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte [slachtoffer 3] niet zou hebben geraakt, gezien de concrete verklaringen van aangever en [getuige] en het beschreven letsel.

Feit 2:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 3 e.v.;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 april 2018.

Eendaadse samenloop

De rechtbank is van oordeel dat er ter zake het onder 1 en 2 bewezenverklaarde sprake van zogenaamde eendaadse samenloop, zoals bedoeld in artikel 55 Wetboek van Strafrecht.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Ten aanzien van parketnummer 05/015124-17:

hij op of omstreeks 10 oktober 2016, althans in de maand oktober 2016, te Neede, in de gemeente Berkelland, althans in Nederland, een persoon, genaamd [slachtoffer 1] , en/of een persoon, genaamd [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum 2] , dochter van hem, verdachte, en

genoemde [slachtoffer 1] ), heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend genoemde [slachtoffer 1] (in een telefoongesprek

met haar) te kennen te geven - zakelijk weergegeven -, dat het beter is, dat hij (verdachte) [slachtoffer 2] mee zal nemen of dood zal schieten, en/of dat hij (verdachte) begreep, dat er mensen zijn die zichzelf en hun kinderen ombrengen, en/of dat hij iedereen zal doodschieten die hem niet had

geholpen, en/of dat hij een lijstje had gemaakt met mensen die hij dood wilde maken, en/of dat hij iedereen zou doodschieten als de mensen van de levenseindekliniek hem niet wilden helpen, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

Ten aanzien van parketnummer 05/255809-17:

Feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 15 december 2017, te Neede, in de gemeente Berkelland een persoon, genaamd [slachtoffer 3] (jeugdbeschermer bij [naam] ), heeft mishandeld, door genoemde [slachtoffer 3] met een stok tegen de ribben, althans het (boven)lichaam, en/of tegen de arm(en) en/of tegen de hand(en) te slaan;

Feit 2:

hij op of omstreeks 15 december 2017, te Neede, in de gemeente Berkelland, een persoon, genaamd [slachtoffer 3] (jeugdbeschermer bij [naam] ) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling,

-door die [slachtoffer 3] opzettelijk dreigend toe te voegen - zakelijk weergegeven -, dat hij (verdachte) het leven van genoemde [slachtoffer 3] zou beëindigen en/of dat genoemde [slachtoffer 3] niet levend het huis zou verlaten, althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

-door opzettelijk dreigend een stok ter hand te nemen en/of te tonen aan genoemde [slachtoffer 3] , en/of (vervolgens) genoemde [slachtoffer 3] met een stok in de hand tot op (vrij) korte afstand te naderen, en/of

-door opzettelijk dreigend met een stok een of meer slaande beweging(en) te maken in de richting van genoemde [slachtoffer 3] .

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van parketnummer 05/015124-17:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd

Ten aanzien van parketnummer 05/255809-17:

Feit 1 subsidiair:

Mishandeling

Feit 2:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van 100 uren werkstraf, te vervangen door 50 dagen hechtenis waarvan 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Het standpunt van de verdediging

De verdachte vindt de eis van de officier van justitie prima, maar vraagt wel om rekening te houden met de omstandigheid dat hij chronisch ziek is.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 13 maart 2018;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 16 april 2018.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn ex-partner en zijn dochter. Verdachte heeft hierdoor ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van zijn ex-vrouw en zijn dochter. Verdachte heeft door zijn handelen gevoelens van onrust, angst en overlast veroorzaakt en wel in zo een hevige mate dat zijn ex-vrouw en zijn jonge dochter zich genoodzaakt hebben gezien enige tijd onder te duiken. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan mishandeling en bedreiging van een medewerker van de Jeugdbescherming, tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. De ervaring leert dat slachtoffers van dergelijke feiten nog tot geruime tijd daarna psychische en emotionele gevolgen van bedreiging en mishandeling kunnen ondervinden. Het voorgaande maakt dat sprake is van ernstige feiten.

Uit het rapport van de reclassering komt naar voren verdachte tot 2011 geen geschiedenis had waarin gewelddadig gedrag van hem bekend was. Vanaf 2011 zijn er diverse meldingen geweest waarin verdachte dreigend was. Verdachte is een bekende binnen de psychiatrie. Bij verdachte is een autistische stoornis vastgesteld, die een grote invloed heeft op diverse levensgebieden (werk, inkomen, contacten, welbevinden, houding en gedrag). Daarnaast heeft hij lichamelijke klachten, waaronder suikerziekte, die een negatieve invloed hebben op zijn psychische klachten. Volgens de psychiatrisch verpleegkundige heeft verdachte voornamelijk problemen met sociale contacten vanwege moeilijkheden met prikkelverwerking. Daarnaast speelt bij verdachte een voortdurend gevoel van ongenoegen, doordat hij zich zeer snel afgewezen voelt in allerlei situaties. Dat thema speelde ook rond het geweldsincident in 2017 (rechtbank: gedoeld wordt op het ten aanzien van de zaak onder parketnummer 05/255809-17 bewezenverklaarde). Er heeft geen NIFP rapportage plaatsgevonden. De reclassering houdt er rekening mee dat een verminderde toerekeningsvatbaarheid zou zijn vastgesteld op basis van bovengenoemde problematiek. Verdachte heeft adequate hulp ingeschakeld. Een goede aanvulling op die hulpverlening kan zijn dat verdachte een training emotieregulatie/agressiebeheersing volgt. Verdachte ziet dit zelf niet als nodig, maar zal er aan meewerken als het hem wordt opgelegd.

De rechtbank zal in na te noemen beslissing rekening houden met het advies van de reclassering. Verdachte heeft ter zitting ook aangegeven zich aan de voorwaarden te zullen houden.

Alles overziend, acht de rechtbank de eis van de officier van justitie passend. Een deel van de werkstraf zal zij voorwaardelijk opleggen en daaraan de bijzondere voorwaarde verbinden zoals de reclassering heeft geadviseerd.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezenverklaarde feiten 1 en 2 met parketnummer 05/255809-17. Gevorderd wordt een bedrag van € 417,50 aan materiële schade en een bedrag van € 1.000,00 aan immateriële schade. Het totaal gevorderde bedrag bedraagt € 1.417,50.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de materiële schade niet kan worden toegewezen, nu deze niet is onderbouwd en over de schade niets in het dossier te vinden is. De benadeelde partij dient ten aanzien van deze kosten in haar vordering niet-ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de immateriële schade is volgens de officier van justitie een bedrag van € 350,00 redelijk. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in dit onderdeel van haar vordering te worden verklaard.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte kan zich voorstellen dat de bril van de benadeelde partij tijdens de worsteling is beschadigd, maar kan zich dat niet meer herinneren. Hij stemt in met de vaststelling van een immateriële schadevergoeding van € 350,00.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen met parketnummer 05/255809-17 tot schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De rechtbank gaat er vanuit dat tijdens de worsteling de glazen van de bril van de benadeelde partij zijn beschadigd en dat hij hierdoor schade heeft geleden. Ten aanzien van de montuur van de bril is de rechtbank van oordeel dat de vordering onvoldoende is onderbouwd. Ten aanzien van deze kosten zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Het deel van de vordering dat ziet op de materiële schade zal daarom tot een bedrag van € 218,00 (twee maal € 109,00) worden toegewezen.

Ten aanzien van de immateriële schade zal de rechtbank gebruik maken van haar schattingsbevoegdheid en het bedrag schatten op bedrag van € 350,00. Voor het overige deel van de immateriële schade zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard.

Van de vordering van de benadeelde partij zal dus een totaalbedrag van € 568,00 worden toegewezen.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 15 december 2017.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij(en).

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 22c, 22d, 36f, 57, 285 en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair tenlastegelegde feit van parketnummer 05/255809-17;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot

 een taakstraf van 100 (honderd) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de taakstraf groot 80 (tachtig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarde(n) dat de veroordeelde:

- zich zal melden bij de Reclassering Nederland te Zutphen en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling zal stellen van een door de Reclassering nader te bepalen instelling waar hij een specifieke training zal gaan volgen voor emotieregulatie/agressiebeheersing, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3]

  • -

    veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 met parketnummer 05/255809-17 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 3], van een bedrag van € 568,00 (vijfhonderdachtenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 3], van een bedrag van € 568,00 (vijfhonderdachtenzestig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 11 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Mei (voorzitter), mr. A. Tegelaar en mr. E. Stevens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.S. Verhagen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 mei 2018.

mr. A. Tegelaar is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

mr. E. Stevens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, basisteam Achterhoek-Oost, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2016535882, gesloten op 24 januari 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 16.

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 3 e.v.

4 Het proces-verbaal van verhoor aangeefster [slachtoffer 1] , p. 11.

5 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 13.

6 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 april 2018.

7 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, basisteam Achterhoek-West, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600 2017575072, gesloten op 16 januari 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

8 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 3] , p. 3 e.v.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , 12 e.v.

10 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 20 april 2018.