Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2092

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-05-2018
Datum publicatie
07-05-2018
Zaaknummer
05/840028-18 en 08/265854-16 (TUL)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft een 41-jarige man uit Doetinchem veroordeeld tot 7 maanden gevangenisstraf voor het plegen van meerdere diefstallen en (opzet)heling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840028-18 en 08/265854-16 (TUL)

Datum uitspraak : 7 mei 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem

raadsvrouw: mr. C.Z.A.M. Skanderova, advocaat te Eindhoven.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 23 april 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 3 december 2017

te Doetinchem een portemonnee (inhoudende o.a. een bankpas en/of een rijbewijs en/of een ID

kaart), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

althans, indien het vorenstaande onder 4 niet tot een veroordeling leidt:

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 4 december 2017 te Doetinchem een goed, te weten een pinpas van [slachtoffer 1] , heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden hebben van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

2.

hij in of omstreeks de periode van 4 december 2017 tot en met 5 december 2017

te Doetinchem een telefoon en/of een bankpas en/of een portemonnee, in elk geval enig goed,

dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.

hij op of omstreeks 25 december 2017 te Doetinchem een portemonnee (inhoudende o.a. een bankpas en/of een rijbewijs en/of een OV kaart), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 december 2017 tot en met 4 december 2017 en/of op of omstreeks 25 december 2017 te Doetinchem een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (door onbevoegd gebruik maken van de pin-/betaalpas van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] )

5.

hij op of omstreeks 17 november 2017 te Doetinchem een auto (merk [merk] ) en/of autosleutels, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen auto onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (door onbevoegd gebruik maken van een bij die auto horende autosleutel);

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Ten aanzien van feit 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 1 primair ten laste gelegde, nu het feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte degene is geweest die de portemonnee met inhoud heeft gestolen.

Beoordeling door de rechtbank

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte degene is geweest die de portemonnee (inhoudende onder andere een bankpas, een rijbewijs en een ID-kaart) van aangeefster heeft weggenomen.

Verdachte zal daarom van het onder 1 primair tenlastegelegde worden vrijgesproken.

Subsidiair:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 21;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 april 2018.

Ten aanzien van feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft bepleit voor vrijspraak van het onder 2 ten laste gelegde.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat haar telefoon, bankpas en portemonnee in de periode van 4 tot 5 december 2017 zijn weggenomen. Omstreeks 15 december 2017 is van [slachtoffer 2] vernomen dat zij er achter is gekomen dat er met haar bankpas op 4 december 2017 contactloos is betaald bij de [naam winkel] in Doetinchem. Op camerabeelden die zijn gemaakt bij de [naam winkel] in Doetinchem is te zien dat een man met een pinpas iets afrekent op het tijdstip dat met de bankpas van [slachtoffer 2] in de [naam winkel] contactloos is betaald. In de processen-verbaal van bevindingen verklaren verschillende verbalisanten dat zij verdachte ambtshalve herkennen op de camerabeelden van de [naam winkel] .

In tegenstelling tot de ambtshalve herkenning door verbalisanten, ziet de rechtbank op de screenshots van de camerabeelden een persoon waarvan de gelaatstrekken onvoldoende zichtbaar zijn. De rechtbank kan op basis van de screenshots niet vaststellen dat het verdachte is die op de screenshots te zien is.

Nu de processen-verbaal van bevindingen die betrekking hebben op de herkenning van verdachte niet kunnen dienen als bewijs en bij gebrek aan ondersteuning in het overige bewijsmateriaal, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende wettig bewijs voorhanden om het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen te achten. Verdachte zal daarom van het onder 2 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

Ten aanzien van feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 3 ten laste gelegde.


Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde.

Ten aanzien van feit 4

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht haar cliënt vrij te spreken ten aanzien van het onder 4 ten laste gelegde. Haar cliënt ontkent het feit, met uitzondering van het pinnen met de pinpas van [slachtoffer 1] op 3 december 2017, en verdachte herkent zichzelf niet op de beelden.

Verdachte ontkent de feiten 3 en 4 te hebben begaan.

Beoordeling van de feiten 3 en 4 door de rechtbank

[slachtoffer 3]

Door [slachtoffer 3] is aangifte gedaan van diefstal van zijn portemonnee, met daarin zijn bankpas, op 25 december 2017, tussen 14:45 uur en 16:15 uur. 2 Aangever zag dat er op diezelfde dag tussen 15:37 en 15:46 uur driemaal contactloos was gepind bij de [naam tankstation] in Doetinchem. Op camerabeelden van de [naam tankstation] is te zien dat een man op de relevante tijdstippen contactloos betaalt met een pinpas. Verbalisant [verbalisant 1] heeft verklaard dat zij verdachte onmiddellijk herkende van de camerabeelden. 3 Verbalisant [verbalisant 1] heeft screenshots van de betaling bij het [naam tankstation] tankstation op 25 december 2017 toegevoegd. 4 Verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 3] verklaren dat zij op de camerabeelden een man zien die sprekend lijkt op de man die al meerdere malen voor hen heeft gezeten.5

De rechtbank overweegt als volgt.

Hoewel verdachte ter terechtzitting heeft verklaard dat hij niet degene is die op de bewakingsbeelden van [naam tankstation] tankstation is te zien, heeft de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de herkenning door de verbalisanten van verdachte op de camerabeelden. Op screenshots van de betreffende beelden zijn de gelaatstrekken van verdachte voldoende herkenbaar. De betreffende verbalisanten kennen de verdachte van verhoren die zij meerdere malen hebben gehad met verdachte.

Gelet op het tijdsverloop tussen de diefstal en het pinnen met de gestolen pas is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich tevens schuldig heeft gemaakt aan het onder feit 3 tenlastegelegde. Immers binnen zeer korte tijd na de diefstal van de bankpas is met de gestolen bankpas gepind door verdachte. Hiermede is tevens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook degene is die de portemonnee met inhoud van [slachtoffer 3] heeft weggenomen.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank op grond van wettig bewijs de overtuiging bekomen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 3 en 4 tenlastegelegde voor zover deze feiten zien op [slachtoffer 3] .

[slachtoffer 1]

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] , p. 22;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 april 2018.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank op grond van wettig bewijs de overtuiging bekomen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het onder 4 tenlastegelegde voor zover dit feit ziet op [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 2]

Verdachte ontkent dat hij geld heeft weggenomen door middel van de betaalpas van [slachtoffer 2] .

Nu op basis van de camerabeelden van de [naam winkel] niet kan worden vastgesteld dat het verdachte is die de betreffende betalingen met de betaalpas van [slachtoffer 2] heeft verricht en er geen overig bewijs is dat de tenlastelegging ondersteunt, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van dit deel van de tenlastelegging.

Ten aanzien van feit 5

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 5 ten laste gelegde, nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de autosleutels en de auto heeft weggenomen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde. Uit de bewijsmiddelen kan niet de conclusie worden getrokken dat verdachte degene is geweest die de autosleutels dan wel de auto heeft weggenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat verdachte degene is geweest die de autosleutels en de auto heeft weggenomen. Verdachte zal daarom van het onder 5 ten laste gelegde worden vrijgesproken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 subsidiair, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1 subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 1 december 2017 tot en met 4 december 2017 te Doetinchem een goed, te weten een pinpas van [slachtoffer 1] , heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden hebben van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;

3.

hij op of omstreeks 25 december 2017 te Doetinchem een portemonnee (inhoudende o.a. een bankpas en/of een rijbewijs en/of een OV kaart), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen; (bvhnummer 2017592105)

4.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 3 december 2017 tot en met 4 december 2017 en/of op of omstreeks 25 december 2017 te Doetinchem een hoeveelheid geld, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] , heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen geld onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel (door onbevoegd gebruik maken van de pin-/betaalpas van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] )

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair:

opzetheling

Ten aanzien van feit 3:

diefstal

Ten aanzien van feit 4 telkens:

diefstal, terwijl de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7
7. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 subsidiair, feit 2, feit 3 en feit 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Bij het bepalen van zijn eis heeft de officier van justitie onder meer rekening gehouden met het feit dat verdachte al eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke delicten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gesteld dat verdachte ten aanzien van feit 2, 3, 4 en 5 dient te worden vrijgesproken. Ten aanzien van feit 1 primair en subsidiair heeft zij geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 5 maart 2018;

- een voorlichtingsrapportage van reclassering GGZ ERW Novadic-Kentron Eindhoven, gedateerd 27 februari 2018;

De rechtbank overweegt in het bijzonder het navolgende:

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetheling, een diefstal en een gekwalificeerde diefstal. Verdachte heeft laakbaar en puur uit eigen gewin gehandeld. Hij heeft niet geschroomd om aan derden schade toe te brengen.

Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank onder meer rekening met het feit dat verdachte al eerder (meermalen) is veroordeeld voor vermogensdelicten. De toen opgelegde straffen alsmede de daarin begrepen waarschuwingen hebben verdachte er kennelijk niet van weerhouden opnieuw dit soort feiten te begaan.

Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op het rapport van Reclassering GGZ ERW Novadic-Kentron van 27 februari 2018. Daarin staat onder meer dat verdachte kampt met verslavingsproblematiek en psychische problematiek en dat het drugsgebruik van verdachte in relatie staat met het delictgedrag. Voorts wordt er beschreven dat er een hoge kans op recidive is. Daarnaast ontbreekt het bij verdachte aan huisvesting en een daginvulling. Verdachte is echter van mening dat hij geen hulp nodig heeft om zijn problemen op te lossen en hij is ook niet gevoelig voor het opleggen van bijzondere voorwaarden zoals het verleden laat zien. Ter terechtzitting heeft verdachte aangegeven dat hij wel openstaat voor hulpverlening maar dan op zijn voorwaarden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen meerwaarde in het opleggen van een voorwaardelijk straf en zal verdachte daarom tot een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsstraf veroordelen.

De oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS-afspraken indiceren voor een diefstal zoals bewezenverklaard onder feit 3, waarbij tevens sprake is van recidive, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden. De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om van deze oriëntatiepunten af te wijken. De rechtbank acht voorts de diefstallen zoals bewezenverklaard onder feit 4 van vergelijkbare aard en ernst als de diefstal onder feit 3. Ten aanzien van het bewezenverklaarde feit 1 subsidiair (opzetheling), houdt de rechtbank rekening met hetgeen in soortgelijke gevallen wordt opgelegd.

Gelet op het voorgaande, alles in samenhang bezien en in het bijzonder gelet op de ernst van de feiten, acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden passend en geboden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder feit 1 en feit 4 ten laste gelegde. Gevorderd wordt een bedrag van € 114,85.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering, nu de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde geen rechtstreekse schade heeft geleden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij geen verweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de benadeelde partij gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering, nu die gevorderde schade niet als rechtstreeks gevolg is aan te merken van de hiervoor bewezenverklaarde opzetheling (feit 1 subsidiair) door verdachte. De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte geld heeft weggenomen (feit 4) tot een bedrag van € 26,81 met de bankpas van [slachtoffer 1] die verdachte voorhanden heeft gehad. De vordering zal tot dit bedrag worden toegewezen.

7b. De beoordeling van de vordering na voorwaardelijke veroordeling

Ten aanzien van de vordering na voorwaardelijke veroordeling vordert de officier van justitie de tenuitvoerlegging van 2 weken gevangenisstraf die door de politierechter Overijssel te Almelo op 12 april 2017 voorwaardelijk is opgelegd.

Nu is bewezen dat verdachte zich binnen de proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit, dient de bij vonnis van de politierechter te Overijssel, locatie Almelo van 12 april 2017 onder parketnummer 08/265854-16 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf ten uitvoer gelegd te worden.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 310, 311, 416 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van de onder feit 1 primair, feit 2 en feit 5 tenlastegelegde feiten.

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) maanden;

beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] .

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 4 tot betaling van schadevergoeding aan de

benadeelde partij [slachtoffer 1], van een bedrag van 26,81, vermeerderd met de

wettelijke rente vanaf 3 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met

betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij

gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 26,81, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 december 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

De beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter Overijssel, locatie Almelo van 12 april 2017, te weten van:

2 weken gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.F.R. van Heemstra, voorzitter, mr. C. Kleinrensink en mr. J.A.P. Bakker, rechters, in tegenwoordigheid van E.I. van Aalst, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 7 mei 2018.

mr. Kleinrensink is buiten staat dit

vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] van de politie Oost Nederland, district , opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018013666, gesloten op 9 januari 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 3] , p. 109

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 119

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 120

5 Proces-verbaal van bevindingen, p. 124