Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2065

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-05-2018
Datum publicatie
04-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4132
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontheffing van de Omgevingsverordening Gelderland voor de uitbreiding van een intensieve veehouderij tot een oppervlakte van meer dan 1 hectare (artikel 4.1a Wro).

Doordat de bepaling uit de Omgevingsverordening die het bouwperceel van een intensieve veehouderij in verwevingsgebied maximeert op 1 hectare na het indienen van de aanvraag is komen te vervallen, is naar het oordeel van de rechtbank ook het belang van eiseres bij een inhoudelijke beoordeling van de ontheffing vervallen.

De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/4132

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], waarvan de maten zijn [eiseres] en [eiseres], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.M. Breukers),

en

het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland, verweerder.

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[derde-partij] , te [woonplaats],

[derde-partij] , te [woonplaats].

Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder geweigerd aan [derde-partij] (hierna: [derde-partij]) een ontheffing van de Omgevingsverordening Gelderland (hierna: Omgevingsverordening) te verlenen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2018. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door gemachtigde mr. M.M. Breukers en ing. R.B.M. Aagten. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, J. Sikking en V. Roerdink. [derde-partij] is verschenen, alsmede [derde-partij] namens het [derde-partij].

Overwegingen

1. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

2. Eiseres exploiteert op het perceel [locatie] in [woonplaats] een varkenshouderij. Het perceel is in de Omgevingsverordening gelegen in een gebied met de aanduiding “verwevingsgebied”.

3. Eiseres heeft op 7 april 2016 bij het [derde-partij] een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een nieuwe stal en mestsilo, en het uitbreiden van een bestaande berging. Omdat de bouwaanvraag in strijd is met het bestemmingsplan dient – naast een omgevingsvergunning voor de activiteiten “bouwen” en “milieu” – ook een omgevingsvergunning te worden verleend om af te wijken van het bestemmingsplan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3o, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

4. Ten tijde van de aanvraag bepaalde artikel 2.5.4.2 van de Omgevingsverordening dat aan een uitbreiding van een intensieve veehouderij in verwevingsgebied een agrarisch bouwperceel kan worden toegekend van ten hoogste 1,0 hectare. De aanvraag was in strijd met dit artikel, omdat door het bouwplan deze oppervlakte wordt overschreden.

5. Vanwege deze strijdigheid met de Omgevingsverordening heeft het [derde-partij] op 26 september 2016 een aanvraag bij verweerder ingediend voor een ontheffing van de Omgevingsverordening op grond van artikel 4.1a van de Wet ruimtelijke ordening.

In artikel 2.9.1 van de Omgevingsverordening is een ontheffingsbepaling opgenomen.

6. Op 1 maart 2017 heeft Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening gewijzigd. Door deze wijziging is artikel 2.5.4.2 komen te vervallen. Artikel 2.5.3.2 is voor dit artikel in de plaats gekomen.

In artikel 2.5.3.2 is de uitbreiding van een intensieve veehouderij niet langer gekoppeld aan een maximale oppervlakte van 1,0 hectare, maar afhankelijk gesteld van zogenoemd “plussenbeleid”. Dit beleid dient door de gemeenteraad van Berkelland te worden vastgesteld in overeenstemming met paragraaf 3.9.10 van de Omgevingsvisie Gelderland. Plussenbeleid houdt – kort samengevat – in dat een uitbreiding van een intensieve veehouderij slechts is toegestaan als het bedrijf extra maatregelen neemt ter verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving op het gebied van dierwelzijn, landschappelijke inpassing en milieu.

7. Op 21 maart 2017 heeft verweerder aan het [derde-partij] medegedeeld dat een ontheffing van de Omgevingsverordening niet langer noodzakelijk is, omdat artikel 2.5.4.2 – en daarmee het verbod om de intensieve veehouderij uit te breiden tot meer dan 1 hectare – uit de Omgevingsverordening is verwijderd. Bij besluit van 5 juli 2017 heeft verweerder het verzoek van het [derde-partij] om een ontheffing om die reden afgewezen.

8. Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld bij de rechtbank en aangegeven dat zij in haar belangen wordt geschaad doordat enerzijds geen ontheffing van de Omgevingsverordening wordt verleend, en anderzijds geen plussenbeleid wordt vastgesteld door de gemeenteraad. Hierdoor wordt de aanvraag van eiseres aangehouden.

Eiseres wil dat door verweerder een ontheffing wordt verleend op grond van artikel 2.5.4.2 van de Omgevingsverordening, zodat het [derde-partij] vervolgens een beslissing kan nemen op haar aanvraag.

Procesbelang

9.1.

Voordat de rechtbank aan een inhoudelijke behandeling van een geschil toekomt, moet zij ambtshalve beoordelen of eiseres procesbelang heeft bij haar beroep. Het procesbelang is het belang dat eiseres heeft bij de uitkomst van de procedure, wat zij met haar beroep wil/kan bereiken.

9.2.

De rechtbank stelt vast dat de verbodsbepaling om een intensieve veehouderij uit te breiden tot meer dan 1 hectare niet langer in de Omgevingsverordening is opgenomen en dat de Omgevingsverordening geen overgangsrecht voor lopende aanvragen bevat. Door het vervallen van het verbod is een ontheffing van de Omgevingsverordening dus niet meer vereist.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het vervallen van de verbodsbepaling dat het belang van eiseres bij een oordeel van de rechtbank over het weigeren door verweerder van een ontheffing aan het [derde-partij] van dit voorheen bestaande verbod is komen te vervallen.

9.3.

De rechtbank volgt het betoog van eiseres – inhoudende dat daarnaast procesbelang bestaat omdat de aanvraag ook ziet op een ontheffing van andere bepalingen van hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening – niet, nu de aanvraag specifiek ziet op een ontheffing van artikel 2.5.4.2 van de Omgevingsverordening. De aanvraag kan daarom niet worden aangemerkt als een verzoek om ontheffing van artikel 2.5.3.2 of van andere bepalingen uit hoofdstuk 2 van de Omgevingsverordening.

9.4.

Zoals ter zitting door het [derde-partij] is aangegeven, is het aan de gemeenteraad van de gemeente Berkelland om plussenbeleid vast te stellen, zodat de aanvraag van eiseres aan dit beleid kan worden getoetst en het [derde-partij] een beslissing kan nemen op de aanvraag. Die kwestie staat buiten dit geschil.

10. Het beroep van eiseres is niet-ontvankelijk. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. van Gijn, rechter, in tegenwoordigheid van mr. E. Mengerink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Wettelijk kader

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 4.1a, eerste lid

Bij de verordening, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, kan worden bepaald dat gedeputeerde staten op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van krachtens dat lid vast te stellen regels, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. Aan de ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden indien de betrokken provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.

Omgevingsverordening Gelderland

Artikel 1.1.1 Begripsbepaling

In deze verordening en de daarop rustende bepalingen wordt (mede) verstaan onder:

1. Bestemmingsplan

a. t/m d. (…);

e. omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken ten behoeve van een project van lokaal ruimtelijk belang, tenzij uit de betreffende bepaling uitdrukkelijk anders volgt;

f. en g. (…).

Artikel 2.5.3.2 Uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijtak: Plussenbeleid (nieuw)

1. Bestemmingsplannen maken de uitbreiding van de oppervlakte van een agrarisch bouwperceel met een niet-grondgebonden veehouderijtak dat gelegen is in het gebied dat is aangewezen als Plussenbeleid slechts mogelijk indien zij voldoen aan beleidsregels die door de gemeenteraad zijn vastgesteld in overeenstemming met paragraaf 3.9.10 (Verdieping) Omgevingsvisie Gelderland (december 2016). Bij uitbreiding van de oppervlakte van een agrarisch bouwperceel met een grondgebonden veehouderijtak is voorgaande niet van toepassing.

2. In afwijking van het eerste lid kan per niet-grondgebonden veehouderijtak elke vijf jaar eenmaal een uitbreiding van de oppervlakte van het agrarische bouwperceel van 500 m2 of minder worden mogelijk gemaakt zonder dat toepassing wordt gegeven aan de beleidsregels die door de gemeenteraad zijn vastgesteld in overeenstemming met paragraaf 3.9.10 (Verdieping) Omgevingsvisie Gelderland (december 2016)

3. Bestemmingsplannen dienen in elk geval in overeenstemming met dit artikel te zijn gebracht op 1 januari 2027.

4. In afwijking van het derde lid dienen bestemmingsplannen die voor 1 januari 2007 zijn vastgesteld, in overeenstemming met dit artikel te zijn gebracht op 1 april 2019.

5. Het bepaalde in artikel 8.2.2, eerste en tweede lid, aanhef en onder a is op dit artikel van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder bestaande rechten niet wordt verstaan een ontwerp van een bestemmingsplan dat voor de inwerkingtreding van dit artikel ter inzage is gelegd en dat leidt tot een uitbreiding van de totale oppervlakte van een agrarisch bouwperceel van meer dan 1,5 hectare.

6. Onder bestaande rechten als bedoeld in artikel 8.2.2, tweede lid aanhef en onder a wordt ook verstaan een ontwerp-bestemmingsplan dat dient ter vervanging van een bestemmingsplan dat voor de inwerkingtreding van deze bepaling door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is vernietigd en na die datum nog niet ter inzage is gelegd, voor zover dit ontwerp-bestemmingsplan voorziet in agrarische bouwpercelen kleiner dan 1,5 hectare.

Artikel 2.5.4.2 Uitbreiding niet-grondgebonden veehouderijtak (oud)

In bestemmingsplannen die betrekking hebben op één of meer verwevingsgebieden kan aan een agrarisch bedrijf ten behoeve van de niet-grondgebonden veehouderijtak een agrarisch bouwperceel worden toegekend van ten hoogste 1,0 hectare.

Artikel 2.9.1. Ontheffing wegens bijzondere omstandigheden

Gedeputeerde Staten kunnen op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in dit hoofdstuk voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen.