Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2024

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
02-05-2018
Zaaknummer
C/05/333860/ KG RK 18-191
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

De klachten van verzoeker zijn in wezen gericht tegen de beslissing van de rechters dat de vrouw nog mocht reageren op de akte van verzoeker, en dat verzoeker daarop vervolgens niet meer mocht reageren. De juistheid van die (rol)beslissing kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de rechters bij het geven van deze beslissing vooringenomen waren tegen verzoeker of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond, heeft verzoeker verder niet aangevoerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Wrakingskamer

zaaknummer: C/05/333860 / KG RK 18-191

Beschikking van 5 april 2018

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van

[verzoeker], wonende te [adres verzoeker]

hierna te noemen: verzoeker,

strekkende tot de wraking van

mr. M.J.C. van Leeuwen,

mr. M. van der Linde,

mr. A.M. van Riemsdijk,

rechters in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechters.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het schriftelijke wrakingsverzoek van 20 februari 2018

  • -

    het schriftelijke verweer van de rechters van 2 maart 2018

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 22 maart 2018.

Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:

- verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman mr. H. Durdu, advocaat te Rotterdam

- de rechter mr. M.J.C. van Leeuwen namens de gewraakte combinatie.

2 Het wrakingsverzoek

2.1

Het verzoek tot wraking strekt tot wraking van de rechters, als meervoudige combinatie in de (familierechtelijke) zaak met nummer C/5/282784 FA RK 15/277 tussen verzoeker en [naam 1] (hierna: de vrouw). Op de zitting van 15 december 2017 was afgesproken dat er nog een schriftelijke ronde zou plaatsvinden, waarbij de vrouw nog een akte mocht nemen en verzoeker daarop bij akte mocht reageren. De vrouw heeft een akte met producties genomen en verzoeker heeft daarop met een akte met producties gereageerd. Na het indienen van de akte van verzoeker heeft de vrouw de rechtbank verzocht om deze producties buiten beschouwing te laten dan wel toe te staan dat zij daarop nog kon reageren. Verzoeker heeft bij brief van 9 februari 2018 zich hiertegen verzet.

2.2

Verzoeker heeft volgens het schriftelijke wrakingsverzoek, zoals toegelicht tijdens de mondelinge behandeling, het volgende aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Op 20 februari 2018 is hem door de rechtbank telefonisch medegedeeld dat de vrouw de gelegenheid zou krijgen om schriftelijk te reageren op de akte van de verzoeker en dat verzoeker vervolgens geen recht meer heeft om daarop te reageren. De (raadsman van) verzoeker heeft aangevoerd dat hij die handelwijze van de rechtbank onbegrijpelijk vindt, dat het in strijd is met het beginsel van hoor en wederhoor, en in strijd met de goede procesorde.

2.1

De rechters hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben verweer

gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.

3 De beoordeling

3.1

Wraking van een rechter is slechts mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan kan sprake zijn indien de rechter jegens een partij vooringenomen is of indien de vrees van een partij daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Bij de beoordeling daarvan moet voorop staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat bij die partij dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (HR 24 oktober 1995 NJ 1996,484). Uit de artikelen 36 en 37 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) en het vermoeden van onpartijdigheid volgt dat de verzoeker concrete feiten en omstandigheden moet aanvoeren waaruit objectief afgeleid moet worden dat de rechter jegens een partij vooringenomen is of de vrees van een partij dat dat zo is objectief gerechtvaardigd is. Met inachtneming hiervan overweegt de rechtbank het volgende.

3.2

De klachten van verzoeker zijn in wezen gericht tegen de beslissing van de rechters dat de vrouw nog mocht reageren op de akte van verzoeker, en dat verzoeker daarop vervolgens niet meer mocht reageren. De juistheid van die (rol)beslissing kan op zichzelf niet door middel van een wrakingsverzoek aan de orde worden gesteld. Dat kan alleen door een rechtsmiddel, zoals verzet of hoger beroep, tegen de beslissing aan te wenden. Concrete feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de rechters bij het geven van deze beslissing vooringenomen waren tegen verzoeker of objectief gerechtvaardigde vrees daarvoor bestond, heeft verzoeker verder niet aangevoerd. Uit het enkele feit dat de rechters in het nadeel van verzoeker hebben beslist kan de rechtbank dat niet opmaken dan wel afleiden. Daarom moet het verzoek worden afgewezen.

Daarbij merkt de rechtbank nog op dat de rechters, bij monde van mr. Van Leeuwen tijdens de mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek, hebben toegelicht dat het in de civiele praktijk volstrekt gebruikelijk is dat na de ontvangst van (een akte met) nieuwe producties, de andere procespartij op die producties mag reageren. De Hoge Raad schrijft dit ook zo voor. Er is normaal gesproken geen reden om de andere partij dan weer te laten reageren op de reactie op díe producties. Voor zover nieuwe producties worden overgelegd, is dit natuurlijk weer anders. Ook kan een nadere stelling om een reactie vragen en daartoe kan waar nodig dan weer gelegenheid worden geboden. Daarom moet het verzoek worden afgewezen.

3.4

Ter zitting heeft verzoeker nog gewezen op het feit dat uit het roljournaal volgt dat de akte van de vrouw, nog nadat hij het wrakingsverzoek had ingediend, door de rechtbank is ontvangen en behouden. Dit kan volgens hem niet omdat de behandeling van de zaak is geschorst, de griffie had de akte van de vrouw moeten retourneren. De rechtbank merkt hierover op dat die akte is binnengekomen bij de wrakingskamer zodat de gewraakte combinatie hiervan geen kennis heeft kunnen nemen.

4 De beslissing

De rechtbank

wijst het verzoek tot wraking af.

Deze beschikking is gegeven door de mrs. H.P.M. Kester, A.M.F. Geerling en E. de Boer in tegenwoordigheid van de griffier [naam griffier] en in openbaar uitgesproken op

5 april 2018.

- de griffier de voorzitter

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.