Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:2008

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
01-05-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
05/720170-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een werkstraf van 240 uren, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en de maatregelen van een contact- en locatieverbod wegens afdreigen en het pogen tot afdreigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/720170-17

Datum uitspraak : 1 mei 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1976 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] .

Raadsman: mr. O.J. Ingwersen, advocaat te Arnhem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 april 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na een door de rechtbank toegewezen vordering wijziging tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2017

tot en met 26 januari 2017 te Arnhem, althans in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met

smaad, smaadschrift en/of openbaarmaking van (een) geheim(en), [slachtoffer]

heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van in totaal 400 euro), in

elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] ,

althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, immers heeft hij, verdachte, aan die [slachtoffer] medegedeeld dat hij, al dan niet via Facebook, aan

vriend(en), familie en/of (andere) bekenden van die [slachtoffer] bekend zou

maken dat [slachtoffer] homoseksueel is en/of op de homodatingsite [naam] zit en/of seksuele afspraken maakt met (jonge) mannen, wanneer hij hem, verdachte, genoemd geldbedrag niet zou geven;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 januari

2017 tot en met 2 februari 2017 te Arnhem, althans (in ieder geval) op of

omstreeks 2 februari 2017 te Arnhem, althans in Nederland, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk

om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift

en/of openbaarmaking van (een) geheim(en), [slachtoffer] te dwingen tot afgifte

van een geldbedrag (van in totaal 900 euro), in elk geval van enig goed,

geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , althans aan een ander of

anderen dan aan verdachte, aan die [slachtoffer] heeft medegedeeld dat hij, al dan niet via Facebook, aan vriend(en), familie en/of

(andere) bekenden van die [slachtoffer] bekend zou maken dat [slachtoffer]

homoseksueel is en/of op de homodatingsite [naam] zit en/of seksuele afspraken maakt met (jonge) mannen, wanneer hij

hem, verdachte, genoemd geldbedrag niet zou geven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. Het onderdeel smaad/smaadschrift kan niet bewezen worden en verdachte dient daarvan te worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de bewezenverklaring.

Beoordeling door de rechtbank

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1 en 2:

- het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 77-80;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 april 2018.

Op grond hiervan acht de rechtbank het onder 1 en 2 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen. Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de onderdelen smaad/smaadschrift niet bewezen kunnen worden. Zij zal verdachte daarvan dan ook vrijspreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2017 tot en met

26 januari 2017 te Arnhem, althans in Nederland, (telkens) met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaarmaking van (een) geheim(en), [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een geldbedrag (van in totaal 400 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die

[slachtoffer] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, immers heeft hij, verdachte, aan die [slachtoffer] medegedeeld dat hij, al dan niet via Facebook, aan vriend(en), familie en/of (andere) bekenden van die [slachtoffer] bekend zou maken dat [slachtoffer] homoseksueel is en/of op de homodatingsite [naam] zit en/of seksuele afspraken maakt met (jonge) mannen, wanneer hij hem, verdachte, genoemd geldbedrag niet zou geven;

2.

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 26 januari 2017 tot en met

2 februari 2017 te Arnhem, althans (in ieder geval) op of omstreeks 2 februari 2017 te Arnhem, althans in Nederland, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met smaad, smaadschrift en/of openbaarmaking van (een) geheim(en), [slachtoffer] te dwingen tot afgifte

van een geldbedrag (van in totaal 900 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer] , althans aan een ander of anderen dan aan verdachte, aan die [slachtoffer] heeft medegedeeld dat hij, al dan niet via Facebook, aan vriend(en), familie en/of

(andere) bekenden van die [slachtoffer] bekend zou maken dat [slachtoffer] homoseksueel is en/of op de homodatingsite [naam] zit en/of seksuele afspraken maakt met (jonge) mannen, wanneer hij hem, verdachte, genoemd geldbedrag niet zou geven, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Afdreiging, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Poging tot afdreiging.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld het verrichten van een werkstraf voor de duur van 240 uren en tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en met een proeftijd van 2 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel dienen de bijzondere voorwaarden te worden verbonden zoals door de reclassering geadviseerd. Daarnaast dienen daaraan als bijzondere voorwaarden te worden verbonden een (direct en indirect) contactverbod ten aanzien van aangever en personen die in diens nabije omgeving verkeren en een locatieverbod voor wat betreft het [adres 2] en de [adres 3] . De officier van justitie heeft tevens de dadelijke uitvoerbaarheid van laatstgenoemde voorwaarden gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om niet een werkstraf van maximale duur op te leggen en om rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 16 maart 2018;

- een voorlichtingsrapportage van IrisZorg, gedateerd 27 maart 2018.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afdreiging en een poging tot afdreiging. Verdachte heeft gedreigd aan vrienden, familie en andere bekenden van aangever kenbaar te maken dat laatstgenoemde homoseksueel is, op een homodatingwebsite zit en afspraken maakt met jonge mannen. Om bekendmaking van deze informatie te voorkomen, diende aangever over te gaan tot de betaling van geldbedragen. Dat dergelijke dreigementen het leven en de relaties van de slachtoffers ernstig onder druk kunnen zetten, blijkt ook in dit geval. In de aangifte beschrijft aangever dat hij bang was dat verdachte de dreigementen zou uitvoeren en geeft hij aan dat hij op enig moment “knettergek” werd en dagen niet heeft kunnen slapen. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij aangever in deze situatie heeft gebracht en dat hij financieel gewin heeft willen halen uit misbruik van voor aangever gevoelige informatie over zijn seksuele geaardheid en hierbij geen rekening heeft gehouden met wat dit voor aangever betekende. Ook vindt de rechtbank het kwalijk dat verdachte, op het moment dat de datum van de terechtzitting bekend was, aangever meermalen heeft gebeld, ook op het nummer van zijn optiekzaak, en op niet mis te verstane wijze kenbaar heeft gemaakt niet blij te zijn met de aanstaande terechtzitting en zelfs nog heeft gedreigd via Facebook vrienden en klanten van aangever op de hoogte te stellen van de terechtzitting.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met het strafblad van verdachte, waaruit zij opmaakt dat verdachte niet eerder wegens soortgelijke feiten is veroordeeld.

In het rapport van IrisZorg is beschreven dat de psychische problematiek van verdachte en zijn middelengebruik een rol lijken te spelen bij het delictgedrag. Verder is er geen sprake van een gestructureerde dagbesteding. Verdachte heeft eerder een reclasseringstoezicht gehad en dat heeft destijds geleid tot enige verbetering. Om de kans op recidive verder te verminderen lijkt een traject binnen een juridisch kader wenselijk. Geadviseerd wordt een deels voorwaardelijke straf op te leggen waaraan de bijzondere voorwaarden worden verbonden van een meldplicht, een ambulante behandeling bij IrisZorg (met de mogelijkheid tot een kortdurende opname) en een ambulante behandeling bij Kairos.

De rechtbank neemt voornoemd advies over.

Alles afwegende acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, met daaraan verbonden de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geadviseerd, met een proeftijd van 3 jaren passend en geboden. Zij zal daarbij een contactverbod met aangever en een locatieverbod voor het hierna te noemen gebied opleggen in de vorm van een maatregel in de zin van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. De vervangende hechtenis bepaalt de rechtbank op zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan. Nu niet is voldaan aan de criteria zoals genoemd in artikel 38v, vierde lid, Sr, zal de rechtbank niet overgaan tot het bevelen van de dadelijke uitvoerbaarheid van die maatregel.

Beslag

Met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat, nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, de teruggave dient te worden gelast aan verdachte van de in beslag genomen telefoon en aan de rechthebbende van het in beslag genomen biljet van € 50,-.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de bewezen verklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 1.900,-, bestaande uit € 400,- aan materiële schade en € 1.500,- aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 1.150,-, bestaande uit € 400,- aan materiële schade en € 750,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht om de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen tot een bedrag van € 800,-, bestaande uit € 400,- aan materiële schade en € 400,- aan immateriële schade, nu de gevorderde immateriële schade niet is onderbouwd.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde schade heeft geleden, als na te melden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

Ten aanzien van de materiële schade zijn de opgevoerde schadeposten voldoende onderbouwd, aannemelijk en niet betwist. De rechtbank zal daarom de vordering toewijzen tot het gevorderde bedrag van € 400,-.

Naar het oordeel van de rechtbank kan worden aangenomen dat de benadeelde partij door het bewezen verklaarde handelen van verdachte immateriële schade heeft geleden. De verdediging heeft dit ook niet betwist. In de omstandigheid dat de benadeelde partij de vordering niet nader heeft onderbouwd, ziet de rechtbank aanleiding het gevraagde bedrag te matigen. De rechtbank acht een bedrag van € 400,- redelijk en billijk en zal de vordering in zoverre toewijzen.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 1 januari 2017.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 45 en 318 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdenveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

 bepaalt, dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald:

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich uiterlijk binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis telefonisch zal melden bij IrisZorg Reclassering Arnhem (telefoonnummer 088-6061311) en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij de reclassering, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht en zich zal houden aan de aanwijzingen en afspraken die de reclassering nodig acht, waarbij huisbezoeken en urinecontroles deel kunnen uitmaken van het reclasseringstoezicht;

- indien de reclassering het nodig acht, zal meewerken aan behandeling voor middelenproblematiek bij (forensische) verslavingszorg IrisZorg, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven, ook indien dit inhoudt een kortdurende klinische opname - in het eerste jaar van de proeftijd - ten behoeve van crisis, detoxificatie, stabilisatie, observatie en/of diagnostiek voor de duur van maximaal zeven weken;

- indien de reclassering het nodig acht, zal meewerken aan behandeling bij (forensische) psychiatrie Kairos, of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij de veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

- Geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden (artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).

 Legt op de maatregel dat de veroordeelde gedurende een periode van drie jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum 2] , wonende aan de [adres 3]
, en de personen die zich in diens nabije omgeving bevinden (familie, vrienden en personeel).

  • -

    Legt op de maatregel dat de veroordeelde gedurende een periode van drie jaren zich niet zal ophouden binnen een straal van 500 van de woning gelegen aan de [adres 3] , en binnen een straal van 500 van het pand gelegen aan het [adres 2] .

  • -

    Met betrekking tot beide maatregelen:

  • -

    Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van de vervangende hechtenis bedraagt zeven dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.

 Bepaalt dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet opheft.

Beslag

  • -

    De rechtbank gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan veroordeelde, te weten: een mobiele telefoon;

  • -

    De rechtbank gelast de teruggave van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp aan de rechthebbende, te weten: een bankbiljet van € 50,-.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] :

  • -

    veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij
    [slachtoffer], ten bedrage van € 800,- (achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 800,- (achthonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 januari 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 16 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.A.M. van Hoof (voorzitter), mr. L.C.P. Goossens en
mr. E. Stevens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Blankenspoor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 mei 2018.

Mr. L.C.P. Goossens en mr. E. Stevens zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Midden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017052549, gesloten op 6 mei 2017, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.