Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1928

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-04-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2594
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bijstand ingetrokken en teruggevorderd. Inlichtingenverplichting geschonden. Weigering huisbezoek niet aannemelijk. Eisers bijstand is ingetrokken en teruggevorderd. De rechtbank is van oordeel dat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden omdat eiser niet tijdig heeft gemeld dat hij (zonder toestemming) is begonnen met zijn eigen bedrijf. Dat verweerder het recht op bijstand niet kon vaststellen, volgt de rechtbank echter niet. Verweerder heeft het onderzoek naar eisers inkomen – en de daarmee samenhangende vraag of eiser recht had op aanvullende bijstand – stopgezet omdat eiser volgens verweerder heeft geweigerd mee te werken aan een huisbezoek. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser heeft geweigerd om mee te werken aan het huisbezoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/2594

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 april 2018

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. B. van Nimwegen),

en

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke Sociale Dienst Veluwerand te Harderwijk, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder eisers recht op bijstand ingetrokken met ingang van 17 september 2015.

Bij besluit van 1 september 2016 (het primaire besluit II) heeft verweerder de ontvangen bijstand, inkomenstoeslag en de maatschappelijke bijdrageregeling tot een bedrag van

€ 10.675,58 over de periode van 17 september 2016 tot en met 30 juni 2016 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 3 oktober 2016 (het primaire besluit III) heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 7.320,-.

Bij besluit van 23 maart 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het primaire besluit II heeft verweerder gegrond verklaard met dien verstande dat het terugvorderingsbedrag is verlaagd naar € 10.495,58. Tevens is het bezwaar tegen het primaire besluit III gegrond verklaard en is bepaald dat geen boete wordt opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 december 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M. Brands.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde twee toezichthouders, de heer R.J. Nienhuis en mevrouw F.Taytak, in een tweede zitting als getuigen te horen. Ook is verweerder in de gelegenheid gesteld om het schriftelijke hersteltermijn in te dienen.

Het beroep is vervolgens op de zitting van 23 maart 2018 behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door P.M. Brands. F. Taytak is gehoord als getuige. R.J. Nienhuis heeft de rechtbank bericht dat hij niet in staat was om als getuige te worden gehoord. Nadat de getuigen waren gehoord heeft de rechtbank het onderzoek met instemming van partijen gesloten.

Overwegingen

1.1.

Eiser ontving sinds 3 januari 2014 bijstand naar de norm van een alleenstaande. Omdat eiser een webwinkel wilde starten als zelfstandige, heeft hij op 28 mei 2015 een informatief gesprek gehad met een klantmanager. Uit het rapport van 28 mei 2015 blijkt dat de klantmanager na dat gesprek heeft geconcludeerd dat zij niet beschikte over de gegevens om de levensvatbaarheid van het bedrijf van eiser te beoordelen. Eiser heeft vervolgens in april 2016 een mededeling gedaan dat zijn website klaar was. Hij heeft dit op 8 juni 2016 ook via een wijzigingsformulier aan verweerder heeft doorgegeven. Verweerder heeft daarna onderzoek ingesteld.

1.2.

Bij het onderzoek is naar voren gekomen dat sinds 17 september 2015 twee bedrijven zijn ingeschreven bij de Kamer van Koophandel (KvK) op het woonadres van eiser, te weten [Bedrijf] . Verder is vastgesteld dat eiser een website [Bedrijf] beheert. Via deze website kan parfum gekocht worden. Verweerder heeft op 16 juni 2016 bankafschriften van alle bank- giro- en spaarrekening van eiser opgevraagd. Eiser heeft de gevraagde gegevens overgelegd. Daaruit is gebleken dat eiser een zakelijke rekening heeft. Op de bankafschriften van die rekening zijn enkele stortingen, betalingen en ontvangsten zichtbaar.

1.3.

Vervolgens heeft verweerder eiser uitgenodigd voor een gesprek op 27 juni 2016. Eiser is verzocht om nadere bewijsstukken te overleggen. Tijdens het gesprek heeft eiser aanvullende gegevens overgelegd, waaronder een overzicht van in- en uitgaven, stukken van de zakelijke rekening en de privérekening en losse nota’s met privégegevens van bestellingen.

1.4.

Verweerder heeft eiser vervolgens uitgenodigd voor een afspraak op 4 juli 2016. Eiser is verzocht om de inloggegevens van zijn website naar die afspraak mee te nemen. Op 4 juli 2016 is eiser verschenen. Tijdens het gesprek is het niet gelukt om op de website van eiser in te loggen, waarop eiser heeft aangegeven dat dit bij hem thuis wel zou kunnen. Aansluitend aan het gesprek zou bij eiser een huisbezoek afgelegd worden. Eiser heeft daarmee ingestemd.

1.5.

Medewerkers van verweerder, de heer Nienhuis en mevrouw Taytak, zijn daarop naar de woning van eiser gegaan waarna zij zijn binnengelaten door eiser. Zij hebben aan eiser een toestemmingsformulier voor het huisbezoek voorgelegd ter ondertekening. Eiser heeft dit toestemmingsformulier niet getekend. Het huisbezoek heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden.

2. Verweerder heeft de bijstand van eiser ingetrokken en teruggevorderd omdat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden. Eiser is zonder toestemming gestart met zijn onderneming. Hij heeft niet gemeld dat zijn bedrijf was ingeschreven bij de KvK en dat hij een zakelijke rekening heeft geopend. Verweerder heeft vervolgens bij eiser een huisbezoek willen afleggen om de omvang van eisers recht op bijstand vast te kunnen stellen. Eiser heeft volgens verweerder geweigerd om zijn medewerking aan dat huisbezoek te verlenen. Hierdoor is verweerder niet in staat gesteld om vast te stellen of eiser recht had op aanvullende bijstand.

3. Eiser stelt dat hij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden omdat hij toestemming had om met zijn bedrijf te beginnen. Deze toestemming is tijdens het gesprek op 28 mei 2015 mondeling gegeven. Hij mocht met zijn bedrijf starten als hij aan twee voorwaarden zou voldoen. Eiser is met die voorwaarden akkoord gegaan. Bovendien blijkt de toestemming uit de e-mails die eiser heeft ingediend. Uit die e-mails volgt namelijk dat eiser continu contact heeft gehad met de twee medewerkers van verweerder en dat dus over zijn bedrijf is gesproken op hoog niveau. De inschrijving bij de KvK en de zakelijke bankrekening zijn alleen voorbereidingshandelingen. Vanaf dat moment is hij nog niet met zijn bedrijf begonnen. Eiser heeft pas in maart 2016 feitelijk zijn eerste inkomsten ontvangen. Hoe dan ook was hij pas vanaf dat moment gehouden om melding te maken van zijn werkzaamheden.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

5. De rechtbank is van oordeel dat eiser de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van zijn werkzaamheden als zelfstandig ondernemer. Dat eiser toestemming heeft gekregen om te starten met zijn bedrijf heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Dit blijkt niet uit de e-mails die eiser heeft ingediend. Eiser had moeten melden dat hij zijn bedrijf op 17 september 2015 had ingeschreven bij de KvK, dat hij een zakelijke rekening had geopend en dat hij de website [Bedrijf] beheerde. Dit zijn activiteiten die van belang zijn voor het recht op bijstand. Dat hierbij in de visie van eiser alleen sprake is geweest van voorbereidingshandelingen maakt dit niet anders. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) is het verrichten van op geld waardeerbare activiteiten een omstandigheid die voor het recht op bijstand van belang kan zijn, ongeacht de intentie waarmee die werkzaamheden worden verricht en ongeacht of uit die werkzaamheden daadwerkelijk inkomsten worden genoten. Verder is van belang dat een inschrijving bij de KvK voor de bijstandsverlening relevant is. Uit vaste rechtspraak volgt dat uit een inschrijving bij de KvK moet worden afgeleid dat de betrokkene het oogmerk heeft om zich als zelfstandige te vestigen en daarmee inkomsten te verwerven.1

6. Schending van de inlichtingenplicht vormt een rechtsgrond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in hoeverre, eiser verkeerde in bijstandbehoevende omstandigheden. Verweerder was daarom in beginsel gerechtigd de bijstand van eiser met ingang van 17 september 2015 in te trekken. Het is dan aan betrokkene om aannemelijk te maken dat hij, indien hij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de desbetreffende periode recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.

7. Eiser betoogt subsidiair dat hij recht had op (aanvullende) bijstand omdat hij lagere inkomsten heeft gehad dan de toepasselijke bijstandsnorm. Eiser was bereid om alle benodigde gegevens te overleggen en mee te werken aan het huisbezoek. Hij is hiertoe echter niet in staat gesteld door de toezichthouders, Nienhuis en Taytak.

8. Verweerder stelt dat eiser heeft geweigerd om mee te werken aan het huisbezoek. Ook nadat hem een hersteltermijn was gegeven, heeft hij daaraan niet mee willen werken. Het huisbezoek was bedoeld om gegevens over de omvang van eisers bedrijf en verdiensten vast te kunnen stellen. Nu geen huisbezoek heeft plaatsgevonden, heeft verweerder het recht op bijstand niet vast kunnen stellen.

9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser heeft geweigerd om mee te werken aan het huisbezoek. Volgens eiser heeft hij Nienhuis en Taytak in zijn woning binnengelaten voor het huisbezoek. Hij wilde het toestemmingsformulier eerst lezen voordat hij dit zou ondertekenen en het huisbezoek kon aanvangen. Nienhuis en Taytak vonden het echter te lang duren waarop zij zeiden dat zij weggingen. Ondanks dat eiser toen zei dat hij alsnog wilde tekenen, hebben Nienhuis en Taytak de woning verlaten. Eiser is achter hen aangegaan en heeft op straat bij hun auto nog een keer gezegd dat hij wilde meewerken. Eiser kreeg toen te horen dat het te laat was. Desgevraagd heeft Taytak tijdens de zitting op 23 maart 2017 onder ede verklaard dat zij zich niet meer kan herinneren of eiser daadwerkelijk heeft geweigerd om het toestemmingsformulier te ondertekenen. Verder heeft Taytak verklaard dat zij zich niet meer kan herinneren of aan eiser een hersteltermijn is gegeven van vijf minuten en of eiser is gewezen op de consequenties als hij niet zou meewerken. Taytak heeft bevestigd dat eiser hen achterna is gekomen en op straat heeft gezegd dat hij wilde meewerken aan het huisbezoek. Nu uit de verklaring van Taytak niet blijkt dat eiser heeft geweigerd om mee te werken aan het huisbezoek, kan aan het toestemmingsformulier geen waarde worden toegekend. Op dit formulier is ingevuld dat eiser heeft geweigerd om het formulier te tekenen. Ook omdat op het formulier is vermeld dat aan eiser een schriftelijke hersteltermijn is geboden, terwijl verweerder dit document niet heeft kunnen overleggen, kan aan het formulier geen waarde worden toegekend.

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het bestreden besluit met onvoldoende zorg heeft voorbereid. Verweerder heeft het onderzoek naar eisers inkomsten - en de hiermee samenhangende vraag of eiser recht had op aanvullende bijstand - stopgezet terwijl eiser daaraan zijn medewerking wilde verlenen. Onder die omstandigheid heeft verweerder niet mogen concluderen dat het recht op bijstand niet was vast te stellen. Het bestreden besluit kan dan ook geen standhouden wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

11. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit, voor zover het niet ziet op het primaire besluit III, vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien omdat verweerder moet onderzoeken of eiser recht heeft op (aanvullende) bijstand. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Verweerder zal eiser daarbij in de gelegenheid moeten stellen om alle gegevens te overleggen die verweerder nodig heeft voor het vaststellen van het recht op bijstand vanaf 17 september 2015.

12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht rechtsbijstand vast op € 1.318,46. Dat bedrag bestaat uit € 1.252,50 voor de door een derde beroepsmatig verleende (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor een nadere zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor van 1), en € 65,96 voor de door eiser gemaakte reiskosten. Tevens zal verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht dienen te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover dit niet ziet op het primaire besluit III;

- draagt verweerder op om, met inachtneming van deze uitspraak, binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.318,46;

- gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van € 46,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. K. Looijschilder, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 26 april 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 24 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3646 en van 6 juni 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:2129.