Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1919

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5412
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Pw. Verweerder heeft ten onrechte de kostendelersnorm toegepast. Verweerder heeft zich met name gebaseerd op de verklaring van eiseres. De rechtbank is van oordeel dat eiseres in dit geval niet kan worden gehouden aan de verklaring zoals deze in het rapport is weergegeven en die door eiseres is betwist. De verklaring is niet ondertekend, uit het rapport blijkt de vraagstelling niet en niet is komen vast te staan dat de antwoorden aan eiseres zijn voorgelezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/5412

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 april 2018

in de zaak tussen

[eiseres] eiseres

(gemachtigde: mr. J.M.A.P. van Pul),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen te Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij vanaf 1 januari 2017 recht heeft op een uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) gebaseerd op 50% van de norm voor gehuwden en samenwonenden.

Bij besluit van 4 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit herroepen en heeft bepaald dat eiseres over de periode van 1 januari tot en met 24 april 2017 recht heeft op een uitkering gebaseerd op de norm voor een alleenstaande, met toepassing van de kostendelersnorm.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.H. Leenders en M. Zenan.

Overwegingen

1.1.

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. Eiseres ontvangt vanaf 30 december 2013 bijstand, berekend naar de norm van een alleenstaande. Naar aanleiding van een anonieme tip heeft verweerder begin 2017 onderzoek gedaan naar de woon- en leefsituatie van eiseres.

1.2.

Verweerder heeft tussen 2 en 16 februari 2017 negen waarnemingen gedaan bij de woning van eiseres. Op 23 februari 2017 is een onaangekondigd huisbezoek afgelegd door M. Zenan en R. van de Kroft, handhaver en toezichthouder sociale zekerheid van verweerder. Vervolgens heeft op 22 maart 2017 een gesprek plaatsgevonden tussen eiseres en Zenan en Van de Kroft. Ook heeft verweerder dossieronderzoek verricht.


2. Verweerder heeft aanvankelijk op basis van het onderzoek geconcludeerd dat eiseres vanaf 1 januari 2017 een gezamenlijke huishouding voert met de heer [naam] . Verweerder heeft het recht op bijstand van eiseres daarom per 1 januari 2017 herzien naar 50% van de norm voor gehuwden en samenwonenden. In bezwaar heeft verweerder het standpunt gewijzigd en heeft verweerder geconcludeerd dat [naam] vanaf 1 januari 2017 tot en met 24 april 2017 het hoofdverblijf heeft in de woning van eiseres. Verweerder heeft daarom over deze periode de kostendelersnorm toegepast op de uitkering van eiseres.

3.1.

Eiseres voert aan dat [naam] niet vanaf 1 januari 2017 het hoofdverblijf heeft gehad in haar woning. Eiseres betwist de weergave van het gesprek met Zenan en Van de Kroft zoals deze in het rapport staat. Eiseres voert aan dat zij de verklaring niet te lezen heeft gekregen en zij stelt dat zij deze ook niet ondertekend heeft. Volgens eiseres kan verweerder haar dan ook niet houden aan de weergave van het gesprek. Eiseres stelt dat zij [naam] in overleg met COA tijdelijk heeft opgevangen na een incident in het asielzoekerscentrum in Delfzijl. Volgens eiseres verbleef [naam] niet 5 a 6 dagen per week bij haar, maar is het slechts een paar keer voorgekomen dat hij wat langer bij haar logeerde. [naam] had volgens eiseres geen huissleutel. Hij verbleef volgens eiseres niet het merendeel van de nachten bij haar, hij sliep ook bij zijn tante en vriend.

3.2.

In reactie op deze beroepsgrond stelt verweerder dat met name uit het huisbezoek en de eigen verklaringen van eiseres, en in mindere mate ook uit het hogere waterverbruik en de waarnemingen blijkt dat [naam] het hoofdverblijf in de woning van eiseres had. Hoewel verweerder erkent dat een door eiseres getekende verklaring ontbreekt in het dossier, stelt verweerder dat ervan mag worden uitgegaan dat de weergave in het rapport juist is. Verweerder wijst er daarbij op dat eiseres haar verklaringen later ook nog heeft gewijzigd.

3.4.

Bij de zitting is door verweerder een toelichting gegeven op de werkwijze bij het opnemen van verklaringen. Verweerder heeft toegelicht dat er vanaf januari 2017 digitaal wordt gewerkt met tablets. Iedere vraag wordt herhaald en voorgelezen vanaf de tablet en pas als de ondervraagde akkoord is gaat men verder naar de volgende vraag. Een verklaring die op locatie is afgelegd wordt ten slotte op de tablet ondertekend. Voor wat betreft de verklaring die op kantoor bij verweerder is afgelegd heeft verweerder toegelicht dat een dergelijk gesprek dit meer in gespreksvorm gaat en veel langer duurt. Het gesprek van eiseres duurde ongeveer twee uur. In zo’n gesprek wordt door verweerder steeds samengevat wat is verklaard, dit wordt op de computer ingevoerd en weer hardop voorgelezen. Tenslotte wordt het gespreksverslag uitgeprint en ondertekend.

3.5.

Eiseres heeft bij de zitting desgevraagd betwist dat de verklaringen haar zijn voorgelezen, door haar akkoord zijn bevonden en dat zij deze ondertekend heeft. Zij stelt dat zij alleen een handtekening heeft gezet op het formulier voor het huisbezoek.

3.6.

De beroepsgrond van eiseres slaagt. Omdat de herziening van de bijstand een belastend besluit is voor eiseres is het aan verweerder om de nodige kennis over de relevante feiten te verzamelen. De bewijslast met betrekking tot de vaststelling dat [naam] vanaf 1 januari 2017 het hoofdverblijf had in de woning van eiseres waardoor de kostendelersnorm moet worden toegepast, rust dus op verweerder. Verweerder is hier naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd. Het bewijs berust voornamelijk op de verklaring van eiseres. In de overige onderzoeksbevindingen ziet de rechtbank geen bevestiging voor het aannemen dat [naam] het hoofdverblijf had in de woning van eiseres. Voor de verklaring van eiseres geldt dat het vaste rechtspraak is dat in het algemeen van de juistheid van een aanvankelijk afgelegde verklaring mag worden uitgegaan.1 De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres in dit geval niet aan de verklaring zoals deze in het rapport is opgenomen kan worden gehouden. Daarbij is allereerst van belang dat de verklaring niet is ondertekend door eiseres. Ook is niet vast te stellen dat de antwoorden van eiseres daadwerkelijk aan haar zijn voorgelezen. Daarnaast blijkt uit de weergave in het rapport de vraagstelling niet. Hierdoor is niet vast te stellen wat de rapporteurs precies aan eiseres hebben gevraagd over het verblijf van [naam] en wat eiseres daarop exact heeft geantwoord. Ook kan niet beoordeeld worden of de vraagstelling suggestief is geweest. Eiseres heeft in bezwaar en beroep betwist dat zij heeft verklaard dat [naam] vanaf 1 januari 2017 5 a 6 dagen per week bij haar verbleef en dat hij over een huissleutel beschikte. Dat het standpunt van eiseres in bezwaar en beroep niet volledig overeenkomt, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder zich alsnog heeft mogen baseren op de weergave van de verklaringen in het rapport. De bewijslast rust zoals gezegd op verweerder. Dat verweerder er voor gekozen heeft om geen verder onderzoek te doen – bijvoorbeeld door vragen te stellen aan [naam] , een buurtonderzoek te doen of navraag te doen bij het COA – komt voor rekening en risico van verweerder.

4. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien, door het primaire besluit te herroepen. Dit betekent dat eiseres over de periode van 1 januari 2017 tot en met 24 april 2017 alsnog recht heeft op bijstand naar de norm van een alleenstaande, zonder toepassing van de kostendelersnorm.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, dient verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht te vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder ook in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen bij de zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). Verweerder heeft de proceskosten die eiseres in bezwaar heeft gemaakt al bij het bestreden besluit vergoed, zodat deze kosten in beroep niet nogmaals voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit en bepaalt dat aan eiseres over de periode van 1 januari 2017 tot en met 24 april 2017 bijstand wordt verleend naar de norm van een alleenstaande;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 46,- aan haar te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kool, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 25 april 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Bijvoorbeeld de uitspraak van 26 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV2512.