Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1859

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
11-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
C/05/320770/HA ZA 17-266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Vordering tot uitkering van verzekeringspenningen, nadat auto is gestolen en maanden later door brand verloren is gegaan.

Kernbeding of algemene voorwaarde? Wat zijn partijen overeengekomen? Welk bedrag moet worden uitgekeerd?

Betaling van de daadwerkelijk gemaakte proceskosten?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/320770 / HA ZA 17-266 / 420 / 538

Vonnis van 11 april 2018

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te Alphen aan den Rijn,

eiser,

advocaat mr. J. van de Graaf te Alphen aan den Rijn,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. S. Odijk te Zwolle.

Partijen zullen hierna [eiser] en Achmea genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de akte aanvulling van Achmea ingekomen op 6 november 2017

  • -

    de akte houdende overlegging producties en wijziging en vermeerdering van eis van [eiser] met als roldatum 17 november 2017

  • -

    de antwoordakte van Achmea met als roldatum 17 november 2017

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 17 november 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Bij de stukken bevindt zich een brief van Achmea van 10 april 2015 gericht aan [eiser] waarin, voor zover van belang, het volgende is vermeld:

Polisnummer: 110055551

(…)

Alstublieft: u krijgt uw polisblad

U krijgt uw polisblad samen met deze brief. Ook krijgt u informatie die belangrijk voor u is. Alle informatie staat ook online in ‘Mijn Verzekeringsmap’.

[…]

Bekijk de polisvoorwaarden in ‘Mijn Verzekeringsmap’

Hier kunt u de voorwaarden eenvoudig online nalezen of downloaden. Dat scheelt kosten en is beter voor het milieu. Krijgt u de polisvoorwaarden toch liever op papier? Bel ons dan even (…)

2.2.

[eiser] heeft op 3 augustus 2016 een autoverzekering afgesloten bij Achmea voor de door hem op 5 augustus 2016 gekochte personenauto van het merk Audi, type S5, met het kenteken [kenteken nummer 1] (hierna: de auto). [eiser] heeft een bedrag van € 44.259,01 voor de auto betaald. Op het polisblad met polisnummer 110055551, dat dateert van 10 augustus 2016, is onder meer het volgende vermeld:

Personenauto AUDI, kenteken [kenteken nummer 1]

Cataloguswaarde € 80.160,00

Aanschafwaarderegeling De regeling in de polisvoorwaarden is van toepassing

tot 36 maanden na aanschaf van het voertuig

[…]

Verzekerd Brand, storm en natuur PAV-RV-02-141

Eigen risico geen

Vrije keuze schadeherstelbedrijf PAV-CL-12-141

Verzekerd Diefstal en inbraak PAV-RV-50-141

Eigen risico geen

Vrije keuze schadeherstelbedrijf PAV-CL-12-141

Diefstal van de auto is meeverzekerd indien PAV-CL-20-161

de auto is beveiligd met een goedgekeurd

voertuigsysteem

2.3.

In de voorwaarden Autoverzekering, Brand, storm en natuur (PAV-RV-02-141) is onder meer het volgende bepaald:

Autoverzekering – Brand, storm en natuur

(…)

5. Welke veranderingen meldt u binnen 60 dagen?

(…)

 De auto wordt gestolen (meld dit zo snel mogelijk).

(…)

In deze gevallen stopt de autoverzekering. Te veel betaalde premie krijgt u terug.

(…)

Niet verzekerd

(…)

9. Wanneer is schade niet verzekerd?

(…)

De auto wordt gebruikt voor iets wat wettelijk niet mag.

2.4.

In de voorwaarden Autoverzekering Clausules, Track & Trace (PAV-CL-20-161) is onder meer het volgende bepaald:

1. Hoe moet uw auto zijn beveiligd?

De auto heeft een voertuigvolgsysteem.

 Dit systeem is minimaal een VbV/SCM voertuigvolgsysteem aangevuld met jamming detectie (voormalig klasse 4 VbV aangevuld met jamming detectie).

(…)

Het voertuigvolgsysteem is aangemeld bij een particuliere alarmcentrale.

 Deze alarmcentrale heeft een certificaat van het Nationaal Centrum voor Preventie.

 U heeft een contract met deze alarmcentrale.

Het voertuigvolgsysteem heeft verbinding via GSM of internet.

 U heeft een contract met de GSM- of Internetprovider.

Het voertuigvolgsysteem staat aan en werkt op het moment van de diefstal of joyriding.

Als u hieraan niet voldoet, ben u niet verzekerd bij diefstal of joyriding.

2.5.

Tussen 28 december 2016, om 19:00 uur, en 30 december 2016, om 19:30 uur, is de auto gestolen terwijl deze op de openbare weg geparkeerd stond nabij de woning van [eiser] . [eiser] heeft op 30 december 2016 telefonisch aangifte van diefstal gedaan bij de politie.

2.6.

Brightmaven B.V. heeft [eiser] en Achmea op 2 januari 217 per e-mail het volgende bericht:

In vervolg op eerder contact, treft u bijgevoegd het bewijs dat er voor dit kenteken [kenteken nummer 1] een SCM certificaat werd afgegeven, waarvan de geldigheid van het certificaat verloopt op 28-9-2017.

Na verificatie is gebleken dat de vorige eigenaar van dit voertuig, op 24-11-2016 de aansluiting van het abonnement heeft beëindigd, waardoor het systeem niet meer actief was.

Wij hebben dit systeem nu opnieuw laten heractiveren. Op dit moment zou er echter geen contact mogelijk zijn.

Zodra er verbinding tot stand komt zullen wij hier omtrent nader worden geïnformeerd en er alles aan doen om voor verdere opvolging zorg te laten dragen.

2.7.

Op 5 januari 2017 heeft [eiser] digitaal een verklaring inzake diefstal object ingevuld en naar Achmea verstuurd, teneinde dekking onder de afgesloten verzekering te verkrijgen.

2.8.

Achmea heeft [eiser] in januari 2017 telefonisch medegedeeld dat zij niet tot uitkering over zal gaan, omdat [eiser] geen contract zou hebben gehad met een particuliere alarmcentrale.

2.9.

De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 31 januari 2017 de track & trace clausule uit de algemene voorwaarden vernietigd, omdat Achmea deze niet aan [eiser] ter hand zou hebben gesteld. Subsidiair heeft hij aangevoerd dat een beroep op de track & trace clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [eiser] heeft Achmea verzocht om binnen veertien dagen tot betaling van een totaalbedrag van € 46.235,01 over te gaan.

2.10.

Achmea heeft de advocaat van [eiser] bij e-mailbericht van 20 februari 2017 het volgende bericht:

Wij handhaven ons standpunt

Wij hebben de polis en voorwaarden naar verzekerde toegezonden. Uit het telefoongesprek van 2 januari met verzekerde blijkt dat hij op de hoogte van de clausule was. Hij gaf aan dat hij gezocht heeft naar een systeem maar dat hij dit verder wou onderzoeken.

Op de polis is genoemd dat voor diefstal dekking is als de auto beveiligd is met een goedgekeurd voertuigvolgsysteem.

Dit is een primaire dekkingsomschrijving, die verwijst naar het clausuleblad dat in de set polisvoorwaarden is opgenomen. In het clausuleblad is deze dekkingsomschrijving verder uitgewerkt. De primaire dekkingsomschrijving is geen algemene voorwaarde. Verzekerde voldeed niet aan de eis dat het systeem is aangemeld bij een particuliere alarmcentrale en zo lijkt het bovendien het systeem geen verbinding had via GSM of internet. Verzekerde betoogt dat er een verbinding was via een losse telefoon in de auto. Nu het vereiste alarmsysteem een primaire dekkingsomschrijving is, doet de het verband tussen het hebben van deze beveiliging en de diefstal niet ter zaken. Centraal beheer is vrij in het bepalen van de omvang van de dekking. Zou de beveiliging enkel op de polis tekst beoordeeld moeten worden, hetgeen wij bestrijden, ook dan ontbreekt polis dekking, omdat de auto op het moment van de diefstal niet beveiligd was met een goedgekeurd voertuigvolgsysteem. De auto was namelijk niet beveiligd met het systeem waarvoor goedkeuring was gegeven, omdat onderdelen van het systeem (contract en GSM/internetverbinding) niet aanwezig waren.

2.11.

Op 11 mei 2017 is de auto van [eiser] uitgebrand (en total loss) teruggevonden langs de snelweg A12. De auto was gebruikt voor een liquidatiepoging. [eiser] is van dit alles op 18 mei 2017 door de politie op de hoogte gesteld.

2.12.

[eiser] heeft het voorgaande direct telefonisch gemeld bij Achmea en daarbij een beroep gedaan op de ten behoeve van het voertuig bij Achmea afgesloten brandverzekering.

2.13.

Op 23 mei 2017 heeft het Bureau Voertuig Onderzoek de auto van [eiser] vrijgegeven, waarna Achmea [eiser] heeft bevestigd dat de auto op haar kosten bij bergingsbedrijf Vreugdenhil zou worden gestald. Dit is vervolgens eind mei 2017 ook gebeurd.

2.14.

Bij brief van 26 juni 2017 heeft Achmea [eiser] bericht:

Wij gaan niet in op uw voorstel.

Wij gaan de schade niet met u regelen als brand-schade.

2.15.

Achmea heeft bij brief van 6 oktober 2017 [eiser] medegedeeld dat zij de stallingskosten voor het voertuig tot en met 13 oktober 2017 zal betalen en dat de kosten na die datum voor eigen rekening komen.

3 De vordering

3.1.

[eiser] vordert – na een wijziging van eis – dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

1. primair: voor recht verklaart dat de brand met betrekking tot de Audi S5 van [eiser] onder de dekking van de brandverzekering bij Achmea valt,

subsidiair: voor recht verklaart dat de diefstal van de Audi S5 van [eiser] onder de dekking van de diefstalverzekering bij Achmea valt,

2. Achmea veroordeelt om aan [eiser] te betalen:

primair: een bedrag van € 44.259,01 (aanschafwaarde van de auto),

subsidiair: een bedrag van € 44.000,00 (dagwaarde van de auto),

een bedrag van € 350,00 (aanschafwaarde koptelefoon),

een bedrag van € 700,00 (aanschafwaarde horloge),

een bedrag van € 15,00 per dag vanaf 30 december 2016 tot aan de dag van algehele voldoening (kosten vervangende auto),

3. Achmea veroordeelt om aan [eiser] te betalen:

primair: de werkelijke advocaatkosten van € 10.901,26 die [eiser] heeft gemaakt,

subsidiair: de buitengerechtelijke incassokosten conform BIK van € 1.228,24 en de kosten van dit geding,

alle bedragen onder 2. en 3. te vermeerderen met de wettelijke rente primair vanaf 14 februari 2017 dan wel subsidiair vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening.

3.2.

[eiser] legt kort gezegd aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij door de diefstal en brand van zijn auto schade heeft geleden, voor welke schade hij verzekerd was bij Achmea.

3.3.

Achmea voert verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

Aan de orde is of [eiser] aanspraak kan maken op uitkering van verzekeringspenningen, nadat zijn auto is gestolen en vervolgens maanden later door brand verloren is gegaan.

4.2.

[eiser] doet primair een beroep op uitkering wegens brand en subsidiair wegens diefstal. Vast staat dat de auto van [eiser] eind december 2016 is gestolen terwijl deze geparkeerd stond op de openbare weg nabij de woning van [eiser] en dat de auto in mei 2017 uitgebrand is teruggevonden nadat deze was gebruikt bij een liquidatiepoging.

4.3.

Niet in geschil is dat [eiser] de autoverzekering heeft afgesloten in de hoedanigheid van natuurlijk persoon die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat sprake is van een consumentenovereenkomst.

4.4.

Achmea baseert haar weigering om tot uitkering wegens diefstal over te gaan op polisvoorwaarde PAV-CL-20-161 (2.4) en wegens brand op de artikelen 5 en 9 van polisvoorwaarden PAV-RV-02-141 (2.3). De eerste vraag die beantwoord moet worden, is of deze polisvoorwaarden moeten worden aangemerkt als kernbedingen, zoals Achmea betoogt, of als algemene voorwaarden, zoals [eiser] voorstaat.

4.5.

Niet in geschil is dat alle op het polisblad vermelde (sets van) polisvoorwaarden, waarvan de hiervoor genoemde bedingen onderdeel uitmaken, zijn opgesteld teneinde in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen. Dat brengt mee dat deze moeten worden aangemerkt als algemene voorwaarden, met uitzondering van bedingen die de kern van de prestatie aangeven en die duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (artikel 6:231, aanhef en onder a, BW en artikel 4 lid 2 van de richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten waarop dat artikel is gebaseerd).

4.6.

De rechtbank stelt vast dat de door Achmea ingeroepen bedingen de omvang en de duur van de dekking beperken. Zo wordt in artikel 5 PAV-RV-02-141 de duur van de brandverzekering begrensd, namelijk tot het moment van diefstal, en in artikel 9 PAV-RV-02-141 en in PAV-CL-20-161 worden bepaalde risico’s van dekking uitgesloten, te weten brandschade als gevolg van gebruik van de auto voor iets wat wettelijk niet mag respectievelijk schade als gevolg van diefstal indien het voertuigvolgsysteem van de auto niet is aangemeld bij een particuliere alarminstallatie. Met een dergelijke begrenzing van de dekking in tijd en omvang zijn de verzekerde risico’s duidelijk afgebakend. Een dergelijke primaire dekkingsomschrijving geeft dan ook (mede) de kern van de prestatie weer. Nu Achmea onbetwist heeft gesteld dat deze afbakening van de dekking is betrokken in de premiestelling, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van kernbedingen. De rechtbank is voorts van oordeel dat de betreffende kernbedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd, zodat de regeling voor algemene voorwaarden daarop niet van toepassing is.

4.7.

Daarmee is nog niet gezegd dat Achmea op de kernbedingen een beroep toekomt. Nu artikel 6:232 BW niet van toepassing is op kernbedingen, is voor de toepasselijkheid daarvan vereist dat Achmea bij het sluiten van de verzekeringsovereenkomst er vanuit mocht gaan dat [eiser] de inhoud van de kernbedingen kende of behoorde te kennen en dat hij deze heeft willen aanvaarden. Als dat niet het geval is, kan er in beginsel niet gerechtvaardigd op worden vertrouwd dat met een kernbeding is ingestemd en is het beding niet overeengekomen. Een overeenkomst komt immers tot stand door aanbod en aanvaarding daarvan, hetgeen moet worden beoordeeld aan de hand van de wils/vertrouwensleer.

4.8.

Het enkele feit dat [eiser] de mogelijkheid had om de polisvoorwaarden die op het polisblad zijn vermeld, zelf op het internet te raadplegen aangezien hij de ontvangst van het polisblad – in tegenstelling tot de polisvoorwaarden – niet betwist, acht de rechtbank onvoldoende voor Achmea om erop te kunnen vertrouwen dat [eiser] daadwerkelijk daarvan kennis heeft kunnen nemen en de daarin opgenomen kernbedingen heeft willen aanvaarden. Voor de toepasselijkheid van de onderhavige kernbedingen is derhalve van belang of de polisvoorwaarden aan [eiser] zijn verstrekt, zoals Achmea stelt en [eiser] gemotiveerd heeft betwist.

4.9.

Achmea stelt in dat verband dat een bevestigingsbrief met premie-specificatie, de groene kaart, het polisblad én de polisvoorwaarden als één pakket naar [eiser] is verstuurd. Zij heeft deze bevestigingsbrief echter niet in het geding gebracht, hetgeen wel op haar weg had gelegen (artikel 85 lid 1 Rv). Achmea heeft wel een bevestigingsbrief overgelegd gedateerd 10 april 2015 (2.1) die betrekking heeft op hetzelfde polisnummer, maar die brief kan niet zien op de onderhavige verzekeringsovereenkomst waarvan niet in geschil is dat die eerst begin augustus 2016 is gesloten. Het ligt veeleer voor de hand dat die brief betrekking heeft op de verzekeringsovereenkomst zoals die voorafgaand aan de huidige overeenkomst tussen partijen gold. Deze brief vermeldt namelijk een ander kenteken ( [kenteken nummer 2] , waarvan [eiser] ter zitting onbetwist heeft gesteld dat dat het kenteken van zijn vorige auto was. Als al zou vaststaan dat deze brief door [eiser] is ontvangen, hetgeen hij heeft betwist, dan valt daaruit bovendien niet af te leiden dat er polisvoorwaarden aan [eiser] zijn verstrekt, integendeel. In deze brief wordt [eiser] immers verwezen naar de website van Achmea, hetgeen niet toereikend is. Bovendien is gesteld noch gebleken dat het om dezelfde polisvoorwaarden gaat als de onderhavige. Nu deze brief bovendien juist het standpunt van [eiser] onderschrijft dat (ook) in augustus 2016 enkel het polisblad aan hem is toegezonden, is de rechtbank van oordeel dat Achmea met onvoldoende feiten en omstandigheden heeft onderbouwd dat de onderhavige polisvoorwaarden aan [eiser] zijn verstrekt. Aan bewijslevering wordt dan niet meer toegekomen.

4.10.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de onderhavige kernbedingen niet zijn overeengekomen en dus toepassing missen. Anders dan Achmea is de rechtbank van oordeel dat hetgeen is vermeld op het polisblad voldoende essentiële elementen bevat om desondanks te kunnen aannemen dat een (gewijzigde) verzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen. Daaruit valt immers op te maken dat de auto onder meer is verzekerd voor diefstal voor zover de auto is beveiligd met een goedgekeurd voertuigvolgsysteem en voor brand, waarbij de daaruit voortvloeiende verbintenissen nader zijn uitgewerkt in de overige polisvoorwaarden, niet zijnde kernbedingen.

4.11.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat Achmea geen beroep toekomt op polisvoorwaarde PAV-CL-20-161 en op de artikelen 5 en 9 van polisvoorwaarden PAV-RV-02-141. Ten aanzien van de brandverzekering is de dekking derhalve niet geëindigd door de diefstal en is de oorzaak van de brand niet van dekking uitgesloten. Dit betekent dat Achmea gehouden is tot uitkering onder de brandverzekering over te gaan. In het midden kan dan blijven of zij daartoe ook op grond van de diefstalverzekering gehouden zou zijn. De primair gevorderde verklaring voor recht is dan ook toewijsbaar.

4.12.

De vraag is dan tot welke uitkering Achmea gehouden is. In dat kader is van belang dat [eiser] alle polisvoorwaarden heeft vernietigd vanwege het achterwege laten van de vereiste terhandstelling (ingevolge artikel 6:233, aanhef en onder b, BW in samenhang met artikel 6:234, lid 1, BW). Voor zover het geen kernbedingen betreft, treft dit doel. Immers, ook voor de terhandstelling van algemene voorwaarden is een verwijzing naar een website ontoereikend (ECLI:NL:HR:2011:BO7108). Dit betekent dat Achmea in beginsel gehouden is datgene uit te keren dat uit het polisblad valt op te maken. Daarop is vermeld dat de aanschafwaarderegeling van toepassing is tot 36 maanden na aanschaf van het voertuig. Hoewel de uitwerking van die regeling in de polisvoorwaarden is vernietigd, vormt dit geen reden om van een ander verzekerd bedrag uit te gaan, nu de brand heeft plaatsgevonden binnen 36 maanden na aanschaf van de auto. Uit de door [eiser] overgelegde aanschaffactuur leidt de rechtbank af dat de aanschafwaarde van de auto

€ 41.995,00 inclusief btw bedraagt, zodat slechts dat bedrag kan worden toegewezen. Aan de overige gevorderde bedragen, voor de koptelefoon, het horloge en de kosten van vervangend vervoer, is met de vernietiging van de polisvoorwaarden de grondslag komen te ontvallen, zodat deze worden afgewezen.

4.13.

De over de achterstallige uitkering gevorderde wettelijke rente is als niet afzonderlijk betwist toewijsbaar.

4.14.

[eiser] maakt verder aanspraak op vergoeding van zijn advocaatkosten.

De rechtbank overweegt dat slechts in zeer bijzonder gevallen plaats is voor vergoeding van de reële, daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Een daarop toegespitste vordering is alleen toewijsbaar indien sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Daarvan is sprake indien het instellen van de hoofdvordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden (zie HR 29 juni 2007, NJ 2007, 353). Bij het aannemen van misbruik van procesrecht door het aanspannen van een procedure past evenwel terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede wordt gewaarborgd door artikel 6 EVRM.

4.15.

Naar het oordeel van de rechtbank is van misbruik van procesrecht geen sprake. Niet kan worden gesteld dat het inroepen van de onderhavige bedingen uit de (sets) van polisvoorwaarden die op het polisblad zijn vermeld reeds op voorhand geen kans van slagen had. Dit betekent dat de vordering tot betaling van de werkelijke advocaatkosten zal worden afgewezen.

4.16.

Subsidiair vordert [eiser] vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van dit geding. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat hij meerdere buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft laten verrichten. Het gevorderde bedrag is hoger dan het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief. Het bedrag wordt toegewezen tot het wettelijke tarief zijnde € 1.194,95. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat niet is gesteld of gebleken dat deze kosten al zijn betaald.

4.17.

Achmea zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaardingskosten € 99,90

- griffierecht 883,00

- salaris advocaat 1.788,00 (2 punten × tarief € 894,00)

Totaal € 2.770,90

De wettelijke rente over de proceskosten is toewijsbaar vanaf de tiende dag na betekening van dit vonnis.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat de brand met betrekking tot de Audi S5 van [eiser] onder de dekking van de brandverzekering bij Achmea valt;

5.2.

veroordeelt Achmea om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 41.995,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW vanaf 14 februari 2017 tot aan de dag van volledige betaling;

5.3.

veroordeelt Achmea om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 1.194,95 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.4.

veroordeelt Achmea in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 2.770,90, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de tiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.5.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.6.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.P. Heijmans en in het openbaar uitgesproken op 11 april 2018.

Coll.: BV