Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1853

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
23-04-2018
Zaaknummer
c/05/334290/kg za 18-89
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Recreatiepark heeft dwangsommen verbeurd vanwege permanente bewoning van chalets. In kort geding geen schorsing van de tenuitvoerlegging van de dwangsommen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/334290 / KG ZA 18-89

Vonnis in kort geding van 20 april 2018

in de zaak van

[eiser sub 1] ,

en

[eiser sub 2] ,

beiden wonende te Epe,

mede handelend namens [naam BV 1],

[naam BV 2] ,

[naam BV 3] ,

[naam Stichting] ,

gevestigd te Epe,

eisers,

advocaat mr. B.J. Driessen te Nijmegen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE EPE,

zetelend te Epe,

gedaagde,

verschenen en vertegenwoordigd door haar jurist handhaving, [naam vertegewoordiger gemeente] .

Eisers zullen hierna gezamenlijk als [eisende partij] worden aangeduid en afzonderlijk als [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [naam BV 1] , [naam BV 2] , [naam BV 3] en [naam Stichting] . De gemeente Epe zal als de Gemeente worden aangeduid.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 en 2 van 29 maart 2018

  • -

    een brief met een productie van 5 april 2018 namens [eisende partij]

  • -

    de mondelinge behandeling, gehouden op 6 april 2018

  • -

    de pleitnota namens [eisende partij]

  • -

    de pleitnota namens de Gemeente.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn echtgenoten. Tezamen exploiteren zij een recreatiepark dat is ondergebracht in de vennootschappen [naam BV 1] , [naam BV 2] , [naam BV 3] en [naam Stichting] B.V. [eiser sub 1] is enig bestuurder van deze vennootschappen.

2.2.

De onderneming is gevestigd aan de [adres 1] , waar zich het recreatie-/chaletpark Camping [naam BV 1] (hierna: [naam BV 1] ) bevindt. Op het park staan circa 80 stacaravans. [eiser sub 1] en [eiser sub 2] zijn eigenaar van 40 stacaravans. De andere stacaravans zijn eigendom van derden.

2.3.

[naam BV 2] is eigenaar van het perceel waarop [naam BV 1] is gevestigd. Aan dat perceel is in het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied, 4e partiële herziening” de bestemming ‘verblijfsrecreatie’ toegekend. Niet-recreatieve bewoning van de recreatieverblijven (zoals permanente bewoning en de huisvesting van arbeidsmigranten) is in strijd met de gebruiksbepaling zoals opgenomen in artikel 45.1.1 van de Planvoorschriften en levert een overtreding op.

[naam BV 2]

2.4.

Aan [naam BV 2] zijn na een controle op het gebruik van de recreatieverblijven zijdens de Gemeente bij besluiten van respectievelijk 18 augustus 2016, 3 november 2015 en 15 november 2016 lasten onder dwangsom opgelegd in verband met overtreding van het bestemmingsplan wegens het niet bedrijfsmatig exploiteren voor verblijfsrecreatie van de recreatieverblijven met nummer 34 (besluit 18 augustus 2016) en nummers 117, 64 en 123, omdat deze recreatieverblijven op het moment van de controle permanent werden bewoond als hoofdverblijf. [naam BV 2] is aangezegd om binnen 16 weken na de datum van de besluiten de overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden door de recreatieverblijven niet langer als hoofdverblijf te laten gebruiken. De dwangsom op het niet of niet tijdig beëindigen van de overtredingen is gesteld op € 5.000,00 per vier weken (of gedeelte daarvan), tot een maximum van € 50.000,00.

2.5.

Na controles heeft de Gemeente overtredingen geconstateerd op respectievelijk 7 juli 2016, 4 augustus 2016, 1 september 2016, 29 september 2016, 19 oktober 2016, 27 oktober 2016, 9 maart 2017, 10 april 2017, 24 april 2017 (nummer 34), 3 mei 2017 en 11 juli 2017 (nummer 34). Daarmee is volgens de Gemeente in totaal voor € 45.000,00 aan dwangsommen verbeurd voor de nummers 117, 64 en 123 en € 10.000,00 voor nummer 34.

2.6.

De Gemeente heeft bij invorderingsbesluiten van 16 mei 2017, 24 mei 2017 en 15 juni 2017 en van 29 augustus 2017 (nummer 34) besloten tot invordering van de verbeurde dwangsommen over te gaan. Tegen deze invorderingsbesluiten heeft [naam BV 2] bezwaar gemaakt.

2.7.

Bij aanmaningen van 4 juli 2017 is [naam BV 2] aangemaand de verbeurde dwangsommen aan de Gemeente te voldoen. Een bedrag van € 25.000,00 is door [naam BV 2] aan de Gemeente voldaan.

2.8.

Op 19 oktober 2017 is ten aanzien van recreatieverblijf nummer 117 het bezwaar van [naam BV 2] (conform het advies van de commissie) gegrond verklaard en is het invorderingsbesluit van 24 mei 2017 herroepen, waardoor de dwangsom van € 5.000,00 is komen te vervallen. Voor het overige zijn de bezwaren ongegrond verklaard. [naam BV 2] heeft tegen de beslissing op bewaar inzake nummer 34 van 7 maart 2018 geen beroep ingesteld zodat dat besluit onherroepelijk is. Wel is beroep ingesteld bij deze rechtbank, afdeling Bestuursrecht tegen de overige beslissingen op bezwaar inzake de nummers 117, 64 en 123. De behandeling van het door [naam BV 2] ingestelde beroep vindt plaats op 7 mei 2018.

2.9.

In totaal wordt thans nog een bedrag van in hoofdsom € 30.000,00 wegens verbeurde dwangsommen van [naam BV 2] gevorderd. In dat kader zijn namens de Gemeente dwangbevelen aan [naam BV 2] uitgevaardigd.

[eisende partij]

2.10.

Naar aanleiding van een grootschalige controle op [naam BV 1] in mei 2017 naar het gebruik van de recreatieverblijven, is aan [eisende partij] bij besluit van 31 mei 2017 een last onder dwangsom opgelegd in verband met overtreding van het bestemmingsplan wegens het niet bedrijfsmatig exploiteren voor verblijfsrecreatie van de recreatieverblijven met nummers 1, 5, 17, 45, 48, 69, 83, 97, 120, 124 en 127, omdat deze recreatieverblijven op het moment van de controle permanent werden bewoond als hoofdverblijf. [eisende partij] is aangezegd om binnen 16 weken na de datum van het besluit de overtredingen te beëindigen en beëindigd te houden door de recreatieverblijven niet langer als hoofdverblijf te laten gebruiken. De dwangsom op het niet of niet tijdig beëindigen van de overtredingen is per recreatieverblijf gesteld op € 5.000,00 per vier weken (of gedeelte daarvan), tot een maximum van € 50.000,00.

Eenzelfde dwangsom is in dit besluit preventief gesteld op het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de recreatieverblijven met de nummers 49 en 108 waarvan volgens de Gemeente was geconstateerd dat deze in het verleden werden gebruikt voor niet-recreatieve bewoning maar waarvan het strijdige gebruik ten tijde van het besluit was gestaakt.

Tevens is in dit besluit een derde (eveneens preventieve) last onder dwangsom opgelegd voor het strijdige gebruik van de recreatieverblijven 19 en 103.

2.11.

Bij controle heeft de Gemeente overtredingen geconstateerd bij alle elf hiervoor bedoelde recreatieverblijven, waarmee volgens de Gemeente voor een bedrag van in totaal € 55.000,00 dwangsommen zijn verbeurd.

Ten aanzien van recreatieverblijf 49 zijn na de preventieve last onder dwangsom volgens de Gemeente toch twee overtredingen geconstateerd zodat € 10.000,00 aan dwangsommen is verbeurd. Bij recreatieverblijf 108 was sprake van één overtreding en is een dwangsom van € 5.000,00 verbeurd volgens de Gemeente.

Ook ten aanzien van de recreatieverblijf 19 en 103 zijn naderhand overtredingen van de preventieve last onder dwangsom geconstateerd en zijn in beide gevallen wegens drie overtredingen voor in totaal € 30.000,00 aan dwangsommen verbeurd.

2.12.

Vervolgens heeft de Gemeente bij invorderingsbesluit van 25 oktober 2017 besloten tot invordering van het totaal aan dwangsommen verbeurde bedrag van € 55.000,00

over te gaan. [eisende partij] hebben tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank, sector bestuursrecht.

Bij invorderingsbesluit van 3 november 2017 heeft de Gemeente besloten om over te gaan tot invordering van de verbeurde dwangsommen voor de verblijven 19, 49, 103 en 108 van in totaal € 45.000,00. [eisende partij] hebben ook tegen dit besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank, sector bestuursrecht.

De behandeling van deze beroepen zal eveneens plaatsvinden op 7 mei 2018.

2.13.

[eisende partij] zijn bij aanmaning van 1 december 2017 aangemaand tot betaling van het verschuldigde bedrag van € 55.000,00 over te gaan binnen twee weken na verzenddatum van die aanmaning. Betaling door [eisende partij] is uitgebleven.

2.14.

Voor het bedrag van € 45.000,00 zijn [eisende partij] bij aanmaning van 2 januari 2018 gemaand om tot betaling over te gaan. [eisende partij] hebben ook dit bedrag niet betaald.

2.15.

Ten aanzien van recreatieverblijf nummer 1 hebben [eisende partij] volgens de Gemeente naderhand nogmaals drie dwangsommen verbeurd van € 5.000,00, totaal € 15.000,00. Verder is volgens de Gemeente voor nummer 5 één dwangsom van € 5.000,00 verschuldigd, evenals voor nummer 17, terwijl ook nog voor nummer 45 vier dwangsommen van € 5.000,00 (in totaal € 20.000,00) en voor nummer 48 één dwangsom ad € 5.000,00 verschuldigd zijn. In totaal gaat het daarbij om € 50.000,00.

2.16.

Bij invorderingsbesluit van 27 november 2017 heeft de Gemeente besloten om ook tot invordering van de verbeurde dwangsommen ad € 50.000,00 over te gaan. Ook daartegen is beroep ingesteld bij de sector bestuursrecht van deze rechtbank, welk beroep eveneens op 7 mei 2018 ter zitting zal worden behandeld.

2.17.

Bij aanmaning van 11 januari 2018 zijn [eisende partij] aangemaand om tot betaling over te gaan binnen twee weken na de verzenddatum van de aanmaning. [eisende partij] heeft ook dit bedrag niet betaald. Bij dwangbevel van 6 februari 2018 is van [eisende partij] in verband met verbeurde dwangsommen een bedrag van in hoofdsom € 150.000,00 opgeëist.

2.18.

In totaal wordt door de Gemeente van [naam BV 2] en [eisende partij] een bedrag van circa € 180.000,00 ingevorderd wegens verbeurde dwangsommen.

3 Het geschil

3.1.

[eisende partij] vorderen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Gemeente te veroordelen de tenuitvoerlegging van de invorderingsbesluiten van 16 mei 2017, 24 mei 2017, 15 juni 2017, 29 augustus 2017, 25 oktober 2017, 3 november 2017, 27 november 2017 op te schorten totdat in beroep in de beroepsprocedure bij deze rechtbank is beslist, een en ander met veroordeling van de Gemeente in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Gemeente voert gemotiveerd verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering van [eisende partij]

3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vereiste spoedeisendheid vloeit genoegzaam voort uit de stellingen van [eisende partij] en is niet betwist door de Gemeente.

4.2.

Voorop staat dat de aan [eisende partij] uitgevaardigde dwangbevelen krachtens artikel 4:116 van de Algemene wet bestuursrecht een executoriale titel opleveren, die met toepassing van de voorschriften van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv) ten uitvoer kunnen worden gelegd. Indien een schuldenaar de executie wenst te voorkomen of te doen staken, dan kan hij op de voet van artikel 438 e.v. Rv een executiegeschil aanhangig maken bij de civiele rechter. In zoverre acht de voorzieningenrechter zich dan ook bevoegd om van de vordering van [eisende partij] kennis te nemen.

4.3.

Vaststaat dat door de Gemeente na controles op het gebruik van de recreatieverblijven in november 2016 en mei 2017 aan [eisende partij] lasten onder dwangsom zijn opgelegd. Ook staat vast dat de Gemeente nadien invorderingsbesluiten heeft genomen omdat bij nieuwe controles door de Gemeente nog steeds overtredingen van de gebruiksbepalingen van het vigerende bestemmingsplan werden geconstateerd. Door [naam BV 2] is een bedrag van € 25.000,00 aan verbeurde dwangsommen aan de Gemeente voldaan. Op dit moment staat nog een bedrag van in hoofdsom € 180.000,00 plus kosten aan verbeurde dwangsommen open. Voor de betaling daarvan zijn door de Gemeente dwangbevelen uitgevaardigd. Tegen de door de Gemeente genomen invorderingsbesluiten is [eisende partij] in beroep gegaan bij de Sector bestuursrecht van deze rechtbank. Op 7 mei 2018 zullen de beroepen ter zitting worden behandeld. De enkele omstandigheid dat [eisende partij] beroep heeft ingesteld en dat er derhalve nog geen sprake is van formele rechtskracht van de invorderingsbesluiten, doet niet af aan de bevoegdheid van de Gemeente om dwangbevelen uit te vaardigen en tot tenuitvoerlegging van de invorderingsbesluiten over te gaan. Het door [eisende partij] ingestelde beroep heeft immers geen schorsende werking.

4.4.

De vraag die ter beoordeling voorligt is, of de tenuitvoerlegging van de invorderingsbesluiten van de Gemeente dient te worden geschorst in afwachting van de uitkomst van de bij deze rechtbank aanhangige bestuursrechtelijke beroepsprocedure.

4.5.

In een executiegeschil kan de voorzieningenrechter de tenuitvoerlegging van een invorderingsbesluit slechts schorsen, indien hij van oordeel is dat de Gemeente mede gelet op de belangen aan de zijde van [eisende partij] die door de executie zullen worden geschaad - geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van haar bevoegdheid tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dat zal het geval kunnen zijn indien de te executeren invorderingsbesluiten klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berusten of indien de tenuitvoerlegging op grond van na de invorderingsbesluiten en dwangbevelen voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van [eisende partij] een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

4.6.

[eisende partij] hebben aangevoerd dat sprake is van willekeur aan de zijde van de Gemeente, nu de Gemeente telkens uitsluitend de recreatieverblijven op [naam BV 1] controleert, terwijl zich op andere omliggende parken dezelfde problematiek voordoet. De Gemeente betwist dat er van willekeurig handelen sprake is. Zij voert daartoe aan dat op [naam BV 1] de problematiek rond de permanente bewoning van recreatieverblijven het grootst was en dat daarom is besloten eerst [naam BV 1] te controleren en daar handhavend op te treden, alvorens zich te richten op andere parken. Alle parken tegelijkertijd controleren op het al dan niet met het bestemmingsplan strijdig gebruik van recreatieverblijven is volgens de Gemeente vanwege haar beperkte capaciteit feitelijk en financieel niet haalbaar. De Gemeente voert verder aan dat er inmiddels ook drie andere parken intensief worden gecontroleerd, evenals een aantal individuele woningen in het bos.

4.7.

Ofschoon er voor de Gemeente in beginsel een handhavingsplicht bestaat zodat zij tegen iedere vorm van met het bestemmingsplan strijdig gebruik in principe dient op te treden, kan de voorzieningenrechter de door de Gemeente gemaakte afweging omtrent de inzet van haar beperkte capaciteiten onderschrijven. Dit geldt temeer nu door [eisende partij] niet is afgedaan op de stelling van de Gemeente dat op [naam BV 1] de problematiek van illegale bewoning het grootst was. Waar verder niet in geschil is dat de middelen en mogelijkheden van de Gemeente niet onbegrensd zijn en er binnen de Gemeente sprake is van een groot aantal soortgelijke parken alsmede losse recreatieverblijven, kunnen de door de Gemeente gemaakte keuzes niet als willekeurig worden beschouwd. Van een schending van het willekeurverbod is naar het oordeel van de voorzieningenrechter dan ook geen sprake. Ook overigens is niet gebleken dat er sprake is van een feitelijke of juridische misslag in de aan de dwangbevelen ten grondslag liggende invorderingsbesluiten: op geen enkele wijze is de juistheid van de invorderingsbesluiten ter discussie gesteld.

4.8.

[eisende partij] stelt zich verder op het standpunt dat zij in een noodsituatie zal komen te verkeren bij (verdere) tenuitvoerlegging van de invorderingsbesluiten. [eisende partij] heeft een vijftal dwangsommen van in totaal € 25.000,00 voldaan en stelt geen reserves meer te hebben. Daar komt volgens [eisende partij] bij dat door de handhavingsmaatregelen van de Gemeente inkomsten uit verhuur zijn weggevallen. De tenuitvoerlegging van de invorderingsbesluiten betekent volgens [eisende partij] het faillissement van de onderneming. Ter staving van deze stelling verwijst [eisende partij] naar de overgelegde geconsolideerde winst- en verliesrekeningen over 2014 en 2016.

De Gemeente betoogt dat de stelling van [eisende partij] onvoldoende concreet is onderbouwd. Bovendien had [eisende partij] (verdere) verbeuring van dwangsommen eenvoudig kunnen voorkomen door gehoor te geven aan de lastgevingen en de verhuur ten behoeve van niet-recreatieve bewoning te beëindigen en beëindigd te houden, zeker nu al in 2015 de eerste lasten onder dwangsom zijn opgelegd. Desondanks heeft [eisende partij] ervoor gekozen de lastgevingen te negeren en stug door te gaan met haar bedrijfsvoering op de oude voet.

4.9.

Voorop staat dat het enkele ontstaan van ernstige financiële problemen als gevolg van de tenuitvoerlegging van een dwangbevel onvoldoende grond biedt om deze tenuitvoerlegging te schorsen. Daartoe is alleen grond indien er na het nemen van de invorderingsbesluiten en het uitvaardigen van de dwangbevelen feiten zijn voorgevallen of aan het licht gekomen die aan de zijde van [eisende partij] een noodtoestand zouden doen ontstaan. Het is aan [eisende partij] om daartoe het nodige te stellen en dat is niet gebeurd. Daarmee is er geen grond om vanwege het mogelijke ontstaan van financiële problemen of zelfs een faillissement de tenuitvoerlegging te schorsen.

4.10.

De slotsom is dat de vorderingen van [eisende partij] moet worden afgewezen.

4.11.

De Gemeente heeft ter zitting onweersproken gesteld dat zij aan de met de invordering belaste deurwaarder opdracht heeft gegeven om tenuitvoerlegging van het ten laste van [naam BV 2] uitgevaardigde dwangbevel dat ziet op recreatieverblijf 117 te staken. Daarmee is er geen aanleiding de vordering van [naam BV 2] op dat punt toe te wijzen.

4.12.

[eisende partij] zullen als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de gemeente worden begroot op:

- griffierecht € 626,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.442,00

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, aan de zijde van de gemeente tot op heden begroot op € 1.442,00,

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 20 april 2018.