Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1830

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
05/841350-17, 05/841321-17, 05/840054-18 en 05/840154-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor reeks diefstallen en insluipingen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 11 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummers : 05/841350-17, 05/841321-17, 05/840054-18 en 05/840154-18 (gevoegd t.t.z.)

Datum uitspraak : 20 april 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ,

ingeschreven te [adres 1] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Raadsman: mr. M.O.G.J. Bakker, advocaat te Hoog-Keppel.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 6 april 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is onder parketnummer 05/841350-17 ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 december 2017 te Doetinchem een beeldscherm, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 16 november 2017 te Doetinchem een speaker, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Aan verdachte is onder parketnummer 05/841321-17 ten gelegd dat:

hij op of omstreeks 04 december 2017 te Doetinchem (in/uit een woning op/aan de [adres 2] ) een rugzak en/of een regenjas en/of handschoenen en/of een muts en/of een

broek en/of sleutels, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 04 december 2017 te Doetinchem opzettelijk een rugzak en/of een regenjas en/of handschoenen en/of een muts en/of een broek en/of sleutels, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten

als gevonden voorwerp, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

meer subsidiair:

hij op of omstreeks 04 december 2017 te Doetinchem, één of meer goederen te weten

een rugzak en/of een regenjas en/of handschoenen en/of een muts en/of een broek en/of sleutels,

heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van die goederen wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het door misdrijf verkregen goederen betrof;

Aan verdachte is onder parketnummer 05/840054-18 ten gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 2 januari 2018, te Doetinchem, een tas en/althans (inhoudende) een portemonnee, geld, een rijbewijs, een identiteitskaart, een bankpas, een of meer winkelpas(sen), een of meer foto's, een pasje van het [naam 1] , (huis)sleutels en/of autosleutels, in

elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 2 januari 2018, te Doetinchem, een tas en/althans (inhoudende) een rijbewijs, twee pinpassen, visitekaartjes en/of een flesje parfum, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.

hij op of omstreeks 2 januari 2018, te Doetinchem, een laptop, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de [slachtoffer 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.

hij op of omstreeks 9 januari 2018, te Doetinchem, een portemonnee en/althans (inhoudende) geld en/of een of meer passen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

5.

hij op of omstreeks 12 januari 2018, te Doetinchem, een tas en/althans (inhoudende) ongeveer 70 euro, althans (een) geld(bedrag), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 8] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

6.

hij op of omstreeks 16 januari 2018, althans in of omstreeks de periode van 16 januari 2018 tot en met 17 januari 2018, te Doetinchem, een tas en/althans (inhoudende) een treinkaartje, een bankpas en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 9] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Aan verdachte is onder parketnummer 05/840154-18 ten gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 16 februari 2018, te Doetinchem, een portemonnee en/althans (inhoudende) 2, althans een, bankpas(sen), een rijbewijs, een verblijfsvergunning, een zorgpas, (ongeveer) 10 euro en/of 2, althans een, pakje(s) sigaretten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 10] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 18 februari 2018, te Doetinchem, een I-pad en/of een (mobiele) telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 11] ,

heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of die weg te nemen I-pad en/of (mobiele) telefoon onder zijn bereik heeft gebracht door middel van inklimming;

althans, indien het vorenstaande onder 2 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 18 februari 2018, te Doetinchem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning/perceel op of aan de [adres 3]

een I-paden/of een (mobiele) telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 11] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van inklimming,

naar binnen, in die woning/dat perceel is gegaan en/of gelopen, en/of (vervolgens) binnen in die woning of dat perceel die I-pad en/of die (mobiele) telefoon heeft gepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van hetgeen ten laste is gelegd onder parketnummer:

-05/841350-17; feit 1 en 2;

-05/841321-17; subsidiaire feit;

-05/840054-18; feit 1 tot en met 6;

-05/840154-18; feit 1 en feit 2 primair.

Voor het primaire feit van parketnummer 05/841321-17 is vrijspraak bepleit.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman bepleit vrijspraak ten aanzien van de onder parketnummer 05/841321-17 primair ten laste gelegde diefstal en refereert zich voor wat betreft het (meer) subsidiaire. Ook ten aanzien van feit 2 primair van parketnummer 05/840154-18 verzoekt de raadsman om vrijspraak en refereert hij zich ter zake van het subsidiaire feit. Voor het overige tenlastegelegde is geen bewijsverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

Parketnummer 05/841350-171

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, p. 3-4;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 12-13;

- het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 23-24;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2018.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, p. 7-8;

- het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 25-26;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2018.

Parketnummer 05/841321-172

Bewijsmiddelen

Aangever [slachtoffer 3] , woonachtig aan de [adres 2] in Doetinchem, heeft verklaard dat hij op 4 december 2017 omstreeks 07:25 uur thuis een deur hoorde dicht slaan. De deur van zijn bijkeuken was niet afgesloten. Vervolgens zag hij dat zijn (oranje) rugzak die in de bijkeuken lag, weg was. Aangever heeft buren gebeld en zijn partner. Daarna is aangever naar de straat gelopen waar hij een man heel langzaam zag fietsen. De man had een tas op zijn rug die leek op de tas van aangever. Aangever is naar de man toe gerend, maar de man wilde niet stoppen. Door toedoen van aangever is de man alsnog gestopt. Aangever heeft de man met de tas geconfronteerd. Desgevraagd kon de man niet goed zeggen wat er in de tas zat. Toen aangever in de tas keek, zag hij onder meer zijn regenbroek, jas, muts en handschoenen. Ook zat er een sleuteltje van een slot in de tas.3

Getuige [getuige 1] van huisnummer [nummer 1] heeft verklaard dat hij die ochtend, waarschijnlijk tussen 08:00 uur en 08:15 uur, een man voorbij zag fietsen met een opvallende, rode rugzak. De man reed richting de Rozengaardseweg. Het was een grote, lange kerel met een donkere jas.4

Getuige [getuige 2] van huisnummer [nummer 2] heeft verklaard dat zij die ochtend omstreeks 08:10 uur een man zag lopen naast haar woning over het pad. Hij liep het steegje bij nr [nummer 3] in, kwam na 1-2 minuten teruglopen en liep via de stoep naar de Steinlaan. De man was blank, vrij lang, breed postuur, droeg een rode rugzak en had een mank been. Getuige vond het heel vreemd dat de man heen en weer liep en langs de huizen ging. 5

Verbalisant [getuige 3] heeft gesproken met de bewoner van huisnummer [nummer 4] die vertelde dat hij omstreeks 08:10 uur een man had zien fietsen die een gele Jumbotas bij zich had en moeilijk liep. Getuige had die man de straat in zien fietsen, zijn fiets op de oprit zien parkeren waarna hij de achtertuin inliep bij de overbuurman op nummer [nummer 5] en vervolgens weer wegfietste. Vijf minuten later zag getuige dat de man van en geheel andere kant de straat weer in fietste.6

Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij omstreeks 07:25 uur door een woonwijk in Doetinchem fietste. Hij fietste niet zo snel. Hij had een Jumbo bigshoppertas bij zich. Toen hij door de straat van aangever fietste, kwam aangever achter hem aan en riep tegen verdachte dat deze zijn jas en rugzak had. Volgens verdachte had hij de spullen pas net, maar aangever zei tegen hem dat de tas en jas nat waren en dat dit nooit kon zijn veroorzaakt door het kleine stukje fietsen van verdachte. Het miezerde die ochtend en er viel af en toe sneeuw, aldus verdachte.7

Ter zitting heeft verdachte verklaard dat de spullen van aangever heel nat waren en dat hij zelf ook doorweekt was, toen hij door aangever werd aangehouden.8

Omstreeks 08:25 uur heeft aangever verdachte overgedragen aan de politie.9

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de man is geweest waarover de hiervoor bedoelde buurtbewoners en aangever in hun verklaringen spreken en dat hij degene is geweest die voornoemde tas met inhoud heeft weggenomen uit de woning van aangever. Daarbij acht zij van belang dat het tijdpad tussen het moment van de diefstal, het moment dat verdachte door getuigen is gezien en het moment waarop aangever verdachte met zijn goederen op straat heeft aangetroffen, zodanig kort is dat het niet anders kan dan dat verdachte deze goederen uit de woning van aangever heeft weggenomen. Voorts betrekt de rechtbank bij de bewezenverklaring dat niet alleen de goederen van aangever natgeregend waren, maar ook verdachte zelf op het moment dat hij door aangever staande werd gehouden. De verklaring van verdachte dat hij de (oranje) rugtas op straat had gevonden net voordat aangever achter hem aan kwam, acht de rechtbank ook in dit licht niet aannemelijk geworden. Ook de modus operandi, bestaande uit het insluipen van een niet afgesloten woning/gebouw, past bij de gebruikelijke werkwijze van verdachte, zoals die blijkt uit de hieronder (overige) bewezenverklaarde feiten en de daarbij aangehaalde bewijsmiddelen.

Parketnummer 05/840054-1810

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, p. 16-17;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 25-26, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van bevindingen p. 30;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2018.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, p. 21-22;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 25-26, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van bevindingen p. 30;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2018.

Feit 3

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, p. 46;

- het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 51;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2018.

Feit 4

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, p. 61-62 en het proces-verbaal van verhoor van aangeefster, p. 68-69 met bijlage (fotoblad p. 70);

- het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 71 met bijlage (fotoblad p. 70 en p. 73);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2018.

Feit 5

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, p. 78-79;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 82 met bijlagen (fotoblad 83-85);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2018, gelezen in onderlinge samenhang met het proces-verbaal van verhoor verdachte p. 87-88.

Feit 6

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, p. 89-90;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 91 en 93 met bijlagen (fotoblad p. 94-96);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2018.

Parketnummer 05/840154-1811

Feit 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, p. 3-4;

- het proces-verbaal van verhoor getuige, p. 5-6;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 10 met bijlage (fotoblad 11);

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2018.

Feit 2

Bewijsmiddelen

Aangever [slachtoffer 11] heeft verklaard dat zijn vriendin op 18 februari 2018 bij het verlaten van hun woning aan de [adres 3] in Doetinchem de achterdeur niet op slot had gedaan en de schuttingdeur open had laten staan. Even later hoorde aangever wat en zag hij in zijn ooghoek iets bewegen. Vervolgens zag aangever een grote man met een rode jas midden in hun woonkamer staan. Aangever liep op de man af. In zijn rechterhand hield de man de iPad van aangever en een telefoon. De iPad had op de bank in de woonkamer gelegen en de telefoon op een kastje nabij de deur. Op verzoek van aangever heeft de man de spullen neergelegd op de eetkamertafel.12

Geconfronteerd met een foto van verdachte, heeft aangever aan verbalisant verklaard dat de persoon op de foto de man is die hij in hun woonkamer stond en zijn iPad en de werktelefoon van zijn vriendin in zijn handen had.13

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij de woning van aangever is binnengelopen en op het punt stond om de tenlastegelegde goederen weg te nemen, maar toen aangever de woonkamer binnenkwam, heeft hij, verdachte, de goederen op tafel gelegd en is hij weggegaan.14

Bewijsoverwegingen

Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat verdachte via de achterdeur de woning van verdachte is binnengeslopen en daar de iPad en telefoon van aangever dan wel diens vriendin heeft gepakt van de plaats waar deze zich bevonden met het oogmerk zich deze goederen wederrechtelijk toe te eigenen. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheid dat verdachte bovenstaande goederen net had gepakt en vasthield op het moment dat aangever hem in zijn woning aantrof/overliep, onvoldoende is voor de conclusie dat verdachte zich reeds een zodanige feitelijke heerschappij over de goederen had verschaft dan wel deze zodanig aan de feitelijke heerschappij van aangever c.q. de rechthebbende had onttrokken, dat de wegneming als voltooid kan gelden. Daarbij hecht de rechtbank tevens betekenis aan de omstandigheid dat verdachte niet heeft verhuld dat hij goederen van aangever vasthield en dat verdachte zich nog in de woning van aangever bevond. Gelet hierop acht de rechtbank, anders dan de officier van justitie, niet bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair tenlastegelegde diefstal. Wel komt zij tot een bewezenverklaring van de subsidiair tenlastegelegde poging tot diefstal. Voorts ziet de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat verdachte zich de toegang tot de woning van aangever heeft verschaft door middel van inklimming, zodat zij verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging zal vrijspreken.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

Parketnummer 05/841350-17

1.

hij op of omstreeks 11 december 2017 te Doetinchem een beeldscherm, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 16 november 2017 te Doetinchem een speaker, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 05/841321-17

hij op of omstreeks 04 december 2017 te Doetinchem (in/uit een woning op/aan de [adres 2] ) een rugzak en/of een regenjas en/of handschoenen en/of een muts en/of een

broek en/of sleutels, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 05/840054-18

1.

hij op of omstreeks 2 januari 2018, te Doetinchem, een tas en/althans (inhoudende) een portemonnee, geld, een rijbewijs, een identiteitskaart, een bankpas, een of meer winkelpas(sen), een of meer foto's, een pasje van het [naam 1] , (huis)sleutels en/of autosleutel, in

elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 2 januari 2018, te Doetinchem, een tas en/althans (inhoudende) een rijbewijs, twee pinpassen, visitekaartjes en/of een flesje parfum, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

3.

hij op of omstreeks 2 januari 2018, te Doetinchem, een laptop, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan de [slachtoffer 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

4.

hij op of omstreeks 9 januari 2018, te Doetinchem, een portemonnee en/althans (inhoudende) geld en/of een of meer passen, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 7] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

5.

hij op of omstreeks 12 januari 2018, te Doetinchem, een tas en/althans (inhoudende) ongeveer 70 euro, althans (een) geld(bedrag), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 8] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

6.

hij op of omstreeks 16 januari 2018, althans in of omstreeks de periode van 16 januari 2018 tot en met 17 januari 2018, te Doetinchem, een tas en/althans (inhoudende) een treinkaartje, een bankpas en/of een rijbewijs, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 9] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 05/840154-18

1.

hij op of omstreeks 16 februari 2018, te Doetinchem, een portemonnee en/althans (inhoudende) 2, althans een, bankpas(sen), een rijbewijs, een verblijfsvergunning, een zorgpas, (ongeveer) 10 euro en/of 2, althans een, pakje(s) sigaretten, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 10] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

2.

hij op of omstreeks 18 februari 2018, te Doetinchem, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om in/uit een woning/perceel op of aan de [adres 3]

een I-pad en/of een (mobiele) telefoon, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 11] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van inklimming,

naar binnen, in die woning/dat perceel is gegaan en/of gelopen, en/of (vervolgens) binnen in die woning of dat perceel die I-pad en/of die (mobiele) telefoon heeft gepakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Parketnummer 05/841350-17

Ten aanzien van feit 1 en feit 2 telkens:

Diefstal.

Parketnummer 05/841321-17

Diefstal.

Parketnummer 05/840054-18

Ten aanzien van feit 1, feit 2, feit 3, feit 4, feit 5, feit 6 (telkens):

Diefstal.

Parketnummer 05/840154-18

Ten aanzien van feit 1:

Diefstal.

Ten aanzien van feit 2:

Poging tot diefstal.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van alle tenlastegelegde feiten behoudens feit 1 primair van parketnummer 05/841321-17 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor matiging van de strafeis van de officier van justitie. Daartoe is aangevoerd dat verdachte al lange tijd vastzit en dat zijn detentieomstandigheden bijzonder zwaar zijn. Vanwege zijn medische situatie leeft verdachte namelijk geïsoleerd van de overige preventief gehechten. Voorts is er geen enkele penitentiaire instelling (PI) die verdachte de noodzakelijke medische behandeling kan bieden. Als verdachte nog langer vast blijft zitten, komt dat zijn medische situatie niet ten goede.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 16 februari 2018;

- reclasseringsadviezen, gedateerd 6 december 2017, 21 februari 2018 en 23 maart 2018;

- een verdachte betreffend letselverslag van 18 januari 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich in een tijdsbestek van amper drie maanden schuldig gemaakt aan tien diefstallen en één poging tot diefstal in Doetinchem. Daarbij heeft hij op één dag bij twee scholen en een winkel kostbare goederen weggenomen zodat sprake is van een strooptocht, wat een strafverzwarende omstandigheid is. De overige diefstallen heeft verdachte veelal op klaarlichte dag gepleegd. Daarbij maakte hij misbruik van verschillende omstandigheden, zoals niet-afgesloten woningen, verminderde oplettendheid van gasten in een restaurant, en de kwetsbaarheid van aanwezigen in een therapiepraktijk, een stichting voor dagbesteding voor mensen met een (arbeids)beperking en in een ziekenhuis waar verdachte nota bene zelf medisch behandeld werd. Dat alles geeft naar het oordeel van de rechtbank blijk van een geraffineerde en schaamteloze werkwijze. Verdachte heeft met zijn handelen veel schade en overlast veroorzaakt aan de gedupeerden. Bovendien dragen dergelijke feiten bij aan gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Verdachte heeft uitsluitend aan zijn eigen financieel gewin gedacht en geen respect getoond voor andermans eigendom.

Verder weegt de rechtbank bij de strafoplegging in het nadeel van verdachte mee dat hij reeds eerder bij herhaling is veroordeeld wegens diefstal en dat de in dat verband aan hem opgelegde kortdurende gevangenisstraffen hem er kennelijk niet van hebben weerhouden de bewezenverklaarde feiten te plegen. Voorts is de schorsing van de voorlopige hechtenis in de zaak met parketnummer 05/840054-18 binnen drie weken opgeheven vanwege (het vermoeden van) twee nieuwe door verdachte gepleegde feiten.

Daarnaast houdt de rechtbank bij de straftoemeting rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Uit het dossier is op te maken dat bij verdachte sprake is psychische problematiek en dat deze een mogelijke relatie heeft met de bewezenverklaarde feiten.

Verder volgt uit de hiervoor genoemde reclasseringsadviezen dat verdachte een instabiel verleden heeft, waarin er jarenlang op vrijwel alle levensgebieden problemen waren. Verdachte kampt met een hardnekkige verslavingsproblematiek, lijkt zeer zorgmijdend, heeft een gebrek aan zelfinzicht en een negatieve houding ten opzichte van begeleiding/behandeling. Verdachte is keer op keer teruggevallen in drugsgebruik en heeft de afgelopen jaren aan diverse hulptrajecten zijn medewerking toegezegd, maar die zijn door zijn toedoen telkens voortijdig geëindigd. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog en acht in dat verband een langdurige klinische behandeling (dubbel-diagnose) voor de psychische en verslavingsproblematiek van verdachte noodzakelijk. Echter, verdachte heeft recentelijk als ook in het verleden te kennen gegeven niet te willen meewerken aan verdiepingsdiagnostiek. Hij heeft geen vertrouwen in de hulpverlening en wil daarom niet meewerken. Verder is een reclasseringstoezicht niet haalbaar, omdat eerdere toezichten door toedoen van verdachte zijn afgebroken. Oplegging van de ISD-maatregel acht de reclassering op dit moment niet aan de orde, maar een volgende keer wel.

De reclassering adviseert een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Nu een vordering van het openbaar ministerie tot oplegging van de ISD-maatregel ontbreekt, volgt uit artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht dat deze maatregel op dit moment niet kan worden opgelegd.

De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de oplegging van bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank ziet, gelet op de ernst en de omvang van de feiten en in aanmerking genomen het strafblad van verdachte, geen andere optie dan het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank onderkent dat de gezondheidssituatie van verdachte zorgwekkend is. Verdachte heeft aannemelijk gemaakt dat zijn medische toestand, en daarbij vooral een open beenwond, op dit moment op zijn minst bijdraagt aan een geïsoleerde positie binnen de PI. Echter, gesteld noch gebleken is dat verdachte detentieongeschikt is. Evenmin is aannemelijk geworden dat in detentie niet de benodigde zorg beschikbaar is.

Alles overwegend zal de rechtbank aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 11 maanden met aftrek van de tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest. De straf valt hoger uit dan de strafeis van de officier van justitie omdat die eis naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten, mede gezien verdachtes strafblad.

8. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

In de zaak met parketnummer 05/841350-17 heeft [naam 2] zich namens [slachtoffer 1] als benadeelde partij in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 500,00 aan materiële schade, bestaande uit het door verdachte weggenomen beeldscherm met ingebouwde computer. Ter onderbouwing heeft benadeelde ter zitting een afbeelding van de betreffende offerte van het beeldscherm getoond.

In de zaak met parketnummer 05/840054-18 heeft de benadeelde partij [naam 3] zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 3 tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 600,00 aan materiële schade, bestaande uit de kosten van de weggenomen laptop. Bijgevoegd is de betreffende aankoopfactuur van 29 september 2015. Tevens is verzocht om toepassing van de wettelijke rente met ingang van 2 januari 2018 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

In de zaak met parketnummer 05/840054-18 heeft de benadeelde partij [slachtoffer 9] zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder 6 tenlastegelegde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 308,04 aan materiële schade, bestaande uit de aanvraagkosten van een nieuwe ‘ [naam 4] ’ en uit reiskosten over de periode van 17 januari 2018 tot en met 6 april 2018. Tevens is verzocht om toepassing van de wettelijke rente met ingang van 17 januari 2018 en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering ingediend namens [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie gesteld dat de gestelde aanschafprijs van € 500,00 allerzins redelijk is voor een dergelijk beeldscherm en dat rekening houdend met een afschrijfpercentage van veertig procent over twee jaar,

€ 300,00 voor vergoeding in aanmerking komt, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Inzake de vordering ingediend namens benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de stukprijs inclusief BTW minus veertig procent afschrijving over twee jaar, aldus € 557,40 toewijsbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Voor het overige deel is verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.

Voor wat betreft de vordering ingediend door benadeelde partij [slachtoffer 9] heeft de officier van justitie gevorderd om de kosten voor de vervoerskaart van € 15,00 toe te wijzen en benadeelde partij bij gebrek aan een deugdelijke onderbouwing van de overige kosten niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering. Tevens is verzocht om toepassing van de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

Voor wat betreft de vordering ingediend namens de benadeelde [slachtoffer 1] heeft de raadsman aangevoerd dat op grond van de beschikbare informatie moeilijk te bepalen is wat de precieze waarde van dit beeldscherm is geweest en dat het daarom lastig is hierover een standpunt in te nemen.

Ten aanzien van de vordering benadeelde partij ingediend door [slachtoffer 6] heeft de raadsman verzocht om matiging. In zijn visie is het door de officier van justitie toewijsbare bedrag van € 557,40 aan de hoge kant, in aanmerking genomen dat benadeelde partij hoe dan ook binnen zes maanden na het feit een nieuwe laptop had moeten aanschaffen gelet op de gemiddelde levensduur van een laptop, die volgens hem zo’n drie jaar bedraagt.

Inzake de vordering ingediend door benadeelde partij [slachtoffer 9] , heeft de raadsman naar voren gebracht dat uitsluitend de kosten voor een nieuwe vervoerskaart voor vergoeding in aanmerking komen. Volgens de raadsman ligt het op de weg van [naam 5] om voor een oplossing te zorgen voor wat betreft de extra gemaakte reiskosten van benadeelde.

Beoordeling door de rechtbank

Inzake de vordering ingediend namens [slachtoffer 1] overweegt de rechtbank dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05/841350-17 onder feit 1 bewezenverklaarde rechtstreeks schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Gelet op de (geschatte) aankoopprijs en het tijdsverloop sinds de aankoop van dit specifieke beeldscherm, acht de rechtbank € 300,00 van de gevorderde schade toewijsbaar. Voor het overige zal de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Nu de benadeelde partij niet uitdrukkelijk heeft verzocht om toepassing van de wettelijke rente, kan de rechtbank deze op grond van de wet niet toewijzen. Wel zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Ten aanzien van de vordering ingediend namens benadeelde partij [slachtoffer 6] stelt de rechtbank vast dat zij als gevolg van het in de zaak onder parketnummer 05/840054-18 onder feit 3 bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. Uit de bijgevoegde factuur blijkt dat de stukprijs van de weggenomen laptop € 768,00 (excl. BTW bedraagt). Uitgaande van een gemiddeld afschrijvingspercentage van twintig procent per jaar, zal de rechtbank de geleden schade schatten op, en daarvoor een vergoeding toewijzen tot, een bedrag van € 460,80, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 2 januari 2018 en zal zij de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Tevens ziet de rechtbank aanleiding de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Ook voor de vordering ingediend door benadeelde partij [slachtoffer 9] in de zaak met 05/840054-18 onder feit 6 geldt dat de benadeelde partij direct schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De kosten voor de aanvraag ‘ [naam 4] ’ van € 15,00 komen voor vergoeding in aanmerking. Daar de overige (reis)kosten onvoldoende zijn onderbouwd, zal de rechtbank de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Tevens ziet de rechtbank aanleiding de gevorderde wettelijke rente toe te passen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

9 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 27, 36f, 45, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het in de zaak met parketnummer 05/840154-18 onder feit 2 primair tenlastegelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1 in de zaak met parketnummer 05/841350-17 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van een bedrag van € 300,00 (driehonderd euro);

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 3 in de zaak met parketnummer 05/840054-18 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van een bedrag van € 460,80 (vierhonderdzestig euro en tachtig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 6] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 6 in de zaak met parketnummer 05/840054-18 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer 9] van een bedrag van € 15,00 (vijftien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer 9] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 1] , een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro), met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 6 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 6] , een bedrag te betalen van € 460,80 (vierhonderdzestig euro tachtig), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 9 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 9] , een bedrag te betalen van € 15,00 (vijftien euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 17 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal 1 dag hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 9] in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Hamaker (voorzitter), mr. M.C. van der Mei en mr. A. Tegelaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.J.M. Fransen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 april 2018.

mr. J.M. Hamaker is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017577675, gesloten op 17 december 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2017557471, gesloten op 5 december 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 3.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 15.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige, p. 17.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 14.

7 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 40-41.

8 Verklaring afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting.

9 Proces-verbaal van aanhouding door burger p. 25.

10 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 3] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018027506, gesloten op 18 januari 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

11 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 4] van de politie Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018078588, gesloten op 20 februari 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

12 Proces-verbaal van aangifte p. 12-13.

13 Proces-verbaal van verhoor aangever, p. 15.

14 Verklaring van verdachte afgelegd tijdens het onderzoek ter terechtzitting.