Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1828

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
05/820023-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Schuld in de zin van art 6 WVW en Overtreding van artikel 8 WVW, rijden onder invloed, wettig en overtuigend bewezen. Gevangenisstraf 6 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar + 18 maanden OBM.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820023-17

Datum uitspraak : 20 april 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] te [woonplaats]

raadsman: mr. M.B. Chylinska, advocaat te Haarlem.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 06 april 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

Primair

zij op of omstreeks 4 december 2016 te Wamel in de gemeente West Maas en Waal, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Dreumel en/of gaande in de richting Beneden Leeuwen, daarmee rijdende op de uit twee rijstroken, bestaande weg, de Van Heemstraweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcohol, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank,

in strijd met artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan haar, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door haar, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Van Heemstraweg) is terecht gekomen en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Van Heemstraweg) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Van Heemstraweg) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander/en (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

terwijl zij, verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of artikel 175 lid 3 WVW’94.

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

zij op of omstreeks 4 december 2016 te Wamel in de gemeente West Maas en Waal, als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Dreumel en/of gaande in de richting Beneden Leeuwen, daarmee heeft gereden op de uit twee rijstroken, bestaande weg, de Van Heemstraweg en

in strijd met artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan haar, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door haar, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Van Heemstraweg) is terecht gekomen en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Van Heemstraweg) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Van Heemstraweg) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto),

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

De in deze tenlastelegging gebruikte termen en uitdrukkingen worden, voor zover daaraan in de Wegenverkeerswet 1994 betekenis is gegeven, geacht in dezelfde betekenis te zijn gebezigd.

2.

zij op of omstreeks 04 december 2016 te Wamel, gemeente West Maas en Waal, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,14 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 4 december 2016 reed verdachte als bestuurder van een personenauto op de Van Heemstraweg te Wamel, komende uit de richting van Dreumel en gaande in de richting van Beneden Leeuwen.2 [slachtoffer 1] , als bestuurder van een personenauto, en [slachtoffer 2] , als passagier, reden op dezelfde weg, komende uit de richting van Beneden Leeuwen en gaande in de richting van Dreumel.3 Ter hoogte van (de kruising met) de Industrieweg reed verdachte op de weghelft van het tegemoet komende verkeer en is gebotst tegen de personenauto van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .4 Zij hebben door de botsing letsel opgelopen. [slachtoffer 1] heeft een gekneusde voet5 en een schaafwond aan het linker scheenbeen opgelopen.6 [slachtoffer 2] had een middenhandsbeentje uit de kom, waaraan zij is geopereerd.7 Voorts is een brug in het gebit afgebroken.8 Bij verdachte is een bloedtest afgenomen en gemeten is dat zij 1,14 promille alcohol in haar bloed had.9

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van feit 1 is de verdediging van mening dat verdachte voor het primair ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Hiertoe is aangevoerd dat er sprake is van een enkele verkeersfout die tot ernstige gevolgen heeft geleid. Verdachte is in een slip geraakt, waardoor zij op de verkeerde weghelft is geraakt. Er is geen sprake van een situatie waarbij verdachte honderden meters slingerend is komen aanrijden. Het subsidiair ten laste gelegde onder feit 1 kan volgens de verdediging wettig en overtuigend worden bewezen. Echter is zij van mening dat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging wegens het ontbreken van alle schuld. Hiertoe is aangevoerd dat de stuurbewegingen een gevolg zijn geweest van het feit dat verdachte in een slip is geraakt door gladheid. Dit kan niet aan verdachte worden verweten, waardoor zij niet strafbaar zou moeten zijn.

Ten aanzien van feit 2 heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat dit wettig en overtuigend kan worden bewezen.

Beoordeling door de rechtbank

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822). Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemde bepaling. Voorts kan niet reeds uit de aard van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

Getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben beiden verklaard dat zij zagen dat vanuit tegengestelde richting een auto op hen af kwam rijden en dat [slachtoffer 1] op de linkerbaan is gaan rijden om de auto te ontwijken. Vervolgens zagen zij dat de tegenligger op de eigen weghelft is gaan rijden. [slachtoffer 1] is toen zelf weer terug naar haar eigen weghelft gegaan. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zagen toen dat de tegenligger op zeer korte afstand weer op hun baan ging rijden, waardoor een frontale aanrijding is ontstaan.10

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat zij door gladheid in de slip is geraakt en op de andere weghelft terecht is gekomen. Zij kon geen controle meer krijgen over de auto door de gladheid of door een technisch mankement aan het stuur van de auto. Ter zitting is bepleit dat verdachte in een slip kan zijn geraakt door bijvoorbeeld plaatselijk modder op de weg.

Uit de verkeersongevallenanalyse volgt dat voor wat betreft de toestand van en het onderhoud aan de weg er geen bijzonderheden zijn ontdekt die van belang waren voor de oorzaak, de toedracht of de gevolgen van het ongeval.11 Nu uit het rapport niet blijkt van (plaatselijke) gladheid, is de rechtbank van oordeel dat er geen reden is om daar van uit te gaan. Voorts heeft getuige [getuige] verklaard dat het niet glad was.12

Uit de verkeersongevallenanalyse volgt verder dat de auto van verdachte in een voldoende rijtechnische staat van onderhoud verkeerde en, voor zover kon worden nagegaan, geen gebreken vertoonde die eventueel de oorzaak of van invloed zouden kunnen zijn geweest op het ontstaan dan wel het verloop van het ongeval.13 Gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van de verdachte dat er sprake was van een technisch mankement aan het stuur van de auto onaannemelijk.

[slachtoffer 2] heeft ten gevolge van de botsing volgens de rechtbank zwaar lichamelijk letsel (te weten een uit de kom geschoten middenhandsbeentje, waarvoor zij is geopereerd, en een afgebroken brug in het gebit) opgelopen. [slachtoffer 1] heeft ten gevolge van de botsing lichamelijk letsel opgelopen (te weten een gekneusde voet en een schaafwond aan het linker scheenbeen) waardoor tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gereden na gebruik van alcohol boven de toegestane hoeveelheid en dat zij daarbij tot twee maal toe op de verkeerde weghelft terecht is gekomen. Verdachte heeft daarmee volgens de rechtbank zeer onvoorzichtig en onachtzaam gereden. Het ongeval is dan ook aan verdachtes schuld te wijten. Zij is in ernstige mate tekort geschoten in de zorgvuldigheid die van haar als bestuurder mocht worden verwacht.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Feit 2:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 13 december 2016, p. 44;

- het proces-verbaal rijden onder invloed, p. 39 tot en met 41;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 6 april 2018.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1, primair, en onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Primair

zij op of omstreeks 4 december 2016 te Wamel in de gemeente West Maas en Waal, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), komende uit de richting Dreumel en/of gaande in de richting Beneden Leeuwen, daarmee rijdende op de uit twee rijstroken, bestaande weg, de Van Heemstraweg,

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcohol, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcoholhoudende drank,

in strijd met artikel 3 lid 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan haar, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door haar, verdachte bestuurde motorrijtuig (personenauto), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op de voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Van Heemstraweg) is terecht gekomen en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Van Heemstraweg) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op die voor het tegemoetkomend verkeer bestemde rijstrook van die weg (de Van Heemstraweg) rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto),

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan haar schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander/en (genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan en/of

terwijl zij, verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of artikel 175 lid 3 WVW’94.

2.

zij op of omstreeks 04 december 2016 te Wamel, gemeente West Maas en Waal, als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 1,14 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1, primair, en onder feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Het voorwaardelijke deel moet verdachte ervan weerhouden in de toekomst als zij zich wederom in een slechte toestand bevindt, toch een motorrijtuig te besturen. Voorts is geëist dat verdachte ter zake van feit 1, primair, zal worden veroordeeld tot oplegging van een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden. Hierbij is rekening gehouden met het tijdsverloop van de zaak.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat bij een vrijspraak voor feit 1 een geldboete van

€ 550,- gepast is voor feit 2. De verdediging heeft verzocht deze geldboete geheel voorwaardelijk op te leggen. Subsidiair refereert de verdediging zich aan het oordeel van de rechtbank, maar verzoekt de helft van de straf voorwaardelijk op te leggen, gelet op de zorg die verdachte draagt voor haar dochter in Polen. Meer subsidiair, indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring van artikel 6 WVW, is de verdediging van mening dat een taakstraf op zijn plaats is. Verzocht is deze taakstraf te beperken tot zo’n 40 uur.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 8 februari 2018.

Verdachte heeft als bestuurder van een personenauto, terwijl zij onder invloed was van alcohol, een verkeersongeval veroorzaakt. Als gevolg daarvan heeft het ene slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen en het andere slachtoffer lichamelijk letsel, waardoor zij tijdelijk is gehinderd in de uitoefening van haar dagelijkse bezigheden.

Op verkeersdeelnemers rust een zorgplicht en verdachte is hier in zeer ernstige mate in tekort geschoten. Verdachte heeft daarmee haar verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van haar medeweggebruikers onvoldoende in acht genomen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat verdachte niet eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen. De rechtbank houdt hier in het voordeel van verdachte rekening mee. De rechtbank houdt voorts in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat na het verkeersongeval een jaar en 4,5 maanden zijn verstreken voordat de rechtbank uitspraak heeft gedaan.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS wordt voor het veroorzaken van een verkeersongeval, onder invloed van 1,41 mg/ml ethanolconcentratie, met zeer ernstige schuld en zwaar lichamelijk letsel ten gevolge een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 2 jaar als uitgangspunt genomen.

Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval een gevangenisstraf passend en geboden is. De rechtbank zal dan ook aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden opleggen. De rechtbank zal hiervan drie maanden voorwaardelijk opleggen als stok achter de deur voor verdachte om niet meer een motorrijtuig te besturen onder invloed van alcohol. De rechtbank zal hier een proeftijd van 2 jaar aan koppelen.

Als bijkomende straf zal de rechtbank voor het onder feit 1, primair, bewezenverklaarde een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden opleggen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d , 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 3 (drie) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ontzegt verdachte ten aanzien van het onder feit 1, primair, bewezen verklaarde de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.C. Leemreize (voorzitter), mr. W.L.F. Prisse en mr. E. Stevens, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 april 2018.

mr. E. Stevens is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost-Nederland, district Gelderland-Zuid, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016591829, gesloten op 22 februari 2017, en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 67.

3 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 55; proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , p. 48.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 55; proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , p. 48; verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 6 april 2018.

5 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , p. 48-49 en 50-51.

6 Geneeskundige verklaring, p. 54.

7 Geneeskundige verklaring, p. 60.

8 Geneeskundige verklaring, p. 61.

9 NFI rapport d.d. 13 december 2016, p. 44; proces-verbaal rijden onder invloed, p. 41.

10 Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , p. 55; proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 1] , p. 48.

11 Proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, p. 16.

12 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] d.d. 7 december 2016 p. 46.

13 Proces-verbaal verkeersongevallenanalyse, p. 20.