Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:181

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
03-01-2018
Datum publicatie
18-01-2018
Zaaknummer
C/05/329844 / FA RK 17-3845
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Man en vrouw komen in beroep tegen het besluit van de ABS om erkenning door de man van het kind niet toe te staan. De rechtbank oordeelt dat de vrouw vanwege haar Roma-achtergrond in de onmogelijkheid verkeert om bescheiden te overleggen die voldoen aan de binnen de Nederlandse rechtsorde daaraan te stellen eisen waaruit haar identiteit en burgerlijke staat blijken. Zij kan daardoor niet bewijzen dat zij op het moment van de geboorte van haar kind niet gehuwd was. De rechtbank acht het in dit geval noodzakelijk dat door middel van een DNA-onderzoek wordt vastgesteld of de man daadwerkelijk de biologische vader van het kind is. Als dit het geval is, kan het worden aangemerkt als een ongerechtvaardigde inmenging in het ‘family life’ van betrokkenen in de zin van artikel 8 EVRM indien de erkenning niet wordt toegestaan.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 18b
Burgerlijk Wetboek Boek 1 27
Burgerlijk Wetboek Boek 10 95
Burgerlijk Wetboek Boek 1 199
Burgerlijk Wetboek Boek 1 204
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 8
Verdrag inzake de rechten van het kind 3
Verdrag inzake de rechten van het kind 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2018/54.16
PFR-Updates.nl 2018-0026
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/329844 / FA RK 17-3845

Datum uitspraak: 3 januari 2018

beschikking

naar aanleiding van het verzoek van

[naam]

en

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

afzonderlijk nader te noemen: de man en de vrouw en gezamenlijk: verzoekers,

advocaat mr. E.C. Weijsenfeld te Haarlem,

tegen

De ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Ede (nader te noemen: de ABS).

In zijn hoedanigheid als vermeld in artikel 44 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- het Openbaar Ministerie in het arrondissement Oost-Nederland.

1 Het procesverloop

1.1.

Dit verloop blijkt uit:

- het verzoekschrift, ingekomen op 28 november 2017.

1.2.

De zaak is behandeld ter zitting met gesloten deuren van 13 december 2017. Daarbij waren aanwezig:

  • -

    de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaat;

  • -

    mevrouw T. Gökalp en mevrouw. S. El Anbri, beiden ABS;

  • -

    de officier van justitie, mr. M.C. Hartman.

2 De feiten

2.1.

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar.

2.2.

De man heeft de Nederlandse nationaliteit. De nationaliteit van de vrouw is onbekend. Zij behoren beiden tot de Roma gemeenschap. De vrouw beschikt over een International Roma Pass waarin de volgende persoonsgegevens vermeld staan:

- voornaam: [naam]

- naam: [geslachtsnaam]

- geboortedatum: [geboortedatum]

- geboorteplaats: [plaats in Duitsland] .

2.3.

Aan de vrouw is op 13 september 2017 uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet. Zij heeft in verband hiermee een identiteitsdocument van de IND verkregen.

2.4.

Uit de vrouw is op [geboortedatum] 2017 de minderjarige [kind] geboren. In de geboorteakte van [kind] zijn geen vadergegevens opgenomen. Als moeder staat vermeld: [de vrouw] , geboren op [geboortedatum] te [plaats in Duitsland] .

2.5.

Op 12 oktober 2017 heeft mr. Weijsenfeld voornoemd namens verzoekers een schriftelijke aanvraag voor erkenning van [kind] door de man ingediend bij de burgerlijke stand van de gemeente Ede. Bij brief van 16 november 2017 heeft de ABS te kennen gegeven deze aanvraag niet in te willigen.

3 Het verzoek en de standpunten

3.1.

De man en de vrouw verzoeken de rechtbank bij beschikking, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    het besluit van de ABS te vernietigen;

  • -

    de ABS te gelasten alsnog een erkenningsakte op te maken en de latere vermelding toe te voegen aan de geboorteakte van [kind] en op te nemen in de registers van de burgerlijke stand, met daarin de gegevens van de man als vader van [kind] ;

  • -

    als geslachtsnaam van [kind] toe te wijzen: [geslachtsnaam man] .

3.2.

Ter onderbouwing van hun verzoeken stellen de man en de vrouw het volgende. Zij hebben elkaar ontmoet op een familiefeest in Italië, waar de vrouw jarenlang heeft gewoond. De vrouw is vervolgens met de man meegegaan naar Nederland. Zij heeft tijdelijk toestemming van de IND gekregen om in Nederland te verblijven, omdat zij zwanger was. Op [geboortedatum] 2017 is [kind] geboren. Reeds voor de geboorte heeft de man de ABS meerdere malen tevergeefs verzocht de ongeboren vrucht te mogen erkennen. Ook bij de geboorteaangifte heeft hij hierom gevraagd, maar de ABS weigerde hier aan mee te werken. De schriftelijke aanvraag die de advocaat van verzoekers vervolgens heeft gedaan, heeft geleid tot het bestreden besluit. De ABS weigert de erkenning toe te staan, omdat de identiteit van de vrouw niet vast zou staan. Volgens verzoekers heeft de IND echter een identiteitsdocument afgegeven voor de vrouw en is er geen reden om aan de gegevens die daarin staan te twijfelen. Bovendien staan de gegevens van de vrouw al op de geboorteakte van [kind] . Verzoekers behoren tot de Roma gemeenschap en bevinden zich in een kwetsbare positie. De vrouw heeft, behoudens het IND-identiteitsdocument en een Roma-paspoort, geen officiële documenten en is staatloos. Doordat de man [kind] niet mag erkennen, is [kind] op dit moment net als zijn moeder staatloos, kan er geen zorgverzekering voor hem worden afgesloten en kan er geen kinderbijslag of kindgebonden budget voor hem worden aangevraagd. [kind] heeft een belang bij het hebben van een identiteit, inclusief het hebben van een juridische relatie met zijn vader, gelet op de artikelen 3 en 7 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK). Indien de erkenning van [kind] door de man alsnog wordt toegestaan, kan de vrouw ook een verblijfsrecht krijgen, kan het gezin bij elkaar blijven en wordt een inbreuk in hun ‘family life’ (conform artikel 8 van het Europees Verdrag inzake de Rechten van de Mens (EVRM), artikel 9 IVRK en artikel 7 van het Handvest voor de Grondrechten van de EU) voorkomen, aldus verzoekers.

3.3.

De ABS voert aan dat er op dit moment nog teveel onduidelijkheid is over de identiteit en met name de huwelijkse staat van de vrouw. Indien de vrouw gehuwd is, kan de man [kind] niet erkennen, omdat er dan al een juridische vader is. Het tijdelijke vreemdelingendocument dat de IND aan de vrouw heeft afgegeven is een zogenoemd W2-document. De tijdelijke verblijfsvergunning van de vrouw is afgegeven op humanitaire gronden. Het W2-document is alleen gebaseerd op hetgeen de vrouw aan de IND heeft verklaard en er heeft geen grondig onderzoek naar haar daadwerkelijke identiteit en burgerlijke staat plaatsgevonden. De ABS heeft bij het ‘Standesamt’ van de gemeente [plaats in Duitsland] (de plaats waar de vrouw zou zijn geboren) geïnformeerd, maar in die gemeente zijn geen gegevens van de vrouw bekend. De ABS wil graag meer bewijsstukken uit het leven van de vrouw, bijvoorbeeld uit haar tijd in Italië, om meer zekerheid te krijgen over haar identiteit en burgerlijke staat.

3.4.

De officier van justitie heeft te kennen gegeven het standpunt van de ABS te begrijpen vanuit de gedachte dat de juistheid van de akten van de burgerlijke stand zoveel mogelijk gewaarborgd moeten blijven. Er kan op dit moment immers niet worden uitgesloten dat de vrouw is gehuwd en dat [kind] al een juridische vader heeft. Mede gelet op het belang van [kind] adviseert zij de rechtbank echter een DNA-onderzoek te gelasten om vast te stellen of de man de biologische vader is van [kind] . Hoewel de burgerlijke staat van de vrouw hiermee niet komt vast te staan, komt er wel meer duidelijkheid over het vaderschap. Indien de man de biologische vader van [kind] is, kan bovendien worden uitgesloten dat sprake is van een zogenoemde schijnerkenning enkel in verband met de verblijfsstatus van de vrouw.

4 De beoordeling

4.1.

Naar aanleiding van een besluit van een ambtenaar van de burgerlijke stand om op grond van artikel 1:18b of 1:20c van het Burgerlijk Wetboek (BW) te weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken, een latere vermelding aan een akte toe te voegen of (buiten het geval van stuiting van het huwelijk of het geregistreerd partnerschap en dat van afgifte van een afschrift of een uittreksel) aan een verrichting mee te werken, hebben belanghebbende partijen de bevoegdheid zich binnen zes weken na de verzending van dat besluit bij verzoekschrift te wenden tot de rechtbank binnen welk rechtsgebied de standplaats van de ambtenaar van de burgerlijke stand is gelegen (artikel 1:27 BW).

Aangezien het in deze zaak gaat om een besluit van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Ede, is deze rechtbank bevoegd van het verzoek kennis te nemen. Verzoekers hebben hun verzoek binnen de wettelijke termijn van zes weken bij de rechtbank ingediend, zodat zij ontvankelijk zijn in hun verzoek.

4.2.

Ter inhoudelijke beoordeling van de verzoeken schetst de rechtbank eerst de juridische kaders.

Omdat ten tijde van de aangifte van de geboorte van [kind] de nationaliteit van de vrouw niet bekend was, heeft de ABS Nederlands recht toegepast bij het opstellen van de geboorteakte van [kind] , omdat een kind naar Nederlands recht altijd een moeder heeft tot wie het in een familierechtelijke betrekking staat en de vrouw, uit wie [kind] is geboren, op dat moment in Nederland woonachtig was.

Op grond van artikel 10:95 van het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht van toepassing op de door verzoekers gewenste erkenning, aangezien de man de Nederlandse nationaliteit bezit. Erkenning van een kind is ingevolge artikel 1:204 lid 1 sub f BW nietig als er al twee juridische ouders zijn. Dat is, naar Nederlands recht, het geval als de vrouw ten tijde van de geboorte gehuwd was. Dit volgt uit artikel 1:199 sub a BW waarin is bepaald dat de vader van een kind is de man die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd.

4.3.

De ABS is op grond van artikel 1:18b BW bevoegd te weigeren een akte van de burgerlijke stand op te maken of een latere vermelding aan een akte toe te voegen wanneer hij meent dat de partij of de belanghebbende in gebreke is met het overleggen van de vereiste bescheiden of dat deze bescheiden ongenoegzaam zijn of wanneer hij meent dat de Nederlandse openbare orde zich daartegen verzet.

Daarbij is de vraag of en in hoeverre het bepaalde in artikel 8 EVRM en de artikelen 3
en 7IVRK een rol kan spelen bij de beslissing van de ABS. Artikel 8 EVRM behelst het recht op ‘family life’. Op grond van artikel 3 IVRK dienen bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging te vormen en ingevolge artikel 7 IVRK heeft een kind het recht vanaf de geboorte een naam te hebben en een nationaliteit te verwerven.

4.4.

De rechtbank overweegt als volgt. De ABS heeft tot taak de juistheid van de akten in de registers van de burgerlijke stand zo goed mogelijk te borgen. Om te beoordelen of de man [kind] mag erkennen, dient de ABS - gelet op voormelde wetsartikelen - te controleren of de vrouw ten tijde van de geboorte van [kind] gehuwd was. Vast staat dat de vrouw geen document kan overleggen dat objectieve bewijskracht heeft ten aanzien van haar identiteit en burgerlijke staat. Met de ABS is de rechtbank van oordeel dat het W2-document van de IND en het Roma-document hiertoe niet volstaan, nu niet betwist is dat de IND de persoonsgegevens van de vrouw vanwege het tijdelijk karakter van haar verblijf niet heeft geverifieerd (en wellicht ook niet heeft kunnen verifiëren). De ABS heeft toegelicht dat dit eigenlijk al bij het opmaken van de geboorteakte van [kind] een probleem opleverde, maar dat zij daaraan voorbij is gegaan in het belang van [kind] bij registratie van zijn geboorte. Omdat de ABS noch de identiteit van de vrouw kon verifiëren noch een eventueel gehuwd zijn is erkenning vervolgens geweigerd. De vrouw stelt dat het voor haar niet mogelijk is een document te verstrekken dat aan de vereisten voldoet en dat door een daartoe bevoegde instantie is afgegeven. Dit vloeit voort uit haar kwetsbare positie als lid van de Roma gemeenschap. Volgens de vrouw is zij in [plaats in Duitsland] geboren uit ouders die rondtrokken en is er geen aangifte van haar geboorte gedaan. Na het overlijden van haar ouders (de vrouw was toen vijf jaar oud) is zij een tijd door haar grootouders in Italië verzorgd. Toen ook zij overleden, werd de vrouw in huis genomen door een andere familie uit de Roma gemeenschap. De vrouw werd echter uitgebuit en uit bedelen gestuurd. Zij is verkracht en heeft in Italië een kind ter wereld gebracht terwijl ze zelf nog minderjarig was. Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat dit drie à vier jaar geleden is gebeurd. Toen zij op een dag thuis kwam, was de familie bij wie zij woonde samen met haar kind verdwenen. De vrouw heeft daarna nooit meer contact gehad met haar kind en heeft ook geen enkel bewijsstuk van zijn bestaan. In Italië heeft zij als rondtrekkende Roma nooit contact gehad met de overheid. Hierdoor zijn er geen andere bewijzen van haar identiteit en bestaan dan haar Roma-document en het door de IND afgegeven W2-document, aldus de vrouw.

4.5.

De rechtbank constateert dat de vrouw vanwege haar Roma-achtergrond in de onmogelijkheid verkeert om bescheiden te overleggen die voldoen aan de binnen de Nederlandse rechtsorde daaraan te stellen eisen waaruit haar identiteit en burgerlijke staat blijken. Zij kan daardoor niet bewijzen dat zij op het moment van de geboorte van [kind] niet gehuwd was. Ook navraag door de ABS heeft geen nadere informatie opgeleverd. De man en de vrouw willen graag als gezin met [kind] in Nederland blijven wonen en een toekomst samen opbouwen. Het is daarom van belang dat [kind] door de man kan worden erkend. Hoewel de ABS op zichzelf op goede gronden de erkenning heeft geweigerd, is de vraag of het recht op ‘family life’ en het belang van [kind] zoals gewaarborgd door de artikelen 3 en 7 van het IVRK tot een andere uitkomst zouden moeten leiden.

4.6.

De rechtbank stelt voorop dat het van groot belang is dat akten van de burgerlijke stand de juiste gegevens bevatten, zeker omdat deze akten in het maatschappelijk verkeer als brondocumenten worden gebruikt. De in de wet gestelde eis dat genoegzame bescheiden moeten worden overgelegd is dan ook noodzakelijk in een democratische samenleving teneinde de rechtszekerheid te waarborgen en voorts ter bescherming van de belangen van de minderjarige. Vanuit deze achtergrond moet er een belangrijke reden zijn om af te wijken van deze regel. Vast staat dat het onmogelijk is om de noodzakelijke informatie te verkrijgen. Daarmee zou een erkenning van [kind] definitief uitgesloten zijn. Die consequentie acht de rechtbank te vergaand wanneer zou blijken dat de man de biologische vader van [kind] is. De rechtbank acht het daarom in dit geval noodzakelijk dat door middel van een DNA-onderzoek wordt vastgesteld of de man daadwerkelijk de biologische vader van [kind] is. Verzoekers zijn daar weliswaar van overtuigd, maar indien de rechtbank - conform hun verzoek - de in de wet gestelde eisen terzijde zou stellen, is die enkele overtuiging daartoe ontoereikend. Als uit het uit te voeren DNA-onderzoek blijkt dat de man inderdaad de biologische vader is van [kind] kan het worden aangemerkt als een ongerechtvaardigde inmenging in het ‘family life’ van betrokkenen in de zin van artikel 8 EVRM indien de erkenning niet wordt toegestaan. De belangen van de betrokkenen, met name van [kind] , worden dan onevenredig getroffen als de man de biologische vader van [kind] blijkt te zijn, maar hem niet mag erkennen, enkel en alleen omdat de identiteit en burgerlijke staat van de vrouw onvoldoende kunnen worden geverifieerd.

4.7.

Gelet op het voorgaande, mede gelet op de artikelen 3 en 7 IVRK, zal de rechtbank opdracht geven tot een DNA-onderzoek zoals hierna te vermelden. De kosten van het onderzoek zullen voorlopig geheel ten laste van de Staat worden gesteld.

4.8.

In afwachting van het resultaat van voormeld onderzoek, zal iedere verdere beslissing worden aangehouden.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

beveelt dat een DNA-onderzoek door een deskundige zal worden gedaan ter beantwoording van de navolgende vragen:

  • -

    Is [de man] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , wonende te [woonplaats] , uit te sluiten als de vader van de minderjarige [kind] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ?

  • -

    zo nee, met welke mate van waarschijnlijkheid kan de man als de vader van de minderjarige worden beschouwd?

5.2.

benoemt tot deskundige dr. J.W.J. van der Stappen, werkzaam bij het Canisius-Wilhelmina Ziekenhuis, Klinisch Chemisch Laboratorium, 6532 SZ Nijmegen, Weg door Jonkerbos 100, (postbus 9015, 6500 GS Nijmegen, tel. 024-3658693);

5.3.

bepaalt dat het aan de deskundige te betalen voorschot, zijnde een bedrag van € 520,30 inclusief BTW, voorlopig ten laste van de Staat zal worden gesteld;

5.4.

bepaalt dat de plaats en het tijdstip van het onderzoek zal worden vastgesteld door de deskundige in overleg met partijen;

5.5.

beveelt de betrokkenen om alle medewerking aan het onderzoek door de deskundige te verlenen;

5.6.

bepaalt dat de griffier een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal toezenden;

5.7.

bepaalt dat de deskundige de uitslag van het DNA-onderzoek in een schriftelijk ondertekend bericht zal toezenden aan de griffie van deze rechtbank onder vermelding van de zaakgegevens (C/05/329844 FA RK 17-3845);

5.8.

bepaalt dat de griffier een afschrift van het deskundigenbericht zo spoedig mogelijk na ontvangst zal opsturen aan alle betrokkenen;

5.9.

bepaalt dat de betrokkenen in de gelegenheid zullen worden gesteld om binnen een termijn van drie weken daarop schriftelijk te reageren;

5.10.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.E.M. Overkamp, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.V.R. van Raaij als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 januari 2018.