Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1756

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
24-04-2018
Zaaknummer
05/840672-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, heeft een 52-jarige man veroordeeld voor een serie misdrijven. Naast de bedreiging van zijn voormalige verhuurder, waren deze misdrijven gericht tegen aangeefster. Hij heeft haar belaagd door haar te bestoken met berichten, telefoongesprekken en hij heeft ten onrechte hulpdiensten zoals politie en brandweer naar haar toe gestuurd. Door zijn handelwijze heeft hij haar ernstig geïntimideerd, beledigd en bedreigd.

De officier van justitie heeft een deels voorwaardelijke gevangenisstraf gevorderd. De rechtbank heeft anders besloten en heeft geen voorwaardelijk strafdeel opgelegd. Over de man is geschreven dat hij zijn eigen gang gaat en zich niet laat sturen door reclassering of andere hulpverleners. Gelet hierop heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat – ter voorkoming van recidive - een voorwaardelijk strafdeel enig nut zal hebben. De rechtbank heeft de man een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/840672-17

Datum uitspraak : 18 april 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum 1] 1966 te [geboorteplaats 1] , wonende aan de [adres 1] ,

raadsman: mr. Ph.J.N. Aarnoudse, advocaat te Deventer.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting

van 4 april 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 juni 2017 tot en met 14 juni 2017 te Zutphen en/of te Heino, in ieder geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 13 juni 2017 gegeven door de officier van justitie van het Arrondissementsparket Oost-Nederland kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte zicht dient te onthouden van ieder contact, direct of indirect (dus ook niet via sociale media) met [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] en/of dat hij zich niet in het gebied van de woning aan de [adres 2] zal ophouden en/of dat hij die woning niet zal betreden en/of niet in die woning aanwezig zal zijn;

2. hij op of omstreeks 13 oktober 2016 te Zutphen, in elk geval in Nederland, [naam 2] heeft bedreigd met brandstichting, door die [naam 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik steek je huis in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 juni 2017 tot en met 10 juni 2017 te Heino, althans in de gemeente Raalte en/of te Zutphen, in elk geval in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam 1] , (telkens) door:

- die [naam 1] vele malen te bellen en/of vele malen voicemail berichten in te spreken en/of videoboodschappen te sturen, en/of

- die [naam 1] vele whatsapp-berichten te sturen (inhouden beledigende en/of dreigende en/of intimiderende teksten),

met het oogmerk die [naam 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te

dulden en/of vrees aan te jagen;

4. hij in of omstreeks de periode van 8 juni 2017 tot en met 10 juni 2017 te Heino, althans in de gemeente Raalte en/of te Zutphen, in elk geval in Nederland [naam 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door die [naam 1] dreigend de woorden toe te voegen: "Jij komt vanavond wel aan de beurt. Vanavond heb je de brandweer echt nodig" en/of "Ik ga je omleggen", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 juni 2017 tot en met 8 juni 2017 te Zutphen, althans in het arrondissement Oost-Nederland, in elk geval in Nederland opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, door (telkens) 112 te bellen (waardoor er naar het adres [adres 2] de politie en/of de ambulance en/of de dierenambulance en/of de brandweer is gestuurd.

2 Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat al de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden.

Het standpunt van de verdediging

Verdachte heeft de feiten 2 en 4 (ondubbelzinnig) bekend. De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van alle feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank zal de feiten zo veel mogelijk chronologisch behandelen.

Ten aanzien van feit 2 1

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [naam 2] , p. 3 en 4;

- het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] , p. 5 en 6;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 17.

Ten aanzien van de feiten 3, 4 en 5 2

Feit 3

Aangeefster [naam 1] , wonende aan de [adres 2] , heeft op 10 juni 2017 verklaard dat verdachte vanaf 4 juni 2017 is begonnen haar te stalken. Hij viel haar bijna elke minuut lastig met bellen, WhatsApp-berichten en videoboodschappen. Verdachte beheerste in die periode aangeefsters hele bestaan, ze was bang en helemaal op van de spanning, aldus aangeefster.3 Op 3 juni 2017, 22:00, schrijft aangeefster aan verdachte via WhatsApp: “Hoop ook dat je ne no met rust laat ik reageer niet meer”.4Verdachte heeft verklaard dat hij ruzie had met aangeefster ongeveer twee weken voor 12 juni 2017 en dat zij tegen hem zei dat ze “klaar was met hem”.5

Tijdens het opnemen van de verklaringen van aangeefster heeft een verbalisant geluidsfragmenten van ingesproken berichten gehoord. In drie berichten ingesproken op 9 juni 2017 (om 15.30, 15.38 en 19.30 uur) is te horen:

ik weet precies wanneer je weg bent hoor. Precies wanneer. Ik heb niet lang nodig. 10 minuten en ik heb alles wat ik hebben wil”,

ik wil geld, anders kom ik het gewoon halen. Ik haal gewoon alles bij je weg. Ik breek gewoon bij je in”, en

Ik ben [verdachte] . Ik ben [naam 3] . Wie mij ontmoet zal me nooit vergeten.

Verder heeft verbalisant waargenomen dat de telefoon van aangeefster vanaf 10 juni 2017 08.50 uur tot 09.59 uur 16 keer is overgegaan. Elke keer was het verdachte die via WhatsApp belde. Aangeefster heeft de telefoon niet beantwoord, waarop verdachte 12 ingesproken berichten stuurde.6

In het dossier bevindt zich een bijlage met een uitdraai van 10 pagina’s van WhatsApp-gesprekken van verdachte met aangeefster in de periode van 3 juni 2017 tot en met 8 juni 2017. Op elke pagina zijn ruim 40 contactmomenten weergegeven.7 In die bijlage staat onder andere weergegeven dat [verdachte] (rechtbank: kennelijk wordt bedoeld [verdachte] ) schreef:

op 6 juni 2017, 14:52: “jou trouwe n ook ik verkracht jou gruwelijk je kan toch niks doen je bent altijd aleen” en “I ook in jou kond nuek ik je”8,

op 6 juni 2017, 16:27: “Ik heb nu wel zin om je kats in mekaar je kats in mekaar te slaaninniie heb dat niet goed gedaan”9,

op 6 juni 2017, 21:41: “sta bij de wagen van netje nu ik gooi er een blik benzine un zeg nou wat ik wort steets kwaaier”10,

op 8 juni 2017, 17:04: “oke fijf minuten begind de oorlog”11

op 08-06-17, 18:40: “Dan komen zo nog de op riumings dienst voor vuurwapens”.12 Verdachte heeft bekend dit laatste bericht te hebben gezegd (kennelijk bedoelde verdachte: geschreven).13

Gelet op (onder meer) deze laatste verklaring van verdachte is de rechtbank van oordeel dat de hiervoor weergegeven (gesproken dan wel geschreven) berichten van verdachte afkomstig zijn.

Tenslotte heeft verdachte zich in de tenlastegelegde periode van de belaging schuldig gemaakt aan bedreiging van aangeefster en het zonder noodzaak sturen van de hulpdiensten naar het adres van aangeefster, welke feiten als feit 4 respectievelijk 5 tenlastegelegde zijn gelegd en die door de rechtbank bewezen zullen worden verklaard. Deze feiten, in onderling verband bezien met de (geschreven en gesproken) berichten, zijn eveneens belagingshandelingen tegenover aangeefster.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte met de hiervoor weergegeven gedragingen wederrechtelijk en opzettelijk stelselmatig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster met het oogmerk aangeefster vrees aan te jagen. Verdachte heeft, weliswaar in een betrekkelijk korte periode, maar op zeer veel momenten en op een zeer indringende en bedreigende wijze contact gezocht met aangeefster. Dat verdachte het oogmerk had aangeefster vrees aan te jagen blijkt uit de inhoud van de (schriftelijke en gesproken) berichten. Aangeefster heeft ook verklaard dat zij zich daadwerkelijk bang was voor verdachte en op was van de spanning. Aannemelijk is dan ook dat het handelen van verdachte in die periode een zeer nadelige invloed op het leven van aangeefster heeft gehad. De rechtbank is voorts van oordeel dat het handelen van verdachte als wederrechtelijk is aan te merken. Verdachte wist dat aangeefster klaar met hem was en aangeefster heeft verdachte geschreven dat ze hoopte dat hij haar met rust zou laten. Tenslotte heeft verdachte zich tijdens de belaging expliciet bedreigend tegenover aangeefster uitgelaten, hetgeen maakt dat zijn handelen wederrechtelijk is. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 3 tenlastegelegde.

Feit 4

Er is ten aanzien van feit 4 sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte van [naam 1] , p. 3 en 4;

- het proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 31.

Feit 5

Aangeefster [naam 1] heeft verklaard dat in de nacht van 7 op 8 juni 2017 ineens politie voor haar deur stond. Er was een melding binnengekomen dat er een man met een wapen bij de wagen van aangeefster zou staan. Het bleek een valse melding te zijn.

Op 8 juni 2017 rond 11.00 uur stond er een ambulance voor de deur van aangeefster. Dit naar aanleiding van een melding dat een vrouw niet aanspreekbaar in de wagen zou liggen. Dit bleek ook een valse melding te zijn.

Rond 18.19 uur stond de politie en de brandweer met loeiende sirenes voor de deur bij aangeefster. Zij hadden de melding gekregen dat haar wagen in brand zou staan. Ook deze melding bleek vals te zijn.14

Tijdens het horen van aangeefster las een verbalisant, kennelijk vanaf het telefoontoestel van aangeefster, de volgende WhatsApp-berichten:

8 juni 2017, 18.39; “whahaha, jullie gaan er achter zag trouwens weer wat het is druk bij jou met hulpdiensten.”

8 juni 2017, 18.40; “dan komen zo nog de op ruimings diens voor vuurwapens.”

8 juni 2017, 18.41; “en nog veel meer dat er komt”.15

In de overgelegde lijst met WhatsApp-berichten, zoals hiervoor vermeld afkomstig van verdachte, staan deze berichten ook genoemd.16

Bij onderzoek aan de telefoon van verdachte heeft een verbalisant gezien dat er met dat toestel op 8 juni 2017 tot drie maal toe met 112 is gebeld.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat het verdachte was die opzettelijk gebruik heeft gemaakt van het alarmnummer 112 zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was. De rechtbank komt dan ook tot een bewezenverklaring van het onder feit 5 tenlastegelegde.

Feit 1

Op 13 juni 2017 heeft de officier van justitie van het Arrondissementsparket Oost-Nederland een gedragsaanwijzing ondertekend, welke aan verdachte op die datum is uitgereikt. Die gedragsaanwijzing hield (onder andere) in dat verdachte zich diende te onthouden van ieder contact, direct of indirect (dus ook niet via sociale media) met aangeefster [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] .17

Naar aanleiding van een melding van aangeefster [naam 1] hebben verbalisanten de telefoon van aangeefster bekeken. Op de mobiele telefoon zagen de verbalisanten dat verdachte op de avond van 13 juni 2017 en de nacht van 14 juni 2017 in ongeveer vier uur tijd 20 tot 30 WhatsApp-berichten naar aangeefster heeft gestuurd. Onder die berichten bevonden zich ook ingesproken audioberichten. Terwijl verbalisanten bij aangeefster waren, ging de telefoon van aangeefster over. Een verbalisant heeft opgenomen, maar zij hoorde geen geluid.18 Verdachte heeft bevestigd dat hij in een tijdsbestek van drie a vier uur 25 tot 30 WhatsApp-berichten heeft gestuurd en dat hij het telefoonnummer van aangeefster heeft gebeld, waarop een agente opnam.19

Verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat alleen sprake was van een gebiedsverbod. Hij had de brief op het politiebureau in Deventer gekregen, had de brief halfgelezen en vervolgens weggegooid, aldus verdachte.20

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat verdachte opzettelijk de gedragsaanwijzing heeft overtreden. De gedragsaanwijzing was aan verdachte uitgereikt en verdachte heeft deze gelezen. Dat hij niet zou hebben geweten dat sprake was van een contactverbod, omdat hij delen van die aanwijzing niet (voldoende) zou hebben gelezen, komt voor rekening van verdachte en is tegenstrijdig met zijn eigen verklaringen. Verdachte heeft immers verklaard dat hij aangeefster heeft gevraagd waarom ze contact met hem opnam, omdat verdachte ook geen contact met haar mocht opnemen.21

Daarom komt de rechtbank ook tot een bewezenverklaring van dit feit.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:

1. hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 juni 2017 tot en met 14 juni 2017 te Zutphen en/of te Heino, in ieder geval in Nederland, (telkens) opzettelijk heeft gehandeld in strijd met de gedragsaanwijzing gegeven krachtens artikel 509hh, eerste lid, onderdeel b van het Wetboek van strafvordering, te weten de gedragsaanwijzing d.d. 13 juni 2017 gegeven door de officier van justitie van het Arrondissementsparket Oost-Nederland kort weergegeven inhoudende dat hij, verdachte zich dient te onthouden van ieder contact, direct of indirect (dus ook niet via sociale media) met [naam 1] , geboren op [geboortedatum 2] te [geboorteplaats 2] en/of dat hij zich niet in het gebied van de woning aan de [adres 2] zal ophouden en/of dat hij die woning niet zal betreden en/of niet in die woning aanwezig zal zijn;

2. hij op of omstreeks 13 oktober 2016 te Zutphen, in elk geval in Nederland, [naam 2] heeft bedreigd met brandstichting, door die [naam 2] dreigend de woorden toe te voegen: "Ik steek je huis in de fik", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 4 juni 2017 tot en met 10 juni 2017 te Heino, althans in de gemeente Raalte en/of te Zutphen, in elk geval in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [naam 1] , (telkens) door:

- die [naam 1] vele malen te bellen en/of vele malen voicemail berichten in te spreken en/of videoboodschappen te sturen, en/of

- die [naam 1] vele whatsapp-berichten te sturen (inhoudende beledigende en/of dreigende en/of intimiderende teksten),

met het oogmerk die [naam 1] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen;

4. hij in of omstreeks de periode van 8 juni 2017 tot en met 10 juni 2017 te Heino, althans in de gemeente Raalte en/of te Zutphen, in elk geval in Nederland [naam 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met brandstichting, door die [naam 1] dreigend de woorden toe te voegen: "Jij komt vanavond wel aan de beurt. Vanavond heb je de brandweer echt nodig" en/of "Ik ga je omleggen", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

5. hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 7 juni 2017 tot en met 8 juni 2017 te Zutphen, althans in het arrondissement Oost-Nederland, in elk geval in Nederland opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, door (telkens) 112 te bellen (waardoor er naar het adres [adres 2] de politie en/of de ambulance en/of de dierenambulance en/of de brandweer is gestuurd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van feit 1:

opzettelijk handelen in strijd met een gedragsaanwijzing, gegeven krachtens artikel 509hh, eerst lid, onderdeel b, van het Wetboek van Strafvordering

ten aanzien van feit 2:

bedreiging met brandstichting

ten aanzien van feit 3:

wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk maken op eens anders persoonlijke levenssfeer met het oogmerk die ander vrees aan te jagen

ten aanzien van feit 4:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en met brandstichting

ten aanzien van feit 5:

opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig is, gebruikmaken van een alarmnummer voor publieke diensten, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de tenlastegelegde feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 75 dagen, waarvan een maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft ervoor gepleit dat een zo groot mogelijk voorwaardelijk strafdeel wordt opgelegd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 8 februari 2018;

- reclasseringsadviezen, gedateerd 23 juni 2017, 19 juli 2017, 16 augustus 2017 en 16 maart 2018.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van na te melden duur leiden - dat verdachte zich in korte tijd heeft schuldig gemaakt aan een serie misdrijven. Naast de bedreiging van zijn voormalige verhuurder, waren deze misdrijven vooral gericht tegen aangeefster. Hij heeft haar belaagd door haar te bestoken met berichten en telefoongesprekken. Daarbij heeft hij haar geïntimideerd, beledigd en bedreigd. Aangeefster heeft blijk gegeven van de angsten die zij heeft doorstaan en van de mate waarin het gedrag van verdachte haar leven heeft bepaald. Zelfs heeft verdachte de alarmdiensten zonder reden naar aangeefster laten gaan. Hiermee heeft verdachte laten zien verder te gaan dan enkel het telefonische contact zoeken met aangeefster. Dit moet voor aangeefster zeer ongemakkelijk en extra beangstigend zijn geweest.

Verdachte is sinds 1984 in beeld voor agressie- en vermogensdelicten. Meerdere straffen zijn vanwege zijn houding en gedrag ten uitvoer gelegd. De reclassering heeft gerapporteerd dat ook recent een toezicht is geretourneerd omdat verdachte zich niet aan de voorwaarden hield. De reclassering heeft geconcludeerd dat verdachte zijn eigen gang gaat en zich niet laat sturen door reclassering of andere hulpverleners.

De rechtbank ziet geen reden dit advies niet over te nemen. Door deze (beschreven) houding van verdachte heeft de rechtbank er geen vertrouwen in dat een voorwaardelijk strafdeel, ter voorkoming van recidive, enig nut zal hebben en zal de op te leggen straf dan ook geheel onvoorwaardelijk opleggen.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf voor langere duur, dan door de officier van justitie gevorderd, passend en geboden.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [naam 1] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het onder de feiten 1 en 3 tot en met 5 bewezenverklaarde. Gevorderd wordt een bedrag van € 720,00 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering volledig kan worden toegewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich ten aanzien van het deel van de vordering dat ziet op materiële schade gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van het immateriële deel heeft de raadsman aangegeven een medische onderbouwing te missen. Hij heeft de rechtbank verzocht de vordering daarom te matigen.

Beoordeling door de rechtbank

De benadeelde partij heeft gesteld dat zij door het handelen van verdachte genoodzaakt was bepaalde kosten te maken. Nu de verdediging zich niet tegen toewijzing heeft verzet, zal dit (materiële) deel van de vordering worden toegewezen.

De benadeelde partij heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van immateriële schade (ander nadeel dat niet in vermogensschade bestaat). De rechtbank is van oordeel dat de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten, voor zover tegen de benadeelde partij zijn gericht (met name de feiten 3 en 4) een inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer hebben opgeleverd, zodat (op grond van artikel 6:106 BW) recht op schadevergoeding kan bestaan.

In haar vordering (en in het spreekrecht als slachtoffer) heeft de benadeelde partij kenbaar gemaakt dat zij vele angstige momenten of paniekmomenten heeft doorgemaakt door het handelen van verdachte (de thans bewezenverklaarde feiten 1, 3, 4 en 5). Ook heeft zij daardoor slecht kunnen slapen en is haar fysieke gesteldheid van haar arm (die verzwakt was na een hersenbloeding) achteruit gegaan.

Mede gelet op het ontbreken van betwisting van deze omstandigheden, heeft de benadeelde partij hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat zij nadeel dat niet in vermogensschade bestond, heeft geleden. De enkele opmerking van de raadsman dat geen medische verklaring is overgelegd, is onvoldoende voor een andersluidend oordeel.

De rechtbank acht het gevorderde bedrag billijk en zal de vordering dan ook geheel toewijzen.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van de benadeelde partij.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 4 juni 2017.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 36f, 57, 63, 142, 184a, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 1]

De rechtbank:

 veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 1, 3, 4 en 5 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [naam 1], van een bedrag van € 720,00 (zevenhonderdtwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [naam 1] , een bedrag te betalen van € 720,00 (zevenhonderdtwintig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 juni 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 14 (veertien) dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.P. Bakker (voorzitter), mr. C. Kleinrensink en
mr. J.H. Steverink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C. Aalders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 april 2018.

Mr. Steverink is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 1] van de politie Oost- Nederland, district noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, registratienummer PL0600-2016512038, gesloten op 8 juni 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant 2] van de politie Oost- Nederland, district noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, registratienummer PL0600-2017262109, gesloten op 21 juni 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

3 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 8 en 9.

4 Een uitdraai van een WhatsApp-chat, p. 45.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 26.

6 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, p. 8.

7 Proces-verbaal, p. 2 en een uitdraai van een WhatsApp-chat, p. 36 t/m 46.

8 Een uitdraai van een WhatsApp-chat, p. 41 (1).

9 Een uitdraai van een WhatsApp-chat, p. 40 (2).

10 Een uitdraai van een WhatsApp-chat, p. 39 (2).

11 Een uitdraai van een WhatsApp-chat, p. 36 (2).

12 Een uitdraai van een WhatsApp-chat, p. 36 (1).

13 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 30.

14 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [naam 1] , p. 4.

15 Proces-verbaal van verhoor aangeefster [naam 1] , p. 4.

16 Een uitdraai van een WhatsApp-chat, p. 36 (1).

17 Een gedragsaanwijzing, p. 20.

18 Proces-verbaal van bevindingen, p. 3.

19 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 19.

20 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 18.

21 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 18.