Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1749

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
04-02-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 3931
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet WIA. Ongegrond. Uitlooptermijn juist vastgesteld. Geen sprake van duurzaamheid. De rechtbank ziet geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/3931

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018

in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. J.A.C. van Etten),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 30 januari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder eiser vanaf 5 januari 2017 (datum in geding) op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) meer arbeidsongeschikt geacht dan voorheen. Dit leidt ertoe dat eisers uitkering met ingang van 1 april 2017 aangepast wordt.

Bij besluit van 26 juni 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J.A. Nuyens.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan eiser met ingang van 7 juli 2012 een WIA-uitkering toegekend. Naar aanleiding van een verzoek van de ex-werkgever van eiser, van 11 juli 2016, heeft een herbeoordeling plaatsgevonden. Vervolgens is verweerder overgegaan tot de besluitvorming zoals weergegeven onder het procesverloop.

2. Verweerder heeft de wijziging van de uitkering gebaseerd op de vaststelling dat eiser per 5 januari 2017 volledig, maar niet duurzaam, arbeidsongeschikt wordt beschouwd. Verweerder acht verbetering van de functionele mogelijkheden mogelijk. Hieraan ligt een medisch en arbeidskundig onderzoek ten grondslag.

3. Het medisch onderzoek van verweerder is vastgelegd in de rapporten van de verzekeringsarts C. van Deventer van 5 januari 2017, welke door hem is aangevuld naar aanleiding van ontvangen medische informatie op 2 februari 2017, en van de verzekeringsarts bezwaar en beroep R. van den Enden van 2 juni 2017. De voor eiser vastgestelde medische belastbaarheid is verwoord in de zogenaamde Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 5 januari 2017.

4. Eiser is allereerst van mening dat de wijziging van het arbeidsongeschiktheidspercentage niet pas per 1 april 2017 in een verhoging van zijn uitkering had moeten resulteren.

De verzekeringsarts heeft eiser op 5 januari 2017 onderzocht. Op 30 januari 2017 is de beslissing genomen dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per 5 januari 2017 toegenomen is. De rechtbank is van oordeel, gelet op de genoemde ‘uitlooptermijn’ van twee kalendermaanden in artikel 61, zevende lid, van de Wet WIA, dat verweerder terecht de uitkering per 1 april 2017 heeft verhoogd.

5. De rechtbank is voorts van oordeel dat het medisch onderzoek zorgvuldig is verricht. Alle naar voren gebrachte klachten, te weten de psychische klachten en oogklachten, zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling. Dat geldt ook voor de eigen bevindingen uit psychisch onderzoek en voor de in het dossier aanwezige informatie van de behandelende sector, te weten van oogarts C. van der Windt van 13 december 2012, GZ-psycholoog M. Vervoort van 11 december 2012, neuroloog in opleiding T. Balvers (mede ondertekend door neuroloog B.A. de Jong) van 10 januari 2013, huisarts [naam 2] van 13 januari 2017 en de GZ-psycholoog T. Verstegen van 17 december 2013. Er is geen reden om aan te nemen dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van eiser hebben gemist.

6. Eiser is van mening dat verweerder zijn klachten en beperkingen heeft onderschat. Verbetering is niet of nauwelijks te verwachten, zoals in de FML van 17 april 2012 al is aangegeven. De rechtbank is van oordeel dat uit de opmerking in de FML van 17 april 2012 niet kan worden afgeleid dat dit oordeel op datum in geding eveneens van toepassing is. Terecht is door verweerder opgemerkt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage bij de FML van 17 april 2012 is vastgesteld op 39,54%.

Daarnaast is eiser van mening dat niet duidelijk is waarom een verbetering wordt verwacht, en welke behandeling tot welke concrete verbetering zal leiden.

De rechtbank is van oordeel dat Van den Enden in zijn rapportage aangeeft dat eiser de aangeboden behandeling stelselmatig afwijst en in plaats daarvan kiest voor vermijden. Van den Enden schrijft:

“Uit het gegeven dat cliënt ook nu wederom niet (op advies van de huisarts) behandeld wil worden bij Pro Persona zie ik, i.c.m. het vorenstaande, dan ook sterke aanwijzingen dat de ernst van zijn claimklachten gerelativeerd dient te worden. Van een IVA kan op datum in geding onmogelijk sprake zijn. Uit de curatieve gegevens blijkt dat er voor deze cliënt nog volop behandelingen openstaan. Tenminste als hij meewerkt. Dit is zo evident dat een expertise geen meerwaarde biedt.”

Hiermee heeft Van den Enden voldoende gemotiveerd dat er voor eiser nog behandelingen mogelijk zijn. In beroep heeft verweerder een aanvullende medische rapportage van de verzekeringsarts bezwaar en beroep R. van den Enden van 13 september 2017 ingebracht. Hierin motiveert Van den Enden dat door behandelaar Pro Persona aangegeven is dat de behandelopties EMDR en/of een behandeling te Overwaal door eiser zijn afgewezen.

Tot slot is de rechtbank van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de aandoening aan zijn ogen.

De rechtbank is op grond van voorgaande van oordeel dat de medische belastbaarheid van eiser op de datum in geding in de rapporten op inhoudelijk overtuigende wijze is gemotiveerd. Van belang is hierbij dat uit vaste rechtspraak volgt dat de beschrijving van de belasting door de arbeidskundig analist in de functieomschrijving van CBBS het uitgangspunt is voor de beoordeling van de geschiktheid van de functie.1Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat de functiebelasting zoals door de arbeidskundige analist is neergelegd in het CBBS op dit item onjuist is. Het beroep van eiser geeft geen aanleiding om aan de juistheid van het oordeel van de arbeidsdeskundigen te twijfelen. Nu eiser zijn standpunt niet met medische informatie heeft onderbouwd, ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om daaraan te twijfelen.

7. Eiser moet op de datum in geding daarom in staat worden geacht arbeid te verrichten die in overeenstemming is met de voor hem vastgestelde medische belastbaarheid, zoals verwoord in de FML van 5 januari 2017. Uit het dossier blijkt dat eiser zich niet verder wilde laten behandelen, ondanks de aanbeveling van de huisarts. De rechtbank ziet op basis van de aanwezige medische informatie en mede omdat eiser telkens stopt met zijn behandelingen, niet in hoe een psychiatrische expertise kan plaatsvinden en wat dat zou toevoegen. Er zijn immers nog behandelmogelijkheden die door eiser nog niet geprobeerd zijn. Er is derhalve geen sprake van duurzaamheid. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen, zoals eiser heeft verzocht.

8. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. S. Wilbrink, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 17 april 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 16 november 2016, (ECLI:NL:CRVB:2016:4520).