Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1746

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
10-12-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6801
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Algemene Kinderbijslagwet. Gescheiden ouders. Wisselend verblijf van het kind bij vader of moeder.

De ouder tot wiens huishouding het kind behoort heeft recht op kinderbijslag. Beslissend is waar het kind zijn hoofdverblijf heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Zutphen

Bestuursrecht

zaaknummers: 16/6801 en 17/6825

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiseres] , te [woonplaats] eiseres

(gemachtigde: W. van Renselaar),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: W.E. Plaggenborg, te Nunspeet.

Procesverloop

Bij besluit van 24 mei 2016 (het primaire besluit 1) heeft verweerder aan eiseres op grond van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) kinderbijslag voor dochter [dochter] toegekend vanaf het tweede kwartaal van 2016.

Bij besluit van 5 oktober 2016 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 1 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 1 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 16/6801.

Bij besluit van 8 september 2017 (het primaire besluit 2) heeft verweerder eiseres geen kinderbijslag voor dochter [dochter] toegekend voor het tweede kwartaal van 2017.

Bij besluit van 13 november 2017 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit 2 ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit 2 beroep ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer 17/6825.

Verweerder heeft afzonderlijke verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft plaatsgevonden op 27 maart 2018. Daarbij zijn de zaken gevoegd behandeld. Eiseres is vertegenwoordigd door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. Herder.

Overwegingen

1.1.

Eiseres is gehuwd geweest met derde-partij. Uit dit huwelijk zijn drie kinderen geboren, waaronder dochter [dochter] . Eiseres en derde-partij wonen sinds 1 september 2014 gescheiden. De echtscheiding is uitgesproken op 18 februari 2015 in de tussenbeschikking van de rechtbank Gelderland van diezelfde datum. Na de echtscheiding is [dochter] in eerste instantie bij eiseres blijven wonen. In die periode heeft eiseres de kinderbijslag voor [dochter] gekregen van verweerder.

1.2.

In januari 2015 is [dochter] verhuisd naar derde-partij. Bij besluit van 26 februari 2015 heeft verweerder aan derde-partij kinderbijslag voor [dochter] toegekend vanaf het tweede kwartaal van 2015 omdat [dochter] is gaan behoren tot het huishouden van derde-partij. In de eindbeschikking van de echtscheiding van 10 augustus 2015 heeft de rechtbank Gelderland onder meer bepaald dat [dochter] haar hoofdverblijfplaats heeft bij derde-partij.

1.3.

Op 21 maart 2016 heeft de gemachtigde van eiseres (de vader van eiseres) aan verweerder gemeld dat [dochter] vanaf eind december 2015 weer bij eiseres woont en verzocht om aan eiseres voor [dochter] kinderbijslag toe te kennen vanaf het eerste kwartaal van 2016.

Op 22 maart 2016 is het woonadres van [dochter] in de Basisregistratie Personen (BRP) gewijzigd van het adres van derde-partij naar het adres van eiseres.

1.4.

Na onderzoek te hebben gedaan naar de woonsituatie van [dochter] heeft verweerder het primaire besluit 1 genomen. Daarin ligt besloten dat eiseres vanaf het tweede kwartaal van 2016 recht heeft op kinderbijslag voor [dochter] omdat [dochter] weer is gaan behoren tot het huishouden van eiseres. Verweerder heeft dit besluit gehandhaafd in het bestreden besluit 1.

1.5.

In november 2016 is [dochter] weer terugverhuisd naar derde-partij. Bij besluit van 20 januari 2017 heeft verweerder aan derde-partij kinderbijslag voor [dochter] toegekend vanaf het eerste kwartaal van 2017 omdat [dochter] weer is gaan behoren tot het huishouden van derde-partij.

1.6.

Op 20 juni 2017 heeft eiseres aan verweerder gemeld dat [dochter] vanaf 12 maart 2017 weer bij haar is komen wonen en verzocht om aan haar voor [dochter] kinderbijslag toe te kennen vanaf het tweede kwartaal van 2017. Medio juni 2017 is het woonadres van [dochter] in de BRP weer gewijzigd van het adres van derde-partij naar het adres van eiseres.

1.7.

Na onderzoek te hebben gedaan naar de woonsituatie van [dochter] heeft verweerder het primaire besluit 2 genomen. Daarin ligt besloten dat eiseres gelet op de late aanvraagdatum en omdat derde-partij in het tweede kwartaal van 2017 in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de kosten van levensonderhoud van [dochter] , geen recht heeft op kinderbijslag voor [dochter] in het tweede kwartaal van 2017. Verweerder heeft dit besluit gehandhaafd in het bestreden besluit 2.

Zaak 16/6801: kinderbijslag eerste kwartaal 2016

2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit 1 op het standpunt gesteld dat eiseres niet eerder dan met ingang van het tweede kwartaal van 2016 recht heeft op kinderbijslag voor [dochter] . Daaraan ligt ten grondslag dat [dochter] volgens verweerder pas vanaf het tweede kwartaal van 2016 weer bestendig is gaan wonen bij eiseres en tot haar huishouden is gaan behoren. Volgens verweerder is de woonsituatie van [dochter] op 1 januari 2016, de peildatum van het eerste kwartaal van 2016, onduidelijk omdat eiseres en derde-partij tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd over het tijdstip waarop [dochter] weer bij eiseres is gaan wonen. Daarom moet volgens verweerder op basis van de beschikbare objectieve informatie worden vastgesteld of [dochter] op 1 januari 2016 tot het huishouden van eiseres behoorde. Volgens verweerder blijkt uit die informatie dat [dochter] op die datum bij derde-partij woonde en dus tot zijn huishouden behoorde, zodat eiseres over het eerste kwartaal van 2016 geen recht toekomt op kinderbijslag voor [dochter] .

3. Eiseres voert in beroep aan dat zij aannemelijk heeft gemaakt dat [dochter] vanaf eind december 2015 feitelijk bij haar is komen wonen en dat zij [dochter] sindsdien geheel dan wel in belangrijke mate heeft onderhouden. [dochter] behoorde dus al vanaf eind december 2015 tot het huishouden van eiseres, zodat eiseres al vanaf 1 januari 2016 recht heeft op kinderbijslag voor [dochter] .

4. In geschil is of verweerder terecht heeft beslist dat eiseres niet eerder dan met ingang van het tweede kwartaal van 2016 recht heeft op kinderbijslag voor [dochter] .

5. Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de AKW heeft de verzekerde overeenkomstig de bepalingen van deze wet recht op kinderbijslag voor een kind dat jonger is dan 18 jaar en dat a) tot zijn huishouden behoort, of b) door hem wordt onderhouden. Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de AKW bestaat het recht op kinderbijslag voor een kind indien op de eerste dag van een kalenderkwartaal is voldaan aan de voorwaarden bedoeld in artikel 7.

6. De rechtbank stelt voorop dat sinds de scheiding tussen eiseres en derde-partij [dochter] afwisselend op het adres van eiseres en derde-partij heeft verbleven. Door dat wisselende verblijf is er tussen eiseres en derde-partij discussie over aan wie het recht op kinderbijslag voor [dochter] toekomt in verschillende periodes. Ten aanzien van het eerste kwartaal van 2016 is beslissend tot wiens huishouden [dochter] behoorde op de peildatum 1 januari 2016.

7. Volgens de echtscheidingsbeschikking van 10 augustus 2015 heeft [dochter] hoofdverblijf bij derde-partij, verblijft zij eens per twee weken gedurende het weekeinde bij eiseres en gedurende de vakanties verblijft [dochter] in beginsel bij helfte bij ieder van de ouders. [dochter] stond in de BRP ook ingeschreven op het adres van derde-partij. [dochter] is pas op 22 maart 2016 ingeschreven op het adres van eiseres. Op 21 maart 2016 is namens eiseres weer kinderbijslag voor [dochter] aangevraagd. Op grond van deze objectieve informatie heeft verweerder ervan kunnen uitgaan dat [dochter] op de peildatum 1 januari 2016 conform de in de echtscheidingsbeschikking opgelegde regeling over de verblijfplaats van [dochter] , haar hoofdverblijf had bij derde-partij en dus tot zijn huishouden behoorde op die peildatum. Hiervoor is ook steun te vinden in de verklaringen van derde-partij en eiseres. Derde-partij heeft in het onderzoek van verweerder naar de woonsituatie van [dochter] verklaard dat [dochter] geleidelijk meer bij eiseres is gaan wonen en dat [dochter] in de laatste drie weken van maart 2016 meer bij eiseres verbleef dan bij hem. Derde-partij is nog op 24 februari 2016 met [dochter] naar het ziekenhuis gegaan omdat [dochter] toen nog bij hem woonde. Tijdens een telefoongesprek op 8 juli 2016 heeft eiseres aan verweerder verklaard dat [dochter] in de tweede week van de kerstvakantie bij haar is gekomen, maar dat destijds nog niet zeker was of [dochter] zou blijven of weer terug zou gaan naar derde-partij. De rechtbank is het eens met verweerder dat niet al op 1 januari 2016 kan worden aangenomen dat er een bestendige nieuwe situatie ten aanzien van het hoofdverblijf van [dochter] was in de zin dat die is gewijzigd van derde-partij naar eiseres.

8. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat over het eerste kwartaal van 2016 aan eiseres geen kinderbijslag voor [dochter] toekomt. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Zaak 17/6825: kinderbijslag tweede kwartaal 2017

9. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit 2 op het standpunt gesteld dat eiseres geen recht heeft op kinderbijslag voor [dochter] over het tweede kwartaal van 2017. Eiseres heeft pas in de derde maand (20 juni 2017) van het tweede kwartaal van 2017 kinderbijslag voor [dochter] aangevraagd. Daarom kan eiseres op grond van artikel 18, zesde lid, van de AKW pas vanaf het derde kwartaal van 2017 kinderbijslag voor [dochter] krijgen, tenzij derde-partij als de andere ouder bij wie [dochter] niet woonde in het tweede kwartaal van 2017 niet in belangrijke mate (minimaal € 416,-) heeft bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van [dochter] . Omdat is gebleken dat derde-partij in het tweede kwartaal van 2017 meer dan € 416,- heeft bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van [dochter] , bestaande uit zak- en kleedgeld, reiskosten en kost en inwoning, heeft niet eiseres, maar derde-partij recht op uitbetaling van kinderbijslag voor [dochter] over het tweede kwartaal van 2017.

10. Eiseres voert in beroep aan dat [dochter] vanaf 12 maart 2017 weer bij haar is komen wonen en dat zij [dochter] sindsdien geheel dan wel in belangrijke mate heeft onderhouden.

Zij stelt dat alle uitgaven van derde-partij voor [dochter] in het tweede kwartaal van 2017 niet noodzakelijke of onverplichte uitgaven zijn. Deze uitgaven mogen daarom niet worden meegenomen bij de beoordeling of derde-partij in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de kosten van levensonderhoud van [dochter] . Eiseres stelt dat zij daarom als de ouder bij wie [dochter] woont recht heeft op uitbetaling van kinderbijslag voor [dochter] vanaf het tweede kwartaal van 2017.

11. In geschil is of verweerder terecht heeft beslist dat eiseres geen recht heeft op kinderbijslag voor [dochter] over het tweede kwartaal van 2017.

12.1.

Artikel 5 Besluit uitvoering kinderbijslag bepaalt dat het bedrag van de door de verzekerde aan het onderhoud van het kind te leveren bijdrage om voor kinderbijslag in aanmerking te komen zoals bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel b, van de AKW ten tijde van het geding per kalenderkwartaal € 416,- is.

12.2.

Artikel 18, vierde lid, van de AKW bepaalt dat indien twee of meer personen waaronder één persoon tot wiens huishouden het kind behoort, over eenzelfde tijdvak recht op kinderbijslag voor eenzelfde kind hebben, de kinderbijslag waarop degene recht heeft, tot wiens huishouden dit kind niet behoort, niet wordt betaald. Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat indien de persoon aan wie op grond van het vierde of vijfde lid kinderbijslag zou moeten worden betaald indien hij een aanvraag zou hebben ingediend, geen aanvraag heeft ingediend, de kinderbijslag in afwijking van het vierde en vijfde lid wordt betaald aan de persoon die daartoe wel een aanvraag heeft ingediend. Indien de persoon, bedoeld in de eerste zin, die geen aanvraag heeft ingediend, alsnog een aanvraag indient, wordt de kinderbijslag aan hem betaald na afloop van het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend, mits de aanvraag in de eerste twee maanden van dat kalenderkwartaal is ingediend. Indien de aanvraag, bedoeld in de tweede zin, is ingediend in de laatste maand van een kalenderkwartaal dan wordt de kinderbijslag aan hem betaald na afloop van het kalenderkwartaal volgend op het kalenderkwartaal waarin de aanvraag is ingediend.

13. Voorop staat dat niet in geschil is dat [dochter] vanaf de peildatum 1 april 2017 van het tweede kwartaal van 2017 deel uitmaakt van het huishouden van eiseres. Mede op grond van de verklaringen van derde-partij over de woonsituatie van [dochter] , betwist verweerder niet dat [dochter] vanaf 12 maart 2017 weer bestendig bij eiseres is komen wonen en vanaf die datum behoort tot het huishouden van eiseres. Eiseres heeft pas in de derde maand van het tweede kwartaal van 2017, te weten op 20 juni 2017, kinderbijslag voor [dochter] aangevraagd vanaf

1 april 2017 (het tweede kwartaal van 2017). Eiseres heeft ook pas in medio juni 2017 [dochter] weer laten inschrijven op haar woonadres. Gelet op het tijdstip van de aanvraag in de derde maand van het tweede kwartaal van 2017 kan eiseres op grond van artikel 18, zesde lid, van de AKW in beginsel pas vanaf het volgende kwartaal, zijnde het derde kwartaal van 2017, aanspraak maken op uitbetaling van kinderbijslag voor [dochter] . De uitzondering hierop is indien de derde-partij als de andere ouder bij wie [dochter] niet woonde in het tweede kwartaal van 2017, in dat kwartaal minder dan € 416,- heeft bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van [dochter] . In dat geval heeft eiseres recht op uitbetaling van kinderbijslag voor [dochter] over het tweede kwartaal van 2017, omdat derde-partij dan niet voldoet aan de onderhoudseis van artikel 7, eerste lid, onder b van de AKW.

14. Gelet op het voorgaande moet worden beoordeeld of derde-partij minimaal € 416,- heeft bijgedragen aan het levensonderhoud van [dochter] in het tweede kwartaal van 2017. Derde-partij heeft zijn uitgaven voor [dochter] onderbouwd met bewijsstukken, waaronder bankafschriften. Daaruit blijkt dat hij onder andere heeft bijgedragen in de volgende kosten van [dochter] : verblijfskosten, schoolkosten, tandartskosten, paspoortkosten, reiskosten, vakantiekosten en telefoonkosten. Deze kosten overschrijden heel ruim het minimum bedrag van

€ 416,-. De rechtbank volgt eiseres niet dat alle uitgaven van derde-partij fictieve bedragen zijn, nu de gemaakte kosten zijn onderbouwd met bewijsstukken. Gelet op de aard van de kosten volgt de rechtbank eiseres ook niet dat de kosten niet noodzakelijk of onverplicht waren. Verweerder heeft dan ook aannemelijk kunnen vinden dat derde-partij in het tweede kwartaal van 2017 meer dan € 416,- heeft bijgedragen in de kosten van levensonderhoud van [dochter] . Hierdoor heeft verweerder terecht geoordeeld dat niet eiseres, maar derde-partij aanspraak heeft op uitbetaling van de kinderbijslag voor [dochter] over het tweede kwartaal van 2017. De rechtbank wijst er nog op dat indien eiseres tijdig, dat wil zeggen in de eerste twee maanden van het tweede kwartaal van 2017, de kinderbijslag voor [dochter] had aangevraagd, zij op grond van artikel 18, zesde lid, tweede volzin, van de AKW wel aanspraak zou hebben gehad op uitbetaling van de kinderbijslag voor [dochter] over het tweede kwartaal van 2017. Eiseres heeft dat recht verspeeld door de aanvraag pas in de derde maand van dat kwartaal in te dienen.

15. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.W. van Osch - Leysma, rechter, in tegenwoordigheid van mr. H. Siragedik, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.