Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1744

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
18-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
C/05/326026 / HZ ZA 17-421
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verzekeringsovereenkomst. Volstaat wettelijke rente als gefixeerde schadevergoeding voor trage schadeafhandeling of is sprake van misbruik van onderzoeksbevoegdheid door de verzekeraar die grond is voor schadevergoeding?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/272
JA 2018/105 met annotatie van mr. J. van de Klashorst
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rolnummer: C/05/326026 / HZ ZA 17-421

Vonnis van 18 april 2018

in de zaak van

de vennootschap onder firma

[eiseres] ,

gevestigd te [vestigingsplaats], gemeente [gemeente],

eiseres,

advocaat mr. A.C. Teeuw te Middelharnis,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

gedaagde,

advocaat mr. H. Lebbing te Rotterdam.

Partijen zullen hierna [eiseres] en Achmea genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 3 januari 2018

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 19 maart 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] exploiteerde aan de [adres] te [plaats] een orchideeënkwekerij.

2.2.

[eiseres] heeft bij Achmea een Topland Achmea Glastuinbouw verzekering afgesloten, die onder meer dekking biedt tegen schade aan de gewassen als gevolg van een wijziging van de samenstelling van het voedingswater op de orchideeënkwekerij van [eiseres]. In de Bijzondere Voorwaarden Gewassenverzekering is onder meer in “Aanvullende begripsomschrijvingen” het volgende bepaald:

1.2 Teeltplan

Het jaarlijks door de verzekeringnemer in te dienen overzicht van de in de komende 12 maanden te betelen oppervlakten, de daarop te telen gewassen en de verwachte brutoopbrengst daarvan.

1.3

Schade

Het financiële verlies tijdens de uitkeringstermijn als gevolg van een gedekte gebeurtenis door minder opbrengst van de voorgenomen teelten dan verwacht werd door aantasting van de gewassen, noodzakelijke wijziging van het teeltplan of waardevermindering van apart meeverzekerd meerjarig plant materiaal.

(…)

Rubriek c1: schade door wijziging samenstelling voedingswater

2.7

Avéro Achmea vergoedt de schade ontstaan in kassen en bedrijfsgebouwen veroorzaakt door

afwijkingen van de vereiste temperatuur of samenstelling van het voedings-water in een centraal bestuurd voedingssysteem op het bedrijf van verzekeringnemer als gevolg van:

2.7.1

Een door een van buiten komend onheil of brand veroorzaakte beschadiging van de voedings-

computer of andere onderdelen van het voedingssysteem;

2.7.2

Een eigen gebrek, eigen bederf of uit de aard en de natuur van de verzekerde zaak zelf voortvloeiend uitvallen of onjuist functioneren van de voedingscomputer of de daarop aangesloten apparaten, mits:

a. De installatie na ingebruikname tenminste een maand storingvrij heeft gewerkt; en

b. Er nog geen 12 maanden zijn verstreken sinds de laatste onderhouds- of servicebeurt; en

c. Per etmaal tenminste één keer automatisch een overzicht wordt gemaakt van de ingestelde en de gemeten waarden; en

d. Het uitvallen of onjuist functioneren uit de automatische registratie kan worden afgeleid.

2.7.3

Een plotseling en onvoorzien defect in de niet elektronische onderdelen van het voedingssysteem, dat ondanks tijdige alarmering niet kon worden verholpen voordat er schade was ontstaan;

(…)

2.3.

De planten in de kas worden voorzien van gietwater. Er wordt alleen gebruik gemaakt van regenwater en water dat door osmose is gemaakt. Dit gietwater wordt ontsmet door antibacteriële middelen (chloordioxide) toe te voegen via een doseringsapparaat.

2.4.

In de periode van 4 april tot 11 april 2014 heeft het doseringsapparaat enige dagen uitgestaan. Na reparatie is het op 11 april 2014 weer aangezet.

2.5.

In week 25 (16 tot 22 juni 2014) werd geconstateerd dat het reactiegetal van het doseringsapparaat onder de minimale waarde bleef en is besloten om het doseringsapparaat uit te zetten. Na reparatie is het doseringsapparaat op 26 juni 2014 weer aangezet.

2.6.

Op vrijdag 18 juli 2014 (12:15) schrijft [eiseres] aan de assurantietussenpersoon Vonk & Van Gaalen onder meer het volgende:

“De afgelopen 3 weken hebben we veel uitval gehad in de kas omdat het doseringsapparaat van antibacteriële middelen aan het gietwater kapot was. Het apparaat heeft toen uitgestaan tot het moment dat de oorzaak bekend was en opgelost was. (meter was kapot en gaf verkeerde waarden door). Is hier verzekeringstechnisch nog iets aan te doen denk je?”

2.7.

Bij emailbericht van 18 juli 2014 (19:34) antwoordt Van Gaalen dat onder rubrieken B1 en C1 sprake is van dekking en om dit vast te stellen vraagt hij [eiseres] om informatie aan te leveren over de oorzaak van het defect aan het doseringsapparaat, of er sprake is van slijtage of achterstallig onderhoud van het apparaat, of sprake is geweest van een gewijzigde samenstelling van het voedingswater en wat de omvang van de schade is.

2.8.

Op vrijdag 12 september 2014 heeft Van Gaalen aan Achmea doorgegeven dat [eiseres] schade had gemeld aan het gewas orchideeën en dat de schade werd begroot op € 500.000,00.

2.9.

Achmea heeft dezelfde dag ing. P.W.H.M. Schrijver (hierna: Schrijver) ingeschakeld om onderzoek te doen naar de toedracht en omvang van de schade. Op maandag 15 september heeft Schrijver A.L.C. van den Berg (hierna: Van den Berg) als registertaxateur en gespecialiseerd in onder meer glastuinbouw opdracht gegeven een eerste inventarisatie te doen.

2.10.

Op 16 september 2014 heeft Van den Berg het bedrijf van Achmea bezocht en het nodige onderzoek gedaan. Hiervan is een voorlopig expertiserapport d.d. 9 oktober 2014 opgemaakt. Hierin is als conclusie het volgende vermeld:

Causaal verband.

De schade is primair ontstaan door de aantasting met Pseudomonas en secundair door het defect raken en daardoor moeten uitschakelen van de chloordioxide-doseerunit.

Voor een flinke toename van infectie met Pseudomonas zijn vier factoren van belang, infectiedruk, rasgevoeligheid, klimaatomstandigheden en desinfectie van gietwater

(…)

Conclusie

Het uitschakelen van de de chloordioxide-doseerunit zal een effect gehad hebben op de toename van de infectie met Pseudomonas. Echter niet uit te sluiten valt dat, het slecht functioneren daarvoor ook van invloed is geweest. Daarnaast zijn zoals bekend de klimaatomstandigheden ook van grote invloed en mede ook de gevoeligheid van soorten, zoals blijkt uit het voorkomen van Pseudomonas in bepaalde soorten op het bedrijf van verzekerde.

2.11.

Schrijver heeft het rapport van Van den Berg beoordeeld en een tussenrapport opgesteld dat op 29 oktober 2014 aan de afdeling schadeafhandeling is gestuurd met de vraag een standpunt over de dekking in te nemen.

2.12.

Op 3 en 19 november 2014 heeft Vonk & Van Gaalen namens [eiseres] contact gehad met Achmea en op 20 november 2014 is aangedrongen op een voorschotuitkering in verband met de liquiditeitsproblemen van [eiseres]. Op 20 november 2014 heeft Achmea als volgt naar [eiseres] gereageerd:

Wij ontvingen de eerste bevindingen van de schade-expert. Omdat wij, mede door de late melding, op grond van de eerste bevindingen nog geen standpunt voor wat betreft de dekking kunnen innemen hebben wij verzocht aan onze taxateur Arnold van de Berg voor nadere informatie over uw schade. Onze taxateur heeft hierover contact met u opgenomen. Zodra ik het schaderapport van de expert heb ontvangen, informeer ik u over de dekking op uw polis en de afwikkeling van de schade. Aan uw verzoek om een voorschot te verstrekken kunnen wij daarom niet voldoen.”

2.13.

Op 22 november 2014 heeft Van den Berg de aantasting met Pseudomonas nogmaals op het bedrijf van [eiseres] bekeken. In december 2014 heeft Van den Berg nadere informatie opgevraagd bij [eiseres], waarop deze aanvullende informatie heeft verstrekt.

2.14.

Van Gaalen heeft Achmea namens [eiseres] bij brief van 30 december 2014 aansprakelijk gesteld voor alle gevolgschade die op termijn onherroepelijk ontstaat, omdat verzoeken om voorschotbetalingen zijn afgewezen, dan wel genegeerd.

2.15.

Nadat het aanvullend rapport d.d. 23 januari 2015 van Van den Berg beschikbaar was, heeft Schrijver met Van den Berg op 2 februari 2015 het bedrijf van [eiseres] bezocht en is in aanwezigheid van Van Gaalen, [eiseres] en de bedrijfsleider van [eiseres] een gesprek gevoerd.

2.16.

Op 6 februari 2015 heeft Achmea aan Van Gaalen laten weten dat dekking zal worden verleend en is een eerste voorschotbedrag van € 250.000,00 aan [eiseres] toegezegd.

2.17.

De schade is uiteindelijk bindend vastgesteld op € 1.164.446,00 bij rapport van 8 februari 2016 door ing. C.C.M. Hendriks. Op 9 februari 2016 heeft Achmea een slotbetaling gedaan aan [eiseres] van € 335.500,21, waarmee de vastgestelde schade geheel was vergoed.

3 De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad Achmea veroordeelt:

I. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] een bedrag van € 1.535.649,00 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 juli 2015, althans van 31 augustus 2017, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, telkens na verloop van een jaar te vermeerderen met de over dat jaar verschuldigde wettelijke rente,

II. om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiseres] een bedrag van € 8.815,00 vanwege buitengerechtelijke kosten te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2017, althans vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, tot aan de dag der algehele voldoening, telkens na verloop van een jaar te vermeerderen met de over dat jaar verschuldigde wettelijke rente,

III. in de kosten van de procedure, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente, met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis tot de dag van volledige betaling, alsmede in de na dit vonnis ontstane kosten van eisers, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Achmea binnen veertien dagen na aanschrijving niet aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van de vijftiende dag na de betekening van het vonnis tot aan de dag der voldoening.

3.2.

[eiseres] legt aan haar vorderingen, tegen de achtergrond van de vastgestelde feiten, het navolgende ten grondslag.

Wat betreft de schadeafwikkeling kunnen aan Achmea relevante verwijten worden gemaakt die een zelfstandige grond voor aansprakelijkheid opleveren. Ondeugdelijke schadeafwikkeling kwalificeert als wanprestatie. Uitrookgedrag levert een zelfstandige onrechtmatige daad op. Zij heeft te lang geen onderzoek gedaan, onnodig en methodisch onjuist onderzoek verricht en daarbij de belangen van [eiseres] uit het oog verloren. De rapportage van 23 januari 2015 is nieuw voor [eiseres]. De eerdere rapportages bevestigen dat Achmea geen deugdelijk onderzoek heeft verricht en dat zij dekking op niet te verdedigen gronden heeft geweigerd. Achmea heeft feiten verdraaid louter om aansprakelijkheid af te wentelen. Op redelijke verzoeken van [eiseres] heeft zij niet gereageerd. [eiseres] heeft steeds alle instructies van haar tussenpersoon en Achmea opgevolgd. Er valt [eiseres] geen verwijt te maken.

In de periode van 18 juli tot 12 september 2014 heeft Achmea niets gedaan. Dit komt voor risico van Achmea. De melding aan de tussenpersoon is bepalend. Voorts heeft Achmea geen enkel nadeel geleden door het tijdstip van de schademelding. Het onderzoek naar toedracht en omvang was exact gelijk geweest als het onderzoek in juli 2014 was gestart.

De gevolgschade, waaronder de teeltplanschade, valt gelet op artikel 1.3 in verbinding met artikel 9.3 sub f Bijzondere Voorwaarden onder de reikwijdte van de polis. Bij adequate bevoorschotting had [eiseres] haar teeltplan niet hoeven wijzigen.

Achmea heeft zich niet gehouden aan de voor verzekeraars geldende gedragscodes en aan paragraaf 9.2 Bijzondere Voorwaarden die voorschrijft dat Achmea binnen drie maanden uitsluitsel moet geven over de dekkingsvraag. Voorts heeft Achmea in strijd gehandeld met artikel 193b jo 193i sub d BW inzake oneerlijke handelspraktijken. Tot slot beroept [eiseres] zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid in verband met de door [eiseres] gestelde omstandigheden.

De schade omvat teeltplanschade van € 1.430.677. Daarnaast bestaat de gevolgschade uit de financiering van rentekosten van € 57.394, kosten van een betalingsregeling met Vesting Finance van € 31.124,22 en advieskosten van € 16.453, zodat de totale schade als gevolg van de ondeugdelijke schadeafwikkeling door Achmea € 1.535.649 bedraagt.

4 Het verweer

4.1.

Achmea concludeert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I [eiseres] niet-ontvankelijk zal verklaren, althans de vorderingen van [eiseres] zal afwijzen, met veroordeling van [eiseres] in de proceskosten,

II [eiseres] zal veroordelen om de proceskosten te voldoen binnen 14 dagen na de datum van het vonnis, en - voor het geval dat voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor de voldoening,

III [eiseres] zal veroordelen tot betaling van de nakosten van € 131,00 zonder betekening, dan wel € 199,00 in het geval betekening, te voldoen binnen 14 dagen nadat het vonnis is gewezen en – voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

4.2.

Achmea voert verweer tegen het door [eiseres] gestelde uitzonderlijk laakbaar handelen van Achmea. Voor zover van belang zal het verweer in de beoordeling worden betrokken.

5 De beoordeling

5.1.

Deze zaak gaat over de vraag of Achmea bij de behandeling van de door [eiseres] geleden schade zodanige verwijten kunnen worden gemaakt dat niet kan worden volstaan met de op grond van artikel 6:119 BW gefixeerde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente als compensatie voor vertraging in de uitbetaling van een geldsom. [eiseres] beroept zich op de Babit-norm, zoals verwoord in rechtsoverweging 4.4.1 van het arrest van Hof Amsterdam van 1 maart 2007 (ECLI:NL:GHAMS:2007:BA9981):

Indien tegen beter weten in met onnodig en onjuist onderzoek wordt voortgegaan en verzekeraars op basis daarvan schade-uitkering weigeren, daarbij moedwillig het belang van de andere partij uit het oog verliezende, zou van misbruik van deze onderzoeksbevoegdheid gesproken kunnen worden en op die voet van een toerekenbare tekortkoming van verzekeraars (…) die grond geeft voor vergoeding van dientengevolge geleden schade.

5.2.

[eiseres] heeft deze norm als volgt geconcretiseerd. Van den Berg heeft het bedrijf van [eiseres] slechts tweemaal bezocht voor onderzoek in de kas, op 16 september 2014 en op 22 november 2014. Op 16 september heeft Van den Berg het doseerapparaat bekeken en gezien dat de uitval in alle afdelingen tegelijk plaatsvond. Dat maakte dat veel oorzaken afvielen en daarmee onderzoek eenvoudiger werd of zelfs overbodig. Op dat moment wist Van den Berg dat het een eenmalige oorzaak betrof. [eiseres] heeft Achmea volledig over de schadeoorzaak geïnformeerd. Op 10 oktober 2014 heeft Van den Berg aan Van Gaalen, de assurantietussenpersoon van [eiseres], bericht dat het rapport gereed was en dat hij spoedig zou horen. In oktober heeft Achmea niets met de zaak gedaan. Bij tussenrapport van 29 oktober 2014 heeft Achmea (in de persoon van Schrijver) aan de schadeafdeling opdracht gegeven om eerst de dekkingsvraag te beantwoorden om verkeerde verwachtingen en misverstanden bij verzekerde te voorkomen. Dat is een maand nadat het rapport van Van den Berg op 28 september 2014 uitgeprint en gereed was.

Groenewegen heeft Van den Berg niet geïnstrueerd om onderzoek te doen naar de toedracht van de schade, en al helemaal niet om te onderzoeken of [eiseres] aan zijn beredderingsplicht zou hebben voldaan. Vanaf de start van de schadebehandeling was het duidelijk dat de dekkingsvraag zou worden getoetst aan artikel 2.7.3 en niet aan artikel 2.7.2 sub a tot en met d Bijzondere Voorwaarden gewassenverzekering.

Ten onrechte verwijst Achmea naar een bezoek van 7 november 2014. Toen heeft Van den Berg onaangekondigd met [bedrijfleider] (bedrijfsleider) gesproken en afgesproken dat Van den Berg per email zou opgeven welke gegevens hij wilde hebben. Hieraan heeft Van den Berg geen uitvoering gegeven. Daarom heeft [eiseres] zelf per email van 11 november aan Van den Berg gevraagd om zo spoedig mogelijk op te geven welke informatie nodig is en welke vragen nog beantwoord moeten worden. Tegelijk heeft hij om een exemplaar van het door Van den Berg opgestelde schaderapport gevraagd.

Op 22 november 2014 is geen onderzoek naar de toedracht van de schade gedaan, maar heeft Van den Berg samen met gewasexpert Van Adrichem de aanwezige plantvoorraad getaxeerd. Ook uit de e-mailcorrespondentie blijkt dat Van den Berg uitsluitend bezig was met de schadeomvang. Verder had hij een overvolle agenda. [eiseres] moest maar geduld hebben. [eiseres] werd niet op de hoogte gehouden over vermeend onderzoek naar de schadeoorzaak.

Van Gaalen heeft vanaf begin november 2014 bij Achmea de liquiditeitsproblemen van [eiseres] onder de aandacht gebracht. Bij brief van 20 november 2014 heeft Achmea kenbaar gemaakt aan [eiseres] dat zij niet tot bevoorschotting zou overgaan.

[eiseres] betwist dat het rapport van 23 januari 2015 op die datum tot stand is gekomen, omdat Van den Berg aantoonbaar niet eerder dan in oktober 2015 contact met Van Noort heeft gehad en het rapport verwijst naar informatie die aantoonbaar later aan Achmea is toegestuurd. Tot begin mei 2015 heeft Achmea geen rapporten aan [eiseres] laten zien. Het rapport van 23 januari 2015 is nooit toegezonden.

Achmea heeft in strijd met de Gedragscode expertiseorganisaties gehandeld door [eiseres] buiten het onderzoek naar de toedracht te houden.

Tegen beter weten in is methodisch onjuist onderzoek gedaan en daarbij zijn de belangen van [eiseres] uit het oog verloren. Van den Berg verdedigt het standpunt dat enkel het uitvallen van het doseerapparaat niet de explosieve uitbraak kan hebben veroorzaakt. Hij beroept zich hiervoor mede op een uitspraak van Van Noort van de Wageningen University&Research. Als [eiseres] bij het onderzoek was betrokken, had hij dit kunnen uitleggen. Voorts ontkent Van Noort dat hij gegevens van de onderhavige zaak heeft ontvangen. Zonder volledig onderzoek kan Van Noort dergelijke vergaande conclusies niet trekken.

5.3.

Achmea voert aan dat zij door de late melding door de tussenpersoon van [eiseres] het onderzoek pas kon laten starten op 16 september 2014. Op dat moment was het doseerapparaat al gerepareerd en was de schade die daarvan het gevolg zou zijn geweest al vrijwel achter de rug.

Anders dan [eiseres] stelt, was bij het eerste bezoek van Van den Berg niet duidelijk dat de schade uitsluitend veroorzaakt was door het gietwater, dat de uitval in alle afdelingen had plaatsgevonden en dat de genoemde alternatieve oorzaken aanstonds waren uitgesloten.

Van den Berg kon door de reeds verstreken tijd de causaliteit tussen de problemen met het doseerapparaat en de uitval van de planten niet vaststellen, maar ook niet uitsluiten. Schrijver heeft erop gewezen dat geen alarmering en opvolging van de incidenten in april en juni 2014 met het doseerapparaat heeft plaatsgevonden. Op dat moment was de vraag of er dekking was. Het doseerapparaat is een elektronisch onderdeel van het voedingssysteem en is aangesloten op de voedingscomputer. Hierop is artikel 2.7.2 van toepassing. Dat mogelijk een niet-elektronisch onderdeel van het doseerapparaat zelf defect was, brengt niet mee dat artikel 2.7.3 van toepassing is. Dit artikel ziet enkel op de niet-elektronische onderdelen van het voedingssysteem zoals bijvoorbeeld de leidingen, buizen en koppelingen. Een defecte ring in een elektronisch onderdeel van het voedingssysteem, zoals het doseerapparaat, is iets anders dan een defect in een niet-elektronisch onderdeel van het voedingssysteem, aldus Achmea.

5.4.

Zoals ook tijdens de zitting is gebleken, is volgens [eiseres] dé oorzaak van de schade gelegen in de omstandigheid dat het doseerapparaat uitgeschakeld is geweest in de periode van week 25 tot herstel van een gescheurde ring en vernieuwing van de probe van het doseerapparaat op 26 juni 2014. Dit heeft tot gevolg gehad dat in die periode het gietwater niet is ontsmet met chloordioxide. Hierdoor heeft op grote schaal besmetting van het gietwater met Pseudomonas kunnen ontstaan. Andere mogelijke oorzaken kunnen volgens [eiseres] in feite op basis van het schadebeeld worden uitgesloten. In week 27 en de weken daarna is veel uitval ontstaan in bepaalde partijen door Pseudomonas bacteriën die met het gietwater in de planten terecht zijn gekomen. Omdat [eiseres] ook in week 28 en 29 een toename van de uitval constateerde, heeft hij op 18 juli 2014 de schade gemeld bij de tussenpersoon, Vonk & Van Gaalen. De tussenpersoon heeft [eiseres] ten behoeve van het invullen van het schadeaangifteformulier een aantal vragen over het schadevoorval gesteld. Op 7 augustus 2014 heeft [eiseres] een toelichting en de antwoorden op de gestelde vragen gestuurd. De tussenpersoon heeft op (vrijdag) 12 september 2014 de schade bij Achmea gemeld.

5.5.

Uit het voorlopig expertiserapport d.d. 9 oktober 2014 van Van den Berg blijkt dat hij op (dinsdag) 16 september 2014 op bezoek is geweest bij [eiseres] en heeft moeten constateren dat de schade niet meer in volle omvang (zichtbaar) aanwezig was. De aangetaste planten waren niet meer op het bedrijf aanwezig. Volgens Van den Berg laat een omvangrijke schade als bij [eiseres] zich niet verklaren door alleen het uitschakelen van het doseerapparaat in juni. Er moet een achtergrondinfectie met Pseudomonas aanwezig zijn geweest op het bedrijf. Er zijn echter geen gegevens over de mate ervan. Mogelijk heeft een rol gespeeld dat in april 2014 het doseerapparaat in verband met reparatie een paar dagen heeft uitgestaan. Daarnaast kunnen de rasgevoeligheid van de gekweekte planten en de klimaatomstandigheden van belang zijn. Voor de vraag of [eiseres] de juiste beredderingsmaatregelen heeft genomen, is van belang of de luchtvochtigheid in de kas is verlaagd ten tijde van het uitschakelen van het doseerapparaat, aldus Van den Berg.

Gelet op deze vraagpunten was na het eerste bezoek van Van den Berg de dekkingsvraag, anders dan [eiseres] stelt, nog niet te beantwoorden.

5.6.

Na het uitbrengen van het rapport door Van den Berg heeft Achmea (in de persoon van Schrijver) een tussenrapport d.d. 29 oktober 2014 opgemaakt met als schadeoorzaak “functioneren ontsmettingsunit” en als schadedatum “4 april 2014” en aan de schadebehandelaar (Groenewegen) gevraagd om een standpunt over de dekking in te nemen.

Naar het oordeel van de rechtbank is hier sprake van enige vertraging. Voorts is gebleken dat de datering van onderzoeksrapporten bij [eiseres] onduidelijkheid heeft veroorzaakt. Achmea heeft ter zitting als verklaring gegeven dat de datering de start van het opstellen van een onderzoeksrapport aangeeft en dat de afronding van het rapport op een latere datum kan plaatsvinden. Met deze werkwijze zonder nadere toelichting bouwt Achmea misverstanden in die naarmate de afwikkeling stroever gaat lopen wantrouwen kan oproepen. Bovendien is Achmea onvoldoende ingegaan op de klacht van [eiseres] dat zij niet actief werden geïnformeerd over de resultaten van het onderzoek. Anderzijds speelt een rol dat het contact van [eiseres] met Achmea via de tussenpersoon liep. Samengevat is sprake van aan Achmea te wijten communicatieproblemen en een traag onderzoeksverloop. Van bewust traineren om onder dekking uit te komen is echter niet gebleken, mede gelet op de hierna beschreven gang van zaken.

5.7.

Uit de e-mailcorrespondentie tussen [eiseres] en Van den Berg in de maanden november 2014 tot en met januari 2015 komt naar voren dat gegevens over onder meer inkoop, veiling, teeltafval en teeltplan zijn opgevraagd en ook zijn verstrekt. De toonzetting blijft vriendelijk en coöperatief, ondanks het feit dat niet steeds duidelijk is op welke wijze welke gegevens beschikbaar moeten komen. In deze periode heeft Van den Berg op 7 november de bedrijfsleider van [eiseres] gesproken en heeft hij samen met Van Adrichem op 22 november [eiseres] bezocht en de plantvoorraad getaxeerd.

Ter zitting is besproken dat veel mondeling is gegaan tussen Van den Berg en [eiseres] omdat de verstandhouding goed was. Met wetenschap achteraf kan worden geconstateerd dat met een meer concrete (schriftelijke) vraagstelling door Van den Berg de gegevens ten behoeve van het onderzoek naar schadeoorzaak en schadeomvang sneller en efficiënter ter beschikking hadden kunnen komen.

5.8.

De kern van het verwijt van [eiseres] over deze periode is dat Van den Berg geen nader onderzoek heeft gedaan naar de oorzaak van de schade, maar alleen naar de omvang. Dit verwijt is niet terecht. Omdat Van den Berg niet direct in juni/juli 2014 de gelegenheid heeft gehad om het schadebeeld op te nemen en monsters te nemen van het plantmateriaal en het gietwater, was hij aangewezen op meer indirecte gegevens die informatie zouden kunnen geven over de oorzaak en de omvang van de uitbraak van de Pseudomonas besmetting. Daarom heeft Van den Berg gegevens over buitenomstandigheden, over het klimaat van de afdelingen in de kas, overzicht van uitval van planten en inkoop- en veilinggegevens opgevraagd.

Voorts speelde hierdoorheen een discussie tussen [eiseres] en Achmea over de vraag of de uitval van het doseerapparaat onder artikel 2.7.2 sub a tot en met d Bijzondere Voorwaarden gewassenverzekering viel (standpunt Achmea) of onder artikel 2.7.3 (standpunt [eiseres]). Artikel 2.7.2 vereist dat voor dekking gegevens beschikbaar zijn waaruit het functioneren van het apparaat kan worden afgeleid. In verband met het feit dat in april 2014 zich ook een probleem met het functioneren van het doseerapparaat heeft voorgedaan, heeft Van den Berg ook deze eerdere periode in zijn onderzoek betrokken. Omdat de schade in april onder het eigen risico was gebleven, had [eiseres] afgezien van melding van dit schadevoorval bij de tussenpersoon. Deze omstandigheid heeft het onderzoek naar de oorzaak gecompliceerd. De door Van den Berg opgevraagde gegevens geven zowel informatie over de mogelijke oorzaak als de omvang van de schade. Uiteindelijk is op basis van deze gegevens in Vervolg expertise rapport d.d. 23 januari 2015 door Van den Berg geconcludeerd dat het enkel en alleen uitzetten van het doseerapparaat de uitbraak in deze vorm niet kan verklaren en dat er sprake is geweest van een bijkomende factor als een extreme infectiedruk.

5.9.

[eiseres] heeft aangevoerd dat de late melding door de tussenpersoon voor risico van Achmea moet komen, omdat [eiseres] zelf tijdig de melding aan de tussenpersoon heeft gedaan. Bovendien heeft Achmea geen enkel nadeel geleden door het tijdstip van de schademelding, want de situatie was exact gelijk geweest als het onderzoek in juli 2014 was gestart, aldus [eiseres].

Met Achmea is de rechtbank van oordeel dat Achmea door de late melding door de tussenpersoon in haar belangen is geschaad. Dit blijkt ook uit het Vervolg expertise rapport van Van den Berg onder “Resumerend” waar staat weergegeven welke omstandigheden niet meer te beoordelen zijn vanwege de late melding. [eiseres] heeft de grond waarom de gevolgen van de late melding door de tussenpersoon voor risico van Achmea moeten komen en wat daarvan de rechtsgevolgen moeten zijn, niet nader toegelicht, zodat dit argument wordt gepasseerd. De late melding (12 september in plaats van 18 juli) maakt ook dat een beroep op paragraaf 9.2 Bijzondere Voorwaarden waarin is bepaald dat Achmea binnen drie maanden uitsluitsel moet geven over de dekkingsvraag, niet slaagt.

5.10.

Conclusie op grond van het voorgaande is, dat niet is komen vast te staan dat Achmea misbruik heeft gemaakt van haar onderzoeksbevoegdheid en moedwillig is voorbijgegaan aan het (financiële) belang van [eiseres].

5.11.

Voor zover [eiseres] de vordering heeft gebaseerd op dekking van teeltplanschade onder de polis, is de vordering niet toewijsbaar. Tussen partijen is namelijk niet in geschil dat naar aanleiding van een akte van disakkoord d.d. 25 november 2015 tussen de experts namens [eiseres] en Achmea de derde expert Hendriks de schadeomvang bindend tussen partijen heeft vastgesteld in de zin van artikel 7:900 BW. Het aldus vastgestelde schadebedrag heeft Achmea volledig aan [eiseres] betaald. Dit heeft tot gevolg dat geen ruimte meer is voor een beroep op dekking onder de polis.

5.12.

Geen van de door [eiseres] aangevoerde gronden is steekhoudend, zodat de vorderingen zullen worden afgewezen.

[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van Achmea worden begroot op:

- griffierecht 3.894,00

- salaris advocaat 6.422,00 (2 punten × tarief € 3.211,00)

Totaal € 10.316,00

6 De beslissing

De rechtbank

6.1.

wijst de vorderingen af,

6.2.

veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, aan de zijde van Achmea tot op heden begroot op € 10.316,00 te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van veertiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

6.3.

veroordeelt [eiseres] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over de nakosten met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,

6.4.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester, mr. S.A.M. Vrendenbarg-Elsbeek en mr. S. Kropman en in het openbaar uitgesproken op 18 april 2018.

St/SK/Vr