Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1738

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
11-12-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5022
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Indien de AIO-aanvulling is ingetrokken en de belanghebbende een nieuwe aanvraag indient gericht op het verkrijgen van een AIO-aanvulling met ingang van een later gelegen datum, rust de bewijslast op de aanvrager.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/5022

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 april 2018

in de zaak tussen

[naam 1] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D. Coskun),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank te Amstelveen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 22 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een Aanvullende Inkomensvoorziening voor Ouderen (AIO-aanvulling) afgewezen.

Bij besluit van 16 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met de zaak 17/5405 plaatsgevonden op 20 februari 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en zijn zoon

[naam 2] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde

mr. S. Herder. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1.1.

Eiser en zijn echtgenote ontvingen vanaf 1 april 2007 van verweerder een AIO-aanvulling.

1.2.

Bij besluit van 29 september 2015, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2016, heeft verweerder de aan eiser en zijn echtgenote verstrekte AIO-aanvulling met ingang van 1 april 2007 ingetrokken en het aan eiser en zijn echtgenote over de periode van 1 april 2007 tot en met 31 maart 2015 verstrekte bedrag van € 28.060,29 van eiser teruggevorderd. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser in de periode in geding beschikte over vermogen boven de vermogensgrens, bestaande uit onroerend goed in Turkije, waarover hij geen inlichtingen heeft verstrekt.

1.3.

Bij uitspraak van deze rechtbank van 14 maart 2017 (zaaknummer16/4048) is het door eiser ingestelde beroep tegen het besluit van 9 juni 2016 ongegrond verklaard. Het daartegen ingestelde hoger beroep is nog aanhangig bij de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

1.4.

Op 27 september 2016 heeft eiser een nieuwe aanvraag voor een AIO-aanvulling ingediend. Nadat deze aanvankelijk buiten behandeling was gesteld, is daarop het primaire besluit genomen.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder aan de afwijzing van de aanvraag om een AIO-aanvulling ten grondslag gelegd dat verweerder er conform de uitspraak van de rechtbank vanuit gaat dat eiser beschikt over vermogen in de vorm van onroerend goed. Niet is aangetoond dat het onroerend goed niet meer op naam van eiser staat en tegen welke waarde de woning van eigenaar is gewisseld. Hieruit volgt dat eiser niet heeft aangetoond dan wel aannemelijk gemaakt dat zijn vermogen op en sedert de datum van de aanvraag minder bedraagt dan de voor hem en zijn echtgenote geldende vermogensvrijstelling.

3. De te beoordelen periode loopt van 27 september 2016, de datum van de aanvraag, tot en met 22 juni 2017, de datum van het primaire besluit.

4.1.

Eiser stelt dat het bewijs van zijn vermogen op de datum van de aanvraag ten onrechte bij hem is gelegd.

4.2.

Deze beroepsgrond slaagt niet.

Indien de AIO-aanvulling is ingetrokken en de belanghebbende een nieuwe aanvraag indient gericht op het verkrijgen van een AIO-aanvulling met ingang van een later gelegen datum, rust de bewijslast op de aanvrager. Het ligt in dat geval op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van de omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de vereisten om voor deze aanvulling in aanmerking te komen. De rechtbank verwijst hiertoe naar de vaste rechtspraak van de CRvB in het kader van een nieuwe aanvraag na eerdere intrekking van de bijstand, die hier eveneens gelding heeft.1 Op de AIO-aanvulling zijn immers de bepalingen van de Participatiewet (Pw) van toepassing.

Gelet op de uitspraak van deze rechtbank van 14 maart 2017 is verweerder er terecht van uitgegaan dat eiser beschikt over vermogen uit onroerend goed. Gebleken is dat het onroerend goed ten tijde van de aanvraag om een AIO-aanvulling niet meer op naam van eiser staat. Op eiser rustte de verplichting om aan te tonen sinds wanneer dit het geval is en welk bedrag eiser voor het onroerend goed heeft ontvangen. Daartoe had eiser bijvoorbeeld een Tapu Senedi kunnen overleggen, waarop hij door verweerder ook (herhaaldelijk) is gewezen. Omdat eiser niet heeft voldaan aan zijn bewijslast met betrekking tot zijn vermogen heeft verweerder de aanvraag terecht afgewezen.

5.1.

Eiser voert nog aan dat hij tussen alle AIO-gerechtigden vanwege zijn Turkse nationaliteit is uitgezonderd om te worden onderzocht, zonder aanleiding en in strijd met het discriminatiebeginsel.

5.2.

Deze grond valt buiten de omvang van dit geding, aangezien deze betrekking heeft op de procedure waarbij eisers recht op AIO-aanvulling is ingetrokken en het uitgekeerde bedrag is teruggevorderd. Eiser kan deze grond naar voren brengen in het nog lopende hoger beroep dat op de intrekking en terugvordering betrekking heeft.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B. de Vries, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 17 april 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Bijvoorbeeld de uitspraken van 9 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1890 en 30 januari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:301. Zie verder de uitspraak van 10 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:349.