Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1735

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
17-04-2018
Datum publicatie
20-02-2019
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4634
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Beroep gegrond. Eiser is het niet eens met de deelbeoordelingen die met een B (matig) of B/C (matig/voldoende/goed) zijn beoordeeld. Eisers functievervulling is geheel is als voldoende/goed beoordeeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/4634

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.D. Kolfschoten),

en

de korpschef van politie te Apeldoorn, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder een beoordeling over het functioneren van eiser vastgesteld over de periode van mei 2012 tot en met april 2015.

Bij besluit van 7 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard onder aanpassing van de beoordelingsperiode van april 2012 tot april 2015.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.C.M. Steenberghe en [naam 2] , leidinggevende van eiser.

Overwegingen

1. Eiser is sinds 17 november 2005 werkzaam als medewerker basispolitiezorg A binnen de eenheid Midden-Nederland. Eisers functioneren is in april 2015 beoordeeld met eindoordeel C (voldoende/goed). Tegen die beoordeling heeft eiser bezwaar gemaakt. Bij de beslissing op bezwaar van 12 november 2015 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard omdat het beoordelingstijdvak te lang was.

2.1.

Verweerder heeft vervolgens bij het primaire besluit een nieuwe beoordeling vastgesteld over de periode van mei 2012 tot en met april 2015. Verweerder heeft eisers functioneren met een eindoordeel C beoordeeld.

2.2.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder geconcludeerd dat bij het primaire besluit weer een onjuist beoordelingstijdvak is gehanteerd. Het juiste tijdvak is van april 2012 tot april 2015. Volgens verweerder kan de beoordeling niet gebaseerd worden op de gesprekken op 22 en 28 april 2015 omdat deze gesprekken buiten het beoordelingstijdvak liggen. Verweerder heeft de beoordeling in stand gelaten omdat daarvoor overigens voldoende onderbouwing is.

3. Eiser is het niet eens met de deelbeoordelingen die met een B (matig) of B/C (matig/voldoende/goed) zijn beoordeeld. Volgens eiser kloppen die scores niet. Volgens eiser heeft hij altijd goed gefunctioneerd. De scores zijn anders dan wat hem tijdens de functioneringsgesprekken op 21 november 2013 en 19 maart 2015 is meegedeeld.

4. Eisers functievervulling is geheel is als voldoende/goed beoordeeld. Eiser komt op tegen een aantal negatieve deelbeoordelingen.

Persoonlijke omgang en sensitiviteit

5.1.

Verweerder heeft de competenties “inlevingsvermogen” met een B/C beoordeeld, “tactvol optreden” met een B, “zelfkritiek” met een B en “samenwerking” met een B/C.

5.2.

De rechtbank overweegt dat in de toelichting bij deze deelbeoordeling is vermeld dat eiser dwingend, bij het beledigende af, kan overkomen. Ook is vermeld dat het niet van tact en samenwerking getuigt dat eiser heeft gesolliciteerd zonder de directe leidinggevende in te lichten, terwijl de leidinggevende bij een afwijzing wel met eiser in gesprek mag daarover. In de toelichting is ook vermeld dat eiser door zijn vaste houding, lage werktempo, persoonlijke omgang en het grote aantal verzoeken om een dienstruil niet geaccepteerd wordt door zijn collega’s. De rechtbank stelt vast dat deze conclusies niet zijn onderbouwd met concrete voorbeelden. [naam 2] heeft tijdens de zitting desgevraagd geen voorbeelden kunnen geven. Tijdens de zitting heeft eiser bovendien ontkend dat hij moeilijk is in te roosteren en bovenmatig verzoekt om van diensten te ruilen. Daarnaast heeft eiser ontkend dat hij hierdoor niet geaccepteerd wordt door zijn collega’s. Hij is nooit op zijn gedrag aangesproken door zijn collega’s. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de deelbeoordeling een feitelijke onderbouwing mist.

Omgevingsgevoeligheid

5.4.

Verweerder heeft de competentie “omgevingsbewustzijn” met een B beoordeeld.

5.5.

In het beoordelingsformulier is vermeld dat onder omgevingsbewustzijn het volgende wordt verstaan: “Heeft door dat het eigen optreden de belangen en het aanzien van de eigen organisatie kan beïnvloeden”.

5.6.

In de toelichting bij de deelbeoordeling is vermeld dat eiser zich bewust is van de bijzondere positie van een politieagent in de huidige, roerige maatschappij. Eisers omgevingsbewustzijn binnen de organisatie laat echter te wensen over volgens de toelichting. Daarbij wordt als voorbeeld gegeven eisers eetgedrag. Het de hele dag door eten van vaak sterk riekende etenswaren, waardoor eiser een stempel van de andere collega’s heeft gekregen. De rechtbank overweegt dat [naam 2] desgevraagd tijdens de zitting niet heeft kunnen aangeven dat en hoe eiser met zijn eetgedrag het externe aanzien van de organisatie kan beïnvloeden. Het feit dat eiser riekend etenswaar nuttigt en zijn collega’s daar aanstoot aan (kunnen) nemen, kan geen afbreuk doen aan eisers omgevingsbewustzijn zoals verweerder dat heeft gedefinieerd. Dit voorbeeld kan dan ook niet aan de score B ten grondslag worden gelegd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de deelbeoordeling een feitelijke onderbouwing mist.

Besluitvaardigheid

5.7.

Verweerder heeft de competentie “standvastigheid” met een B beoordeeld.

5.8.

In het beoordelingsformulier is vermeld dat onder standvastigheid wordt verstaan: “Houdt bij tegengas vast aan de genomen beslissing. Staat open voor argumenten, maar laat zich niet te snel beïnvloeden. Is doortastend.”.

5.9.

In de toelichting bij deze deelbeoordeling is vermeld dat eiser een sterke eigen, soms verkokerde, eigen mening heeft die hij niet snel zal bijstellen. Daarbij is als voorbeeld gegeven dat eiser zonder toestemming zelfstandig een ME-oefening heeft verlaten. De rechtbank overweegt dat dit voorbeeld niet ten grondslag kan worden gelegd aan een score B op dit punt. Een B betekent namelijk dat eiser meer neigt naar een weifelende opstelling, terwijl uit dit voorbeeld nu juist het tegendeel blijkt. Verweerder heeft, ook desgevraagd, geen concrete voorbeelden naar voren gebracht die kunnen dienen als onderbouwing voor het negatieve oordeel op dit beoordelingsaspect. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de deelbeoordeling een feitelijke onderbouwing mist.

Initiatief

5.10.

Verweerder heeft de competenties “inzet” met een B, “gewicht in optreden” met een B en “positieve uitstraling” met een B/C beoordeeld.

5.11.

De rechtbank overweegt dat verweerder in de toelichting bij deze deelbeoordeling heeft vermeld dat eiser tijdens de beoordelingsperiode steeds initiatieven heeft genomen om zijn positie te verbeteren. Vervolgens is in de toelichting een opsomming gegeven van initiatieven die eiser heeft genomen. Eiser heeft bijvoorbeeld werkzaamheden voor wijkagenten in [plaats] verricht, hij is ME-lid en ME-chauffeur geworden, hij heeft stage gelopen om een IBT-docent te worden en hij is in training geweest voor het arrestatieteam. Hieruit blijkt dat eiser een grote hoeveelheid aan initiatieven heeft genomen. Desgevraagd heeft [naam 2] tijdens de zitting geen voorbeelden kunnen geven waaruit een gebrek aan initiatief blijkt. [naam 2] heeft ook overigens geen voorbeelden kunnen geven die kunnen dienen als onderbouwing voor het negatieve oordeel op “gewicht in optreden” en “positieve uitstraling”. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de deelbeoordeling een feitelijke onderbouwing mist.

Plannen en organiseren

5.12.

Verweerder heeft de competenties “stellen van prioriteiten” met een B/C en “plannen” met een B/C beoordeeld.

5.13.

De rechtbank overweegt dat verweerder in de toelichting heeft vermeld dat eiser meer dan regelmatig moet worden aangespoord om zaken af te maken. Verder staat in de toelichting dat eiser prioriteiten moet leren stellen met betrekking tot de op te pakken en af te handelen zaken. De toelichting bevat echter geen concrete voorbeelden ter onderbouwing. Ook ter zitting heeft [naam 2] desgevraagd geen voorbeelden kunnen geven ter onderbouwing van de beoordeling op dit punt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de deelbeoordeling een feitelijke onderbouwing mist.

Probleemaanpak

5.14.

Verweerder heeft de competentie “realiteitszin” met een B/C beoordeeld.

5.15.

De rechtbank overweegt dat verweerder in de toelichting bij de deelbeoordeling heeft vermeld dat eiser veel wil maar dat hij, als het in de gesprekken niet zijn gewenste kant op gaat, onredelijk wordt en met verwijten komt. De rechtbank stelt vast dat deze conclusie niet wordt onderbouwd met concrete voorbeelden. [naam 2] heeft tijdens de zitting desgevraagd geen voorbeeld kunnen geven. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de deelbeoordeling een feitelijke onderbouwing mist.

Professionaliteit

5.16.

Verweerder heeft de competentie “kwaliteit” met een B/C, “representativiteit” met een B/C, “mondelinge uitdrukkingsvaardigheden” met een B/C en “schriftelijke uitdrukkingsvaardigheden” met een B/C beoordeeld.

5.17.

De rechtbank is van oordeel dat de deelbeoordeling van de competenties “representativiteit” en de “mondelinge uitdrukkingsvaardigheden” op voldoende gronden berust. De feiten die verweerder aan de beoordeling op die punten ten grondslag heeft gelegd zijn onvoldoende betwist door eiser. In de toelichting heeft verweerder over eisers representativiteit vermeld dat eiser meerdere malen op zijn kleding is aangesproken, zoals het dragen van ME-kleding tijdens de dienst en het dragen van een korte broek en slippers tijdens het verrichten van werkzaamheden voor de VVC. Dat eiser een korte broek en slippers heeft gedragen is tijdens de zitting door eiser bevestigd. Dat hij, zoals eiser ter zitting heeft aangevoerd, dit deed in een pauze tussen ME-oefeningen door, kan de rechtbank niet volgen. Het voorbeeld van verweerder ziet immers niet op eisers werkzaamheden bij de ME, zoals verweerder ook ter zitting heeft aangegeven, maar op de werkzaamheden voor de VVC. Voor wat betreft de beoordeling op “mondelinge uitdrukkingsvaardigheden” heeft verweerder in de toelichting vermeld dat eiser lang van stof is. Dit heeft eiser ook erkend tijdens de zitting. Eiser heeft aangegeven dat zijn bewoordingen soms misschien lastig zijn te volgen of wat langer zijn. Bovendien heeft eiser aangegeven dat het met zijn persoonlijkheid te maken heeft dat hij lang van stof is.

5.18.

De rechtbank overweegt verder dat de deelbeoordeling van de competenties “kwaliteit” en “schriftelijke uitdrukkingsvaardigheden” niet is onderbouwd met concrete voorbeelden. Desgevraagd heeft [naam 2] tijdens de zitting niet kunnen aangeven op welke punten de schriftelijke vaardigheden van eiser niet voldoen aan de normen. Ook overigens heeft [naam 2] geen voorbeelden kunnen geven voor dit onderdeel van de deelbeoordeling. De score op “kwaliteit” is in het geheel niet voorzien van een toelichting. De beoordeling berust op deze punten dan ook op onvoldoende gronden.

6. Gelet op het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de onvoldoende scores grotendeels niet met voldoende concrete voorbeelden zijn onderbouwd. Dit brengt de rechtbank tot het oordeel dat de beoordeling in totaal bezien op onvoldoende gronden berust, zodat het bestreden niet in stand kan blijven. De rechtbank zal het beroep dan ook gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.

7. Gelet op de duur die is verstreken sinds de eerste beoordeling in 2015, het gegeven dat verweerder al twee keer in de gelegenheid is gesteld om de beoordeling te voorzien van een deugdelijke onderbouwing, en de vertegenwoordigers van verweerder ook tijdens de zitting geen voorbeelden konden noemen, gaat de rechtbank er vanuit dat verweerder niet in staat is om het gebrek te herstellen. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om het primaire besluit tot vaststelling van de beoordeling te herroepen.

8. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2004,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor van 1). Tevens dient verweerder het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit;

- gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 168,- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 2004,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.J. Zippelius, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. K. Looijschilder, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.