Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1694

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
01-06-2018
Zaaknummer
17/6092
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wmo 2015. Verweerder heeft bij primair besluit van 7 augustus 2017 voor de periode van 16 mei 2017 tot en met 5 juli 2017 maatschappelijke opvang toegekend en aan eiser een bijdrage in de kosten daarvoor opgelegd. Het betrof hier crisisopvang. Uit de wettelijke systematiek volgt dat het de taak van verweerder is om er voor te zorgen dat, in een geval als deze, uiterlijk op het moment van aanvang van feitelijke opname voor de betrokkene duidelijk is of een eigen bijdrage verschuldigd is en wat de maximale hoogte van de eigen bijdrage is. In dit geval heeft verweerder dat niet gedaan. Verweerder heeft dan ook niet bij het primaire besluit met terugwerkende kracht aan eiser een eigen bijdrage op mogen leggen. De opvang was ook voor een onjuiste periode toegekend. Beroep gegrond, vernietiging bestreden besluit en herroeping primaire besluit ten aanzien van toegekende periode en oplegging van de eigen bijdrage. Opvang toegekend voor juiste periode.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/6092

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 april 2018

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. P.J. van Goor),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Nijmegen te Nijmegen, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 7 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder voor de periode van 16 mei 2017 tot en met 5 juli 2017 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) maatschappelijke opvang toegekend en aan eiser een bijdrage in de kosten daarvoor opgelegd.

Bij besluit van 20 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.F. Wittershoven.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarbij de maatschappelijke opvang is toegekend voor de periode van 16 mei 2017 tot en met 5 juli 2017 en voor zover daarbij een eigen bijdrage is opgelegd;

  • -

    bepaalt dat de maatschappelijke opvang wordt toegekend voor de periode van 16 mei 2017 tot en met 15 juli 2017;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

  • -

    gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht ten bedrage van € 46,- aan hem vergoedt;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 512,40.

Overwegingen

1. De rechtbank geeft hiervoor de volgende motivering.

2. Vast staat dat in het primaire besluit de maatschappelijke opvang voor een onjuiste periode is toegekend. In plaats van de periode van 16 mei 2017 tot en met 5 juli 2017 had dit tot en met 15 juli 2017 moeten zijn. Ter zitting is namens verweerder erkend dat verweerder daarom bij het bestreden besluit het bezwaar van eiser gegrond had moeten verklaren en het primaire besluit in zoverre had moeten herroepen.

3.1.

Eiser stelt verder dat verweerder in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld door bij het primaire besluit met terugwerkende kracht een eigen bijdrage op te leggen in de kosten voor het gebruik van maatschappelijke opvang. Voorafgaand aan dat besluit is eiser niet duidelijk gemaakt wat de hoogte van de eigen bijdrage was.

3.2.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet met terugwerkende kracht een eigen bijdrage heeft opgelegd. Het was namelijk duidelijk dat de vermelding in het eerste besluit van 14 juni 2017 dat geen eigen bijdrage verschuldigd was, onjuist was. Verweerder mocht daarom met het primaire besluit het besluit van 14 juni 2017 in zoverre herzien. Eiser wist immers uit de huisregels van [zorginstelling] die hij op het moment van crisisopname bij [zorginstelling] op 16 mei 2017 heeft ondertekend, dat hij een eigen bijdrage voor deze maatschappelijke opvang verschuldigd was. De hoogte van de eigen bijdrage vloeit volgens verweerder voort uit de Wmo 2015.

3.3.

De rechtbank overweegt dat uit de wettelijke systematiek van de Wmo 2015 en de daarop gebaseerde Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Nijmegen 2017 en het Financieel besluit Wmo en Jeugdwet en Besluit nadere regeling Jeugdhulp gemeente Nijmegen 2017 volgt dat verweerder beslist of degene aan wie een maatwerkvoorziening wordt verleend daarvoor een bijdrage verschuldigd zal zijn en dat de hoogte van de bijdrage in het geval van opvang wordt vastgesteld en geïnd door de aanbieder die de opvang verzorgt. Uit de wettelijke systematiek en de memorie van toelichting bij de Wmo 2015 volgt verder het uitgangspunt dat het besluit waarbij de maatwerkvoorziening wordt toegekend het laatste moment is waarop een betrokkene kennis kan nemen van de verschuldigdheid van een bijdrage en wat de kostprijs van de voorziening is die de maximaal verschuldigde bijdrage begrenst. Voor het laatst moet bij het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening duidelijk zijn welke rechten en plichten daaraan zijn verbonden, zodat een betrokkene – alles overziend – nog kan besluiten daarvan af te zien.1

3.4.

De rechtbank overweegt verder dat, zoals terecht door verweerder is aangegeven, bij maatschappelijke opvang - waaronder in het bijzonder crisisopvang - snel beslist moet worden of er recht op opvang bestaat waardoor het (schriftelijke) besluit tot toekenning van de maatwerkvoorziening in de vorm van maatschappelijke opvang vaak pas afgegeven kan worden nadat de opvang feitelijk al is aangevangen. In zo’n geval zal verweerder er dus voor moeten zorgen dat uiterlijk op het moment van aanvang van feitelijke opvang voor de betrokkene duidelijk is wat zijn rechten en plichten zijn.

3.5.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn er geen objectieve aanknopingspunten waaruit volgt dat verweerder aan deze bijzondere inlichtingenplicht heeft voldaan. Eiser heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de hoogte van de eigen bijdrage in gesprekken die hij met [zorginstelling] heeft gehad voorafgaand aan zijn opname, niet aan hem is meegedeeld. In de huisregels van [zorginstelling] is slechts opgenomen dat door verweerder een eigen bijdrage is vastgesteld. Voor zover daaruit al volgt dat eiser (hiermee geïnformeerd wordt dat hij) een eigen bijdrage verschuldigd is, volgt daaruit niet wat de hoogte daarvan is. Dat de hoogte van de eigen bijdrage volgt uit de Wmo 2015 en daarop gebaseerde wet- en regelgeving is ook onvoldoende. Uit de wettelijke systematiek volgt immers dat het de taak van verweerder is om er voor te zorgen dat, in een geval als deze, uiterlijk op het moment van aanvang van feitelijke opname voor de betrokkene duidelijk is of een eigen bijdrage verschuldigd is en wat de maximale hoogte van de eigen bijdrage is. Dan kan betrokkene namelijk nog besluiten om daar vanaf te zien. In dit geval heeft verweerder dat niet gedaan. Verweerder heeft dan ook niet bij het primaire besluit met terugwerkende kracht aan eiser een eigen bijdrage op mogen leggen. De beroepsgrond slaagt.

4. Uit het voorgaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. De rechtbank ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien door het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij maatschappelijke opvang is toegekend voor de periode van 16 mei 2017 tot en met 5 juli 2017 en voor zover daarbij een eigen bijdrage is opgelegd. De rechtbank bepaalt dat de maatschappelijke opvang wordt toegekend voor de periode van 16 mei 2017 tot en met 15 juli 2017. Dit betekent dat eiser tot en met 15 juli 2017 geen eigen bijdrage is verschuldigd voor de aan hem toegekende maatschappelijke opvang.

5. Nu het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoeden.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een wegingsfactor 1). De gevorderde reiskosten van € 11,40 komen ook voor vergoeding in aanmerking.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C.E. Marechal, rechter, in tegenwoordigheid van mr. N. ter Horst, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 april 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 25 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3358.