Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1664

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
12-04-2018
Datum publicatie
16-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4507
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rioolheffing.

De gemeente heft rioolheffing in één heffing zowel voor huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater als voor hemelwater. De maatstaf van heffing is gerelateerd aan het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat naar het perceel is toegevoerd of opgepompt en dus alleen gerelateerd aan het aantal kubieke meters huishoudelijk afvalwater. Als ten minste 20% daarvan niet als afvalwater is of wordt afgevoerd, geldt een vast (lager) tarief. Eiser stelt dat met het bijvullen en verversen van de vijver en het sproeien van de tuin meer dan 20% van het afgenomen water niet via het afvalwaterrioolsysteem wordt afgevoerd, maar (deels) via het hemelwatersysteem. De rechtbank acht het gelet op de bedoeling van de gemeenteraad de kosten van beide systemen te verhalen en de achterliggende bedoeling van de regeling niet aannemelijk dat bedoeld is dat het op die wijze afgevoerde water meetelt voor de bepaling van de 20%. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat het uit de vijver verdampte water en het door de planten opgenomen water samen ten minste 20% van het totaal beslaan. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/831
Belastingblad 2018/221 met annotatie van R.T. Wiegerink
Viditax (FutD), 17-04-2018
FutD 2018-1164
V-N 2018/38.33.9
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 17/4507

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 12 april 2018

in de zaak tussen

[X] , te [Z] , eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Duiven, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft ten laste van eiser rioolheffing geheven over de periode 16 maart 2016 tot en met 27 maart 2017.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 juli 2017 de aanslag gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen op 23 augustus 2017 digitaal beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 januari 2018.

Eiser is verschenen. Namens verweerder is [gemachtigde] verschenen.

Eiser heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd.

De rechtbank heeft het onderzoek geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen nadere stukken in te dienen. Zij hebben daarvan gebruikgemaakt.

Nadat de rechtbank partijen daartoe in de gelegenheid had gesteld, hebben zij niet kenbaar gemaakt dat zij een nadere zitting wensten. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is eigenaar van het perceel [A-straat 1] te [Z] . Vanuit dit perceel wordt water afgevoerd op de gemeentelijke riolering.

2. De rioolheffing wordt op grond van artikel 6 van de Verordening rioolheffing 2017 geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd. Dit aantal kubieke meters wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater en grondwater dat in het belastingjaar naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Het vierde lid van artikel 6 bepaalt dat de op deze voet berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de aantoonbare hoeveelheid water die niet als afvalwater is/wordt afgevoerd. Indien aannemelijk wordt gemaakt dat de hoeveelheid water die niet als afvalwater is of wordt afgevoerd ten minste 20% van het totaal aantal verbruikte kubieke meters leidingwater en grondwater beloopt, wordt de hoeveelheid afvalwater voor woningen bepaald op 45 m³ per persoon. In de Verordening rioolheffing 2016 is een vergelijkbare regeling opgenomen. Het belastingtarief bedraagt in 2016 € 1,53 per kubieke meter en in 2017 € 1,57 per kubieke meter.

3. De rioolheffing is overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van de verordeningen in rekening gebracht bij de eindafrekening van het waterbedrijf. Daarbij is voor de periode 16 maart 2016 tot en met 31 december 2016 uitgegaan van een verbruik van 172 m³ en voor de periode 1 januari 2017 tot en met 27 maart 2017 van een verbruik van 50 m³.

4. Eiser voert aan dat de hoeveelheid water die niet als afvalwater is afgevoerd ten minste 20% van het totaal beloopt, en dat daarom had moeten worden uitgegaan van een verbruik van 90 m³, zijnde het verbruik van twee personen. Hij kan dit weliswaar niet precies aantonen, maar is van mening dat dit ook niet nodig is. Een groot deel van het water wordt gebruikt voor de tuin. Uitgaand van een waterdruk van 18 liter per minuut, tweemaal per week beregenen gedurende vier maanden, is sprake van 69 m³. Daarnaast ververst hij tweemaal per jaar de vijver. Dat is 32 m³. Dit water gaat in de tuin en niet in het riool, aldus eiser. Ook verdampt er water in de vijver (6 m³ per jaar). Dit vult hij bij. Ten slotte begiet hij planten in plantenbakken (3,6 m³ per jaar).

5. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser het voorgaande niet aannemelijk heeft gemaakt. De beregeningsinstallatie van eiser is niet voorzien van een meter om aan te tonen hoeveel water er wordt gebruikt. De cijfers van eiser zijn niet aantoonbaar juist en ook niet aannemelijk, aldus verweerder.

6. De rechtbank overweegt als volgt. In eerste instantie is in de verordeningen opgenomen dat sprake moet zijn van een “aantoonbare hoeveelheid water” die niet als afvalwater wordt afgevoerd. De verordeningen schrijven vervolgens voor dat aannemelijk moet worden gemaakt dat ten minste 20% van het water niet als afvalwater wordt afgevoerd. De rechtbank zal dit laatste als uitgangspunt nemen. Aannemelijk maken is een minder zware bewijslast dan aantonen. De bewijslast rust op eiser. Aannemelijk maken betekent dat de uitleg van eiser meer waarschijnlijk is dan een andere uitleg. Eiser heeft zijn stellingen gemotiveerd. Verweerder heeft die maar ten dele betwist. Verweerder heeft niet betwist dat eiser zijn tuin beregent, zijn vijver verschoont en bijvult en plantenbakken begiet. Verweerder heeft alleen betwist dat dit leidt tot ten minste de vereiste 20%.

7. In de nadere reactie van verweerder is naar voren gekomen dat ten minste een deel van het water waarmee de tuin wordt beregend via het hemelwatersysteem wordt afgevoerd. Eiser heeft dit erkend, maar stelt zich op het standpunt dat dit niet als afvalwater geldt in de zin van de verordeningen, omdat het niet via het afvalwaterrioolsysteem wordt afgevoerd, maar via het hemelwatersysteem. In de kern is dus de vraag of “afvalwater” in artikel 6, vierde lid, van de verordeningen moet worden gelezen als “huishoudelijk afvalwater” en of dus het huishoudelijk afvalwater dat op het hemelwatersysteem wordt geloosd niettemin meetelt voor de berekening van de vereiste 20%.

8. Op grond van artikel 228a van de Gemeentewet kan zowel voor - kort gezegd - de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater als voor de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking daarvan rioolheffing worden geheven. Dit kan in één belasting. Gelet op artikel 2 van de verordeningen beoogt de gemeente in dit geval inderdaad beide te belasten. Artikel 6 gaat over de maatstaf van heffing. Deze is alleen gerelateerd aan het aantal kubieke meters huishoudelijk afvalwater. De gemeenteraad heeft veel vrijheid bij het kiezen van de heffingsmaatstaf en de gekozen maatstaf is naar het oordeel van de rechtbank geoorloofd. De keuze voor deze maatstaf betekent echter niet dat alleen geheven wordt voor de kosten van inzameling en transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater. Wel degelijk beoogt de gemeenteraad ook de kosten voor de inzameling en verwerking van hemelwater te dekken. Daarom acht de rechtbank het niet aannemelijk dat de keuze voor het woord “afvalwater” in artikel 6 betekent dat wanneer huishoudelijk afvalwater wordt afgevoerd via het hemelwatersysteem dit meetelt voor de bepaling van de 20%. Dat dit niet de bedoeling van de gemeenteraad is geweest, volgt ook uit de verklaring van verweerder ter zitting. Die heeft toegelicht dat de regeling met name bedoeld is voor boeren in het buitengebied, die leidingwater gebruiken om landerijen te besproeien. Een deel van dat water wordt door de planten opgenomen, een deel komt bijvoorbeeld in sloten terecht en niet in de systemen van de gemeente. In een dergelijk geval ontstaan er dus voor de gemeente geen kosten als gevolg van het verbruik van het water.

9. Hoewel aannemelijk is dat de besproeide planten van eiser een deel van het water opnemen, en dus niet de volledige hoeveelheid water via het hemelwatersysteem wordt afgevoerd, is de rechtbank van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat dit een aandeel van ten minste 20% beloopt. Uitgaand van 222 m³ moet er dan ten minste 44,4 m³ water niet via de systemen van de gemeente zijn afgevoerd. Verweerder heeft de berekening van het water dat uit de vijver verdampt en het water voor de plantenbakken niet betwist. Dit is samen 9,6 m³. Dat betekent dat eiser aannemelijk zou moeten maken dat de planten in de tuin ten minste 34,8 m³ water hebben opgenomen. Hij heeft echter niets gesteld dat dit kan onderbouwen. Dat dit niet eenvoudig is vast te stellen, doet daar niet aan af.

10. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

11. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A. Eskes, rechter, in tegenwoordigheid van M.I.M. Geraerts, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 12 april 2018

de griffier is buiten staat deze uitspraak

te ondertekenen

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.