Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1651

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
12-04-2018
Zaaknummer
6258993 \ CV EXPL 17-11286 \ 693\415
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Q-Park. Boetebeding geen oneerlijk beding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaakgegevens 6258993 \ CV EXPL 17-11286 \ 693\415

uitspraak van 14 maart 2018

vonnis

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Q-Park Operations Netherlands II B.V.

statutair gevestigd en kantoorhoudende te Maastricht

eisende partij

gemachtigde mr. C.F.M.P. Spreksel

tegen

[gedaagde]

[woonplaats]

gedaagde partij

procederend in persoon

Partijen worden hierna Q-Park en [gedaagde] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 24 januari 2018 en de daarin genoemde processtukken.

2 De aanvullende feiten

2.1.

Op naam van [gedaagde] is bij de Rijksdienst voor het Wegverkeer (hierna: RDW) een auto, merk Audi, type A4 75 KW, met kenteken [kenteken] (hierna: Audi) geregistreerd.

2.2.

Op 9 september 2016 rijdt voormelde Audi omstreeks 17:58 uur bumper-klevend achter zijn voorganger de parkeergarage uit.

3 De verdere beoordeling van het geschil

3.1.

De kantonrechter blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in het tussenvonnis van 24 januari 2018.

3.2.

Bij voormeld tussenvonnis is [gedaagde] in de gelegenheid gesteld om het vermoeden, dat zij als kentekenhouder ook wordt vermoed contractspartij te zijn van Q-park, te weerleggen.

3.3.

[gedaagde] heeft, hoewel zij daartoe bij voormeld tussenvonnis in de gelegenheid is gesteld, geen gebruik gemaakt van de aan haar geboden mogelijkheid om het voormelde vermoeden te weerleggen.

3.4.

De kantonrechter is van oordeel dat, gelet op het voorgaande en het tussenvonnis van 24 januari 2018, [gedaagde] het vermoeden dat zij contractspartij is van Q-Park onvoldoende (gemotiveerd) heeft weerlegd. [gedaagde] heeft haar verweer op dit punt – bezien in het licht van de stellingen van Q-Park – onvoldoende (feitelijk) onderbouwd, zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat de kentekenhouder – [gedaagde] – ook de contractspartij is van Q-Park.

3.5.

Vervolgens komt de kantonrechter toe aan het standpunt van Q-Park dat [gedaagde] in strijd met het bepaalde in artikelen 5.9 en 6.3 van de algemene voorwaarden (zie r.ov. 2.2 van het tussenvonnis van 24 januari 2018) heeft gehandeld.

3.6.

Op grond van de artikelen 5.9 en 6.3 van de algemene voorwaarden is [gedaagde], vanwege het zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs of middel verlaten van de parkeergarage, bijvoorbeeld door middel van het zogenoemde “treintje rijden”, in beginsel een boete verschuldigd van € 300,00. Nu de overeenkomst tussen Q-Park en [gedaagde] moet worden aangemerkt als een consumentenovereenkomst als bedoeld in de Richtlijn 93/13 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: de Richtlijn), dient de kantonrechter op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie (4 juni 2009, C 243/08) en de Hoge Raad

(13 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:691) ambtshalve te beoordelen of het beding onredelijk bezwarend is. Daartoe dient artikel 6:233 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) conform de Richtlijn te worden uitgelegd en – indien de kantonrechter vaststelt dat het beding ‘oneerlijk’ is – het beding ambtshalve te worden vernietigd (HR 13 september 2013 ECLI:NL:HR:2013:691).

3.7.

Volgens artikel 3 lid 1 van de Richtlijn wordt een beding als oneerlijk beschouwd indien het, in strijd met de goede trouw, het evenwicht tussen de uit de overeenkomst voortvloeiende rechten en verplichtingen van de partijen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort. In de bijlage bij de Richtlijn wordt vermeld dat een beding onder meer oneerlijk kan zijn als dat beding tot doel of tot gevolg heeft de consument die zijn verbintenissen niet nakomt, een onevenredig hoge schadevergoeding op te leggen.

Daarnaast volgt uit artikel 6:233, aanhef en onder a, van het BW dat een beding in algemene voorwaarden vernietigbaar is, indien het, gelet op de aard en de overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval, onredelijk bezwarend is voor de wederpartij.

3.8.

In het licht van de Richtlijn en artikel 6:233, aanhef en onder a, BW, zal de kantonrechter bij de beantwoording van de vraag of het boetebeding van de artikelen 5.9 en 6.3 van de algemene voorwaarden oneerlijk is, als maatstaf hanteren of de boete in een redelijke verhouding staat tot de voor Q-Park te verwachten schade door de gedraging waarop de boete is gesteld, en of de boete als ‘prikkel tot nakoming’ in een redelijke verhouding staat tot het belang voor Q-Park dat met nakoming van de verplichting is gediend. Verder moet de gedraging waarop de boete is gesteld een voldoende ernstige tekortkoming in de nakoming opleveren om een boete te kunnen rechtvaardigen.

3.9.

Wat betreft dit laatste punt stelt de kantonrechter voorop dat het zonder gebruikmaking van een geldig door Q-Park geaccepteerd parkeerbewijs of middel verlaten van de parkeergarage een ernstige tekortkoming oplevert in de nakoming van de overeenkomst, hetgeen een boete rechtvaardigt. De kantonrechter neemt daarbij ook in overweging dat vast staat dat voormelde Audi zonder gebruikmaking van de parkeerkaart bumper-klevend de parkeergarage heeft verlaten.

3.10.

Q-Park heeft over het in haar algemene voorwaarden opgenomen boetebeding naar voren gebracht - zakelijk weergegeven - dat zij, wanneer zonder gebruikmaking van de parkeerkaart de parkeerfaciliteit wordt verlaten, schade lijdt. In de boete zijn in de eerste plaats verdisconteerd de kosten die Q-Park in verband daarmee heeft gemaakt en zal moeten maken. Dit betreft de kosten die voortvloeien uit het inrichten van een observatiesysteem, het bestuderen van camerabeelden, het verwerken van gegevens en het opvragen van gegevens bij RDW. Verder wordt door Q-Park het zogeheten parkeermanagementsysteem gebruikt, dat vaak is aangesloten op het Parkeer Route Informatie Systeem (matrixborden die bezoekers van een stad informeren over de beschikbaarheid van parkeerplaatsen). Wanneer zonder gebruikmaking van de parkeerkaart de parkeerfaciliteit wordt verlaten, worden deze systemen van onjuiste informatie voorzien voor wat betreft de beschikbaarheid van parkeerplaatsen in een parkeeraccommodatie. Het parkeersysteem ‘denkt’ ten onrechte dat zich in de parkeergarage meer auto’s bevinden dan er daadwerkelijk zijn. Los van de gevolgen daarvan voor de mobiliteit in en rondom de betreffende stad, betekent dit dat Q-Park inkomsten misloopt. Verder kunnen door deze manier van uitrijden de slagbomen ontregeld raken en kan er schade aan de slagboom ontstaan.

Bovenal benadrukt Q-Park dat het, zonder gebruikmaking van de parkeerkaart de parkeerfaciliteit verlaten, op zichzelf als maatschappelijk ontoelaatbaar gedrag beschouwd moet worden en een onveilige situatie oplevert. De parkeerder verlaat de garage willens en wetens op een onveilige manier. Deze vorm van gevaarzetting is ernstig en onacceptabel. In verband met voornoemde omstandigheden stelt Q-Park groot belang te hebben bij het tegengaan van deze vorm van (parkeer)fraude.

3.11.

[gedaagde] heeft de juistheid van deze toelichting door Q-Park op het boetebeding niet betwist en de kantonrechter heeft geen reden aan die juistheid te twijfelen. De genoemde schadeposten tezamen hebben Q-Park gebracht tot het vaststellen van de boete op een bedrag van € 300,00, met als bijkomende gedachte dat deze boete ook voldoende afschrikwekkend moet zijn. De kantonrechter is van oordeel dat die boete in een redelijke verhouding staat tot de (te verwachten) schade door de gedraging waarop de boete is gesteld. Bovendien staat de boete als ‘prikkel tot nakoming’ in een redelijke verhouding tot het belang voor Q-Park dat met nakoming van de verplichting is gediend, te weten het voorkomen van verkeersonveilige gedragingen door het financieel onaantrekkelijk maken van het zonder gebruikmaking van de parkeerkaart de parkeerfaciliteit verlaten.

3.11.1.

De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het boetebeding, gelet op al hetgeen door Q-Park is gesteld over de aard en de achtergrond van dit beding (waartegen door [gedaagde] niets is aangevoerd) niet aan te merken is als een oneerlijk beding. Gelet op het voorgaande is de door Q-Park gevorderde boete van € 300,00 toewijsbaar. Dit geldt eveneens voor het door Q-Park gevorderde tarief verloren kaart van € 24,00.

3.12.

Vervolgens maakt Q-Park aanspraak op de vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De gevorderde vergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, omdat onvoldoende concreet is gesteld en onderbouwd is dat aanmaning overeenkomstig de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW heeft plaatsgevonden.

3.13.

Resumerend wijst de kantonrechter een bedrag van € 324,00 toe. Gelet op het voorgaande wordt de gevorderde wettelijke rente toegewezen over de hoofdsom vanaf de datum van het vonnis.

3.14.

[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen. Deze worden begroot zoals hierna bepaald. De nakosten worden toegewezen tot een half salarispunt van het toegewezen salaris met een maximum van € 100,00.

4 De beslissing

De kantonrechter

4.1.

veroordeelt [gedaagde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Q-Park te betalen een bedrag van € 324,00 te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag van volledige voldoening;

4.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten tot deze uitspraak aan de zijde van Q-Park begroot op € 83,51 aan dagvaardingskosten, € 117,00 aan griffierecht en € 120,00 aan salaris voor de gemachtigde, te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten, indien deze niet binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis zijn voldaan, alsmede te vermeerderen met € 30,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan;

4.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

4.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. A.J. Weerkamp-Beens en in het openbaar uitgesproken op 14 maart 2018