Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:165

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
16-01-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
C/05/327104 / HZ RK 17-53
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Deelgeschil. Eén van de twee symptoomvaliditeitstest onvoldoende. Nader onderzoek nodig, Verzoeken deels toegwezen en voor het overige afgewezen ex art. 1019z Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2018/68 met annotatie van mr. E.W. Bosch
PS-Updates.nl 2018-0131
VR 2019/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Zutphen

zaaknummer / rekestnummer: C/05/327104 / HZ RK 17-53

Beschikking van 16 januari 2018

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

advocaat mr. J.F. Schultz te Emmen,

tegen

de naamloze vennootschap

ACHMEA SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

verweerster,

advocaat mr. M.T. Spronck te Apeldoorn.

Partijen worden hierna aangeduid als [verzoeker] en Achmea.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift

  • -

    het verweerschrift

  • -

    de mondelinge behandeling.

2 De feiten

2.1.

Op 4 januari 2012 is [verzoeker] als voetganger aangereden door een auto die een zogenaamde U-turn maakte. Door de aanrijding is [verzoeker] tegen de motorkap en de ruit van de auto aangekomen. De bestuurder van de auto was tegen aansprakelijkheid verzekerd bij Achmea. Achmea heeft aansprakelijkheid voor de gevolgen van het ongeval erkend.

2.2.

[verzoeker] was ten tijde van het ongeval op basis van een arbeidsovereenkomst fulltime werkzaam als ‘Category Analist’ bij Unilever. Op 5 januari 2012 heeft [verzoeker] zich bij zijn werkgever ziek gemeld. Op 1 september 2014 is de arbeidsovereenkomst wegens langdurige arbeidsongeschiktheid geëindigd. Nadien heeft [verzoeker] op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd diverse werkzaamheden voor Achmea verricht.

2.3.

Partijen zijn overeengekomen dat neuroloog dr. P. Verlooy (hierna: Verlooy) een deskundigenonderzoek zou verrichten naar de door [verzoeker] gestelde klachten. Hij heeft op zijn beurt drs. T. Koene (hierna: Koene) ingeschakeld voor een neuropsychologisch onderzoek naar de door [verzoeker] gestelde cognitieve klachten.

2.4.

Verlooy heeft gerapporteerd op 19 november 2015. Aan dit rapport wordt - voor zover in dit geding van belang - het volgende ontleend:

Overwegingen

Het is voldoende duidelijk uit de anamnese en de beschikbare medische correspondentie dat er sprake is geweest van een trauma capitis. Over de ernst daarvan valt het volgende te overwegen:

(…)

Op grond van het bovenstaande is er sprake geweest van een licht schedel/hersenletsel. (commotio cerebri), overeenkomstig de conclusie op de afdeling SEH van het Erasmus Medisch Centrum.

De klachten over hoofdpijn, misselijkheid en duizeligheid, die in aansluiting op het ongeval zijn ontstaan kunnen hierdoor worden verklaard. Meestal verdwijnen dergelijke klachten na een licht schedel/hersenletsel binnen enkele maanden maar in sommige gevallen persisterend de klachten, waarvoor geen anatomisch substraat aanwezig is en waarbij de klachten bekend staan als een postcommotioneel syndroom. Persisterende hoofdpijnklachten kunnen worden gezien als posttraumatische hoofdpijn, waarbij differentiaaldiagnostisch nog kan worden gedacht aan spanningshoofdpijn. Daarbij zijn er tevens niet zelden klachten op cognitief gebied, waarvoor tevens geen anatomisch substraat aanwijsbaar is, zoals ook bij betrokkene. In verband daarmee is een neuropsychologisch onderzoek verricht door drs. T. Koene, klinisch neuropsycholoog, maar stoornissen op cognitief konden niet betrouwbaar worden geobjectiveerd.

Rekening houdend met de klinische parameters rond het trauma capitis (hooguit kort bewustzijnsverlies, geen posttraumatische amnesie) en het ontbreken van afwijkingen bij het beeldvormend onderzoek is de kans op objectiveerbare cognitieve stoornissen overigens gering te noemen.

De klachten over langzaam praten zijn niet te begrijpen als gevolg van het lichte schedel/hersenletsel, zonder afwijkingen bij het beeldvormend onderzoek en maken tijdens het onderzoek, mede door de discrepantie met de overige motoriek, geen reële indruk.”

2.5.

Koene heeft gerapporteerd op 1 oktober 2015. Aan dit rapport wordt - voor zover in dit geding van belang - het volgende ontleend:

Conclusie

In het contact vallen geen traagheid, geheugenstoornissen op taalstoornissen op. Betrokkene spreekt bedachtzaam en formuleert zorgvuldig en correct. Hij reageert adequaat op vragen en houdt het onderwerp vast.

De test voor de aandacht en concentratie worden overwegend zeer langzaam uitgevoerd. De resultaten op de test voor het onmiddellijk geheugen en het werkgeheugen zijn zeer zwak. Lezen en kleurbenoemen verlopen zeer traag. De afleidbaarheid was daardoor niet meer betrouwbaar te berekenen. Bij een test voor het verdelen van aandacht ligt het tempo zeer laag, een perceptuele snelheidstaak verloopt ook veel trager dan verwacht. De resultaten liggen lager dan verwacht op basis van de adequate presentatie. De reactiesnelheid is normaal. Het leren en onthouden van nieuwe informatie, zowel verbaal als visueel, kost moeite en de resultaten liggen ver onder de verwachting op grond van leeftijd en opleiding. De resultaten liggen ook lager dan verwacht op basis van de adequate presentatie. De meer automatische geheugenregistratie is intact, dit maakt ernstige stoornissen in het leervermogen minder waarschijnlijk. Er zijn geen afwijkingen gevonden in taalbegrip en taalexpressie, de visuo-ruimtelijke functies en vaardigheden en de executieve of uitvoerende functies (…). Het geschatte intelligentieniveau is overeenkomstig de verwachting op grond van leeftijd en ontwikkelingsniveau. Op grond van de verhoogde score op een depressievragenlijst kan er sprake zijn van somberheid. Er zijn op testniveau verschillende aanwijzingen dat de testprestaties geen betrouwbare weergave zijn van de cognitieve capaciteiten: op één van de twee symptoomvaliditeitstaken is de score laag en andere testprestaties liggen veel lager dan verwacht in vergelijking met de adequate presentatie.

In 2012 en 2013 lag het tempo van werken ook laag en had dit invloed op de overige testresultaten. Op de tests waar dit te vergelijken was, bleek het werktempo bij het huidige onderzoek lager dan het tempo in 2012 en 2013. Bij beide vorige onderzoeken lijken geen symptoomvaliditeitstaken te zijn voorgelegd.

Samenvattend zijn de testresultaten over het geheel genomen zeer laag, maar zijn er discrepanties en inconsistenties waardoor de resultaten geen betrouwbaar beeld lijken te geven van de capaciteiten op cognitief gebied.

(…)”

3 Het verzoek en het verweer

3.1.

[verzoeker] heeft verzocht dat de rechtbank bij beslissing in deelgeschil:

a. voor recht zal verklaren dat [verzoeker] door het hem overkomen ongeval een licht schedel/hersenletsel heeft opgelopen;

b. zal verklaren voor recht dat de klachten van [verzoeker], bestaande uit het niet kunnen volgen van snelle bewegende beelden, het niet kunnen verdragen van fel licht, hoofdpijn, het niet kunnen verdragen van harde geluiden, veel slapen, aan het einde van de dag loensen zonder dubbelzien of andere klachten, minder goed kunnen concentreren en onthouden, toegerekend moeten worden aan het hem op 4 januari 2012 overkomen ongeval, alsmede;

c. zal verklaren voor recht dat alle schade die is ontstaan en nog zal ontstaan vanwege deze klachten, vergoed moeten worden door Achmea, alsmede;

d. Achmea zal veroordelen tot betaling van de kosten van dit deelgeschil;

e. Achmea zal veroordelen tot betaling van € 60.000,00 bij wijze van voorschot op de nog vast te stellen schade.

3.2.

[verzoeker] heeft aan zijn verzoeken, bezien in het licht van de vastgestelde feiten, het volgende ten grondslag gelegd.

[verzoeker] heeft door de aanrijding een hersenschudding opgelopen en heeft na het ongeval diverse klachten ontwikkeld, zowel fysiek als cognitief. Verlooy heeft in zijn rapportage geschreven dat er in het geval van [verzoeker] sprake is van een commotio cerebri met een postcommotioneel syndroom als (blijvend) gevolg. Hoewel voor zijn klachten geen medisch substraat aanwezig is, volgt uit de rapportage van Verlooy dat sprake is van een consistent medisch dossier en een plausibel klachtenpatroon. Verlooy acht de klachten reëel en niet voorgewend of ingebeeld. Voor het ongeval was [verzoeker] goed gezond en er zijn geen concrete aanwijzingen dat hij zonder ongeval dezelfde klachten zou hebben ontwikkeld.

[verzoeker] wordt door zijn klachten beperkt in zijn vermogen om arbeid te verrichten. [verzoeker] lijdt hierdoor schade bestaande uit onder meer verlies aan verdienvermogen. Zonder ongeval zou [verzoeker] zijn baan hebben behouden en promotie hebben gemaakt. [verzoeker] heeft zijn schade als gevolg van verlies aan verdienvermogen ten aanzien van de jaren 2016 en 2017 geschat op respectievelijk € 35.000,00 en € 60.0000,00. De andere schadeposten (smartengeld, verlies zelfwerkzaamheid, huishoudelijke hulp en overige materiële schade) heeft [verzoeker] op meer dan € 100.000,00 geschat.

3.3.

Achmea heeft verzocht de verzoeken van [verzoeker] af te wijzen, met begroting van de redelijke kosten van rechtsbijstand ter zake dit deelgeschil, voor zover deze voor toewijzing in aanmerking komen, op een bedrag van maximaal € 4.900,00 exclusief btw en kantoorkosten, c.q. op een door de rechtbank, in goede justitia ex aequo et bono te bepalen bedrag.

Op de inhoud van het verweer zal zonodig in het navolgende worden ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In de eerste plaats dient te worden beoordeeld of er sprake is van een verzoek in de zin van het bepaalde in artikel 1019w lid 1 Rv. Het moet gaan om een geschil over of in verband met een deel van hetgeen ter zake de aansprakelijkheid voor schade door dood en letsel als rechtens geldt tussen de benadeelde en degene die aansprakelijk wordt gehouden en waarvan de beëindiging kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst over de vordering van de benadeelde. In artikel 1019z Rv is bepaald dat de rechter het verzoek afwijst voor zover de verzochte beslissing naar zijn oordeel onvoldoende kan bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst. De rechtbank moet daarbij toetsen of de bijdrage van de verzochte beslissing zodanig is, dat dit opweegt tegen de kosten het tijdsverloop van de procedure.

4.2.

Naar het oordeel van de rechtbank is er sprake van een verzoek in de zin van artikel 1019w Rv. Partijen verschillen van mening over de duiding van de deskundigenrapportages, wat betreft de vraag of de klachten van [verzoeker] kunnen worden toegerekend aan het ongeval. Met name een beslissing ten aanzien van de door [verzoeker] verzochte verklaring voor recht op dit punt, zou in beginsel kunnen bijdragen aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst.

4.3.

[verzoeker] heeft ten eerste verzocht voor recht te verklaren dat hij door het hem overkomen ongeval een licht schedel/hersenletsel heeft opgelopen. De stelling dat [verzoeker] een licht schedel/hersenletsel heeft opgelopen, is door Achmea niet weersproken en vindt steun in de medische gegevens die zich in het dossier bevinden. De rechtbank zal voor recht verklaren dat [verzoeker] door het hem overeenkomen ongeval een licht schedel/hersenletsel heeft opgelopen.

4.4.

[verzoeker] heeft voorts verzocht - kort gezegd - te verklaren voor recht dat de door hem gestelde klachten aan het ongeval zijn toe te rekenen. Ter onderbouwing van zijn stelling dat hij klachten heeft, heeft hij verwezen naar het rapport van Verlooy. Daarin valt volgens [verzoeker] te lezen dat er sprake is van een medisch consistent dossier en een plausibel klachtenpatroon. Verlooy acht de klachten reëel en niet voorgewend of ingebeeld, aldus [verzoeker].

Achmea heeft betwist dat uit de rapportage van Verlooy volgt dat de door [verzoeker] gestelde klachten aanwezig, reëel, niet ingebeeld, niet voorgewend en niet overdreven zijn. Slechte scores op symptoomvaliditeitstests wijzen op onderpresteren, waardoor geen sprake is van een betrouwbare weergave van het cognitief functioneren en van gestelde symptomen en klachten. De rechtbank overweegt in dit verband als volgt.

4.5.

De bewijslast ten aanzien van het bestaan van de klachten rust op [verzoeker]. De door [verzoeker] gestelde klachten bestaan uit fysieke klachten zoals hoofdpijn, niet tegen fel licht/geluid kunnen, loensen en moeite hebben met het volgen van bewegend beeld en daarnaast uit cognitieve klachten, zoals geheugen- en concentratiestoornissen en vermoeidheid.

Verlooy heeft in zijn rapportage geschreven dat klachten als misselijkheid, hoofdpijn en duizeligheid kunnen worden verklaard door het ongeval, maar zowel duizeligheid als misselijkheid maken geen deel uit van het huidige (in het verzoekschrift gestelde) klachtenpatroon van [verzoeker]. Ten aanzien van de hoofdpijn heeft Verlooy opgemerkt dat persisterende hoofdpijnklachten kunnen worden gezien als posttraumatische hoofdpijn, maar Verlooy heeft daarbij tevens opgemerkt dat differentiaaldiagnostisch nog kan worden gedacht aan spanningshoofdpijn. Verlooy heeft in zijn rapportage voorts de aanwezige medische correspondentie verkort weergegeven. Daaruit volgt dat de KNO-arts aan de huisarts van [verzoeker] heeft geschreven dat bij onderzoek geen afwijkingen zijn geconstateerd en dat de oogarts aan de huisarts heeft geschreven dat wordt geconcludeerd tot binoculaire klachten die niet objectiveerbaar zijn.

Ten aanzien van de cognitieve klachten heeft Verlooy een neuropsychologisch onderzoek laten verrichten door Koene. Op een van de symptoomvaliditeitstest heeft [verzoeker] zodanig slecht gescoord dat Koene heeft opgemerkt dat de score kan duiden op suboptimale inzet. Koene concludeert dat er op testniveau verschillende aanwijzingen zijn dat de testprestaties geen betrouwbare weergave zijn van de cognitieve capaciteiten van [verzoeker]. Op een van de twee symptoomvaliditeitstaken is de score laag en andere testprestaties ligger veel lager dan verwacht in vergelijking met de adequate presentatie. Koene geeft samenvattend aan dat de testresultaten over het geheel genomen zeer laag zijn en er discrepanties en inconsistenties zijn waardoor de resultaten geen betrouwbaar beeld lijken te geven van de capaciteiten van [verzoeker] op cognitief gebied.

4.6.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat zij - met name op het gebied van de cognitieve klachten waarvan aangenomen wordt dat deze een grote rol spelen in het werkzame leven van [verzoeker] - gelet op de gemotiveerde betwisting door Achmea - bij de huidige stand van zaken geen definitieve beslissing kan nemen ten aanzien van het bestaan van deze klachten. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden wat de precieze betekenis is van het feit dat [verzoeker] één van de twee symptoomvaliditeitstests onvoldoende maakt, waar het afkappunt van de afgenomen test is gelegen en ook niet hoe het met de sensitiviteit en de specificiteit van de afgenomen tests is gesteld. Bovendien is het debat tussen partijen daarover niet specifiek gegaan.

Om een beslissing te kunnen nemen over de vraag of de klachten van [verzoeker] bestaan en of deze in oorzakelijk verband staan tot het ongeval, is er meer informatie van een deskundige nodig. Dat betekent dat de bijdrage van de verzochte beslissing op voornoemd punt in dit deelgeschil aan de totstandkoming van een vaststellingsovereenkomst niet zodanig is dat dit opweegt tegen de kosten en het tijdsverloop van de procedure. Het verzoek van [verzoeker] (zoals weergegeven onder 3.1 sub b) zal dan ook op grond van het bepaalde in artikel 1019z Rv worden afgewezen.

4.7.

Deze beslissing brengt mee dat het verzoek tot verklaring voor recht dat alle schade die is ontstaan en nog zal ontstaan vanwege deze klachten moet worden vergoed ook zal worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor het verzoek tot betaling van een voorschot van

€ 60.000,00.

4.8.

[verzoeker] heeft verzocht de kosten van het deelgeschil te begroten op grond van het bepaalde in artikel 1019aa Rv. Hierbij geldt de dubbele redelijkheidstoets in die zin dat het redelijk dient te zijn dat deze kosten gemaakt zijn en dat de hoogte van die kosten eveneens redelijk is. Dat betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen. Van deze laatste situatie is in dit geval geen sprake. Afwijzing op grond van het bepaalde in artikel 1019z Rv staat evenmin in de weg aan het begroten van de kosten van het deelgeschil.

4.9.

[verzoeker] heeft zijn kosten begroot op een bedrag van € 11.736,47 (37 uur x

€ 245,00 per uur, te vermeerderen met 7% kantoorkosten en 21% btw). Achmea heeft ten aanzien van het aantal door mr. Schultz opgevoerde uren, aangevoerd het aantal uren hoog te vinden, zeker in combinatie met het gehanteerde uurtarief van een specialist.

Gelet op de omvang en de moeilijkheidsgraad van het deelgeschil, komt de rechtbank het totaal aantal opgevoerde uren van 37 bovenmatig voor. In redelijkheid begroot de rechtbank de kosten van de deelgeschilprocedure op 22 uur. Het uurtarief wordt door de rechtbank redelijk gevonden. Dit betekent dat de kosten van de deelgeschilprocedure worden begroot op € 6.978,43 (inclusief 7% kantoorkosten en inclusief 21% btw). Tevens zal een bedrag van € 287,00 aan griffierecht in aanmerking worden genomen, zodat het totaal aan kosten voor het deelgeschil neerkomt op een bedrag van € 7.265,43.

Nu de aansprakelijkheid vast staat, zal Achmea worden veroordeeld tot betaling van deze kosten.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

verklaart voor recht dat [verzoeker] door het hem overkomen ongeval op 4 januari 2012 een licht schedel/hersenletsel heeft opgelopen,

5.2.

begroot de kosten van dit deelgeschil op € 7.265,43 en veroordeelt Achmea tot betaling van dit bedrag aan [verzoeker],

5.3.

wijst de overige verzoeken van [verzoeker] af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.A.M. Strens-Meulemeester en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2018.

mt