Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1608

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
10-04-2018
Datum publicatie
11-04-2018
Zaaknummer
05/880847-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor medeplegen van doodslag van twee slachtoffers tijdens een schietpartij in een café in Nijmegen. Geen sprake van noodweer(exces) naar oordeel van de rechtbank. Gevangenisstraf van 16 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0330
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/880847-16

Datum uitspraak : 10 april 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

thans gedetineerd te P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem

raadsman: mr. M.A.W. Nillesen, advocaat te 's-Hertogenbosch.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 23 augustus 2016, 9 november 2016, 17 januari 2017, 4 april 2017, 31 mei 2017, 23 augustus 2017, 7 november 2017, 30 januari 2018, 19 februari 2018, 20 februari 2018, 21 februari 2018, 27 februari 2018, 13 maart 2018 en 27 maart 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 9 mei 2016 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 1]

van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn

mededaders, na kalm beraad en rustig overleg, opzettelijk met een of meerdere

vuurwapens, meerdere keren op/in/door het hoofd en/of het lichaam van die

[slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1] is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 mei 2016 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven

heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders, opzettelijk

met een of meerdere vuurwapens, meerdere keren op/in/door het hoofd en/of het

lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1]

is overleden;

EN/OF

hij op of omstreeks 9 mei 2016 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer 2]

van het leven heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn

mededaders, na kalm beraad en rustig overleg, opzettelijk met een of meerdere

vuurwapens, meerdere keren op/in/door het hoofd en/of het lichaam van die

[slachtoffer 2] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] is overleden;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 9 mei 2016 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven

heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders, opzettelijk

met een of meerdere vuurwapens, meerdere keren op/in/door het hoofd en/of het

lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2]

is overleden.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Aanwezige personen bij de schietpartij

Op 9 mei 2016 tussen ongeveer 12:00 uur en 12:15 uur heeft een schietpartij plaatsgevonden in café [naam 1] te [plaats] . Bij die schietpartij waren aanwezig: de broers [verdachte] en [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , de broers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , [naam 2] en [naam 3] .2


Overlijden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zijn bij de schietpartij om het leven gekomen. Na onderzoeken aan hun lichaam is vastgesteld dat zij zijn overleden als gevolg van verwikkelingen van meermalen bij leven opgelopen uitwendig inwerkend perforerend geweld (schotverwondingen).3 De gehanteerde wapens zijn niet aangetroffen.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen – namelijk samen met medeverdachte [medeverdachte 1] – van doodslag van zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] .

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft gesteld dat de rechtbank moet uitgaan van de verklaring van verdachte. Verdachte heeft een verklaring afgelegd, die in lijn is met de camerabeelden die pas na deze verklaring beschikbaar kwamen. Zijn verklaring wordt daarnaast ondersteund door getuigenverklaringen en forensische onderzoeksresultaten.

De verdediging heeft daarnaast gesteld dat de resultaten van het Werken Onder Dekmantel-traject (hierna: WOD-traject) geen deel uit mogen maken van het bewijs omdat deze onbetrouwbaar zijn.

Beoordeling door de rechtbank


Forensische beschouwing – conclusies van de rechtbank

Schotverwondingen aan de lichamen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]

Bij radiologisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 1] zijn twaalf trajecten waargenomen.4 Er zijn minimaal zes doorschoten en er zijn minimaal zes trajecten naar een projectiel waargenomen in het lichaam van [slachtoffer 1] . Omdat niet alle trajecten te reconstrueren zijn, kan de radioloog het exacte aantal schoten op het lichaam van [slachtoffer 1] niet vaststellen.5 Blijkens de diverse schotkanalen was hij geraakt in onder andere het aangezicht, de schedel, de schedelbasis, de hersenen, de romp, de linkerarm en de rechterhand.6

De rechtbank concludeert hieruit dat [slachtoffer 1] minstens 6 keer is beschoten, waarbij sterke aanwijzingen bestaan dat dit aantal hoger ligt.

Bij radiologisch onderzoek aan het lichaam van [slachtoffer 2] zijn acht trajecten waargenomen.7 Blijkens de diverse schotkanalen was hij geraakt in onder andere romp en benen.8 Bij het radiologisch onderzoek kon voor twee trajecten een schotrichting worden bepaald. Beide trajecten verlopen van (iets) achteren naar voren in het lichaam.9 Daarnaast is er schotrestenonderzoek uitgevoerd aan de beschadigingen in de kleding van [slachtoffer 2] . Over een deel van de schotbeschadigingen kon iets worden gezegd wat betreft de schotrichting. Het NFI rapporteert dat de bevindingen van het onderzoek aan de beschadigingen aan de achterzijde van de kleding iets waarschijnlijker tot zeer veel waarschijnlijker zijn als het gaat om een inschot, dan wanneer het gaat om een uitschot. Het NFI rapporteert ook dat de bevindingen van het onderzoek aan de beschadiging aan de voorzijde van de broek iets waarschijnlijker zijn als het gaat om een uitschot, dan wanneer het gaat om een inschot.10

De rechtbank concludeert hieruit dat [slachtoffer 2] minstens 8 keer is beschoten. Daarnaast concludeert de rechtbank dat [slachtoffer 2] in ieder geval een aantal keren daarvan van achteren is beschoten en stelt de rechtbank vast dat er geen aanwijzingen zijn dat [slachtoffer 2] van voren is beschoten.


De gevonden hulzen en patronen op de plaats delict 11

Op de plaats delict zijn 22 hulzen en 2 patronen gevonden. Er zijn 10 hulzen aangetroffen van het kaliber 9mm [merk 1] . De 2 patronen zijn ook van het kaliber 9mm [merk 1] .12 De hulzen en patronen van dit kaliber zijn op de plattegrond aangegeven met de kleur geel. De rechtbank zal vanaf dit punt van haar uitspraak in dit kader dan ook spreken van ‘het gele wapen’.

De rechtbank concludeert hieruit dat er in elk geval 10 keer een kogel is afgevuurd en een huls is uitgeworpen met het gele wapen.

De overige 12 hulzen zijn van het kaliber 7.62mm [merk 2] .13 Deze 12 hulzen zijn door het NFI onderzocht. De conclusie uit dat onderzoek is dat deze hulzen op basis van de sporen kunnen worden onderverdeeld in twee groepen: één groep van 4 hulzen en één groep van 8 hulzen.14 De bevindingen van het vergelijkend hulsonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer de twee groepen hulzen zijn verschoten met twee vuurwapens van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken, dan wanneer de twee groepen hulzen zijn verschoten met één en hetzelfde vuurwapen.15

De rechtbank concludeert hieruit dat er met twee verschillende wapens van het kaliber 7.62mm [merk 2] is geschoten.

De hulzen van dit kaliber zijn op de plattegrond aangegeven met de kleuren blauw (cluster van 4 hulzen) en groen (cluster van 8 hulzen). De rechtbank zal vanaf dit punt van haar uitspraak in dit kader dan ook spreken van ‘het blauwe wapen’ en ‘het groene wapen’.

De rechtbank concludeert dat er in elk geval 4 keer is geschoten met het blauwe wapen en in elk geval 8 keer is geschoten met het groene wapen.

In de bemonstering van drie van de hulzen uit het blauwe wapen is een DNA-profiel aangetroffen. In bemonstering [ [nummer 1] ] is een DNA-mengprofiel van minimaal twee donoren aangetroffen, waaruit een DNA-hoofdprofiel kon worden afgeleid. Dit afgeleid DNA-hoofdprofiel matcht met het DNA-profiel van slachtoffer [slachtoffer 1] , met een matchkans die kleiner is dan één op één miljard. In bemonsteringen [ [nummer 2] ] en [ [nummer 3] ] is een onvolledig DNA-profiel aangetroffen dat matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer 1] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard.16

De rechtbank concludeert hieruit dat op drie van de vier gevonden hulzen van het blauwe wapen het DNA van [slachtoffer 1] is aangetroffen.

De gevonden kogels en kogeldelen op de plaats delict en in de lichamen van de slachtoffers 17

Op de plaats delict en in de lichamen van de slachtoffers zijn kogels en kogeldelen gevonden die passen bij het kaliber 9mm [merk 1] (gele wapen) en bij het kaliber 7.62mm [merk 2] (blauwe en groene wapen). De kogels en kogeldelen die het beste passen bij het kaliber 7.62mm [merk 2] en die sporen hebben van een loop zijn onder te verdelen in kogels en kogeldelen met grove sporen van een loop en met fijne sporen van een loop.18 Het NFI rapporteert dat de kogels en kogeldelen met grove sporen afkomstig zijn van tenminste vijf afzonderlijke kogels en dat de kogels en kogeldelen met fijne sporen afkomstig zijn van drie afzonderlijke kogels. Als wordt aangenomen dat alle verschoten hulzen van het kaliber 7.62mm [merk 2] zijn veiliggesteld, dan kan op basis van het aantal veiliggestelde kogels en kogeldelen worden aangenomen dat de kogels en kogeldelen met grove sporen zijn afgevuurd met het groene wapen en dat de kogels en kogeldelen met fijne sporen zijn afgevuurd met het blauwe wapen.19

De rechtbank concludeert hieruit dat de kogels en kogeldelen met de grove sporen van een loop zijn afgevuurd met het groene wapen en dat de kogels en kogeldelen met de fijne sporen van een loop zijn afgevuurd met het blauwe wapen. De kogels en kogeldelen van het kaliber 9mm [merk 1] , 7.62mm [merk 2] met grove sporen van een loop en 7.62mm [merk 2] met fijne sporen van een loop zijn op de plattegrond aangegeven met respectievelijk de kleuren geel, groen en blauw.

In het lichaam van [slachtoffer 1] zijn twee kogels en één kogeldeel aangetroffen die passen bij het kaliber 7.62mm [merk 2] met grove sporen van een loop. Eén kogel bevond zich in de rug [ [nummer 4] ], één kogel in de linker elleboog [ [nummer 5] ] en één kogeldeel in de onderlip [ [nummer 6] ].20 Het traject naar de kogel in de rug [ [nummer 4] ] verloopt van letsel S1 in de linkerlies hoofdwaarts en van voor naar achter.21

In het lichaam van [slachtoffer 1] zijn drie kogeldelen aangetroffen die passen bij het kaliber 7.62mm [merk 2] met fijne sporen van een loop [ [nummer 8] ]. Deze kogeldelen zijn alle drie aangetroffen in het harde hersenvlies en het traject naar deze kogeldelen verloopt van voor naar achter.22

De rechtbank concludeert hieruit dat [slachtoffer 1] in elk geval driemaal is geraakt door een kogel uit het groene wapen, waarvan in elk geval éénmaal van voren, en dat [slachtoffer 1] in elk geval éénmaal van voren is geraakt door een kogel uit het blauwe wapen.


In de zitruimte van het café is een kogel aangetroffen die past bij het kaliber 9mm [merk 1] [ [nummer 9] ]. Bemonstering van deze kogel levert een DNA-profiel op dat matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer 2] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard. De resultaten van het RNA-onderzoek passen bij de aanwezigheid van longweefsel, spierweefsel en bloed.23

De rechtbank concludeert hieruit dat er longweefsel, spierweefsel en bloed van [slachtoffer 2] op deze kogel aanwezig is en daaruit concludeert de rechtbank dat [slachtoffer 2] met deze kogel is doorschoten.

Er zijn twee kogels die passen bij het kaliber 9mm [merk 1] aangetroffen in het lichaam van [slachtoffer 2] , waarvan één in de rechterheup [ [nummer 10] ] en één in de linkerschouder [ [nummer 11] ].24 De kogel in de linkerschouder is te relateren aan het traject dat verloopt vanaf letsel I op de zijkant van de rechterheup. Dit traject verloopt van rechts naar links, hoofdwaarts en iets van achter naar voor.25


De rechtbank concludeert hieruit dat [slachtoffer 2] in elk geval driemaal is geraakt door een kogel uit het gele wapen, waarvan in elk geval éénmaal van iets van achter naar voor.

Op de plaats waar [slachtoffer 2] is aangetroffen is een kogel aangetroffen die past bij het kaliber 7.62mm [merk 2] , met fijne sporen van een loop [ [nummer 12] ].26 Bemonstering van de kogel levert een DNA-profiel op dat matcht met [slachtoffer 2] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard. De resultaten van het RNA-onderzoek passen bij de aanwezigheid van leverweefsel, spierweefsel en bloed.27

De rechtbank concludeert hieruit dat er leverweefsel, spierweefsel en bloed van [slachtoffer 2] op deze kogel aanwezig is en daaruit concludeert de rechtbank dat [slachtoffer 2] met deze kogel is doorschoten. De rechtbank concludeert ten slotte dat [slachtoffer 2] in elk geval éénmaal is geraakt door een kogel uit het blauwe wapen. De rechtbank maakt daarbij de opmerking dat deze kogel verkeerd is ingetekend op de plattegrond; de kogel is ingetekend linksboven van het hoofd van [slachtoffer 2] , maar lag in werkelijkheid onder het lichaam van [slachtoffer 2] .28

In de broek van [slachtoffer 2] is een vervormde kogel aangetroffen die past bij het kaliber 7.62mm [merk 2] , met grove sporen van een loop [ [nummer 13] ]. [slachtoffer 2] lag op zijn buik en deze vervormde kogel is onder hem aangetroffen, aan de binnenzijde van zijn broek, ter hoogte van de rechter broekzak.29 Bemonstering van de vervormde kogel levert een DNA-profiel op dat matcht met het DNA-profiel van [slachtoffer 2] . De matchkans is kleiner dan één op één miljard. De resultaten van het RNA-onderzoek passen bij de aanwezigheid van bloed.30 In het lichaam van [slachtoffer 2] is bij radiologisch onderzoek een traject waargenomen dat verloopt van letsel O op de onderrug naar letsel G in de rechterlies. Dit traject verloopt zeer waarschijnlijk van achter naar voren.31 De plaats in de broek waar deze vervormde kogel is aangetroffen komt overeen met de locatie van letsel G in het lichaam. Er is op deze locatie geen beschadiging in de broek waargenomen.32

De rechtbank concludeert hieruit dat er bloed van [slachtoffer 2] op deze kogel aanwezig is. Daarnaast concludeert de rechtbank dat er een kogel door het lichaam van [slachtoffer 2] is gegaan, waarvan de locatie van letsel G gerelateerd kan worden aan bovenstaande gevonden vervormde kogel. Hieruit concludeert de rechtbank dat deze kogel van achter naar voren door het lichaam van [slachtoffer 2] is gegaan.

De rechtbank concludeert hieruit dat [slachtoffer 2] in elk geval éénmaal van achteren is geraakt door een kogel uit het groene wapen.

Resumé naar aanleiding van de forensische beschouwing

  • -

    [slachtoffer 1] is minstens 6 keer beschoten en er zijn sterke aanwijzingen dat dit aantal hoger ligt. [slachtoffer 1] is in elk geval 3 keer geraakt door een kogel uit het groene wapen, waarvan in elk geval 1 keer van voren, en [slachtoffer 1] is in elk geval 1 keer van voren geraakt door een kogel uit het blauwe wapen. Het DNA van [slachtoffer 1] is aangetroffen op drie van de vier gevonden hulzen die afkomstig zijn uit het blauwe wapen;

  • -

    [slachtoffer 2] is minstens 8 keer geraakt door een kogel. [slachtoffer 2] is in elk geval 3 keer geraakt door een kogel uit het gele wapen, waarvan in elk geval 1 keer iets van achter, hij is in elk geval 1 keer geraakt door een kogel uit het blauwe wapen en hij is in elk geval 1 keer van achteren geraakt door een kogel uit het groene wapen. Er bestaan verder geen aanwijzingen dat [slachtoffer 2] van voren is geraakt.

De verklaring van [verdachte]

Gebruik van het gele wapen

Door [verdachte] is verklaard dat hij een kaliber 9mm wapen (het gele wapen) mee heeft genomen naar café [naam 1] en dat hij daarmee op zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] heeft geschoten. Op het moment dat hij voor het eerst op [slachtoffer 2] heeft geschoten probeert [medeverdachte 2] – die achter de bar staat – te vluchten, maar hij lijkt daarbij te worden tegengehouden door [slachtoffer 2] . Door [verdachte] is ook verklaard dat zijn wapen (het gele wapen) tweemaal heeft geweigerd toen hij het wilde afvuren.33

Op de plaats delict zijn twee patronen van het kaliber 9mm [merk 1] gevonden. De sporen op deze patronen zijn onderzocht door het NFI. Het NFI rapporteert dat er aanwijzingen zijn dat geprobeerd is deze patronen te verschieten uit hetzelfde vuurwapen als waaruit de gevonden hulzen van het kaliber 9mm [merk 1] zijn verschoten.34 Dit past bij de verklaring van [verdachte] .


Interpretatie van de camerabeelden

Door [verdachte] is verklaard dat [slachtoffer 1] zijn wapen trok en dat hij als reactie daarop zijn eigen wapen trok.
Uit het proces-verbaal waarin de camerabeelden zijn beschreven volgt dat [verdachte] in het zicht van de camera komt en dat hij op dat moment zijn wapen heeft getrokken en in een schiethouding staat. Vervolgens vuurt hij met het wapen op [slachtoffer 1] , waarop [slachtoffer 1] naar zijn broeksband grijpt.35 De rechtbank heeft deze beelden ook zelf bekeken en sluit zich naar aanleiding daarvan aan bij de bevindingen in het proces-verbaal. De rechtbank heeft op de beelden niet waargenomen dat [slachtoffer 1] een wapen ter hand heeft genomen of daartoe voornemens was voordat [verdachte] zoals beschreven met getrokken wapen in beeld verschijnt.36

Schieten met andere wapens

Door [verdachte] is verklaard dat hij na de tweede weigering van zijn wapen (het gele wapen) het wapen van [slachtoffer 1] van de grond heeft gepakt en ook met dat wapen drie of vier keer op [slachtoffer 1] en twee of drie keer Op [slachtoffer 2] heeft geschoten.

Door [verdachte] is verklaard dat hij bij [slachtoffer 1] gericht schoot op zijn bovenlichaam en zijn hoofd. Door [verdachte] is verklaard dat hij bij [slachtoffer 2] gericht schoot op zijn rug en dat [slachtoffer 2] daarbij op zijn buik op de grond lag, achter de bar in het café. Daarvoor moest hij half over [slachtoffer 2] heen stappen. Door [verdachte] is ten slotte verklaard dat hij in totaal met twee wapens heeft geschoten.37


De rechtbank overweegt als volgt.


Voor de rechtbank staat vast dat [verdachte] in elk geval met zijn kaliber 9mm (het gele) wapen heeft geschoten. Daarnaast heeft [verdachte] geschoten met het wapen van [slachtoffer 1] . De vraag is of dit het groene wapen of het blauwe wapen is geweest. In het kader van deze vraag acht de rechtbank het volgende van belang.

Aan beide zijden van het lichaam van [slachtoffer 2] , ter hoogte van zijn hoofd, is een huls aangetroffen die uit het blauwe wapen komt.38 Bij het lichaam van [slachtoffer 2] zijn geen hulzen uit het groene wapen aangetroffen.

De rechtbank heeft ook eerder geconcludeerd dat in het harde hersenvlies, en dus in het hoofd, van [slachtoffer 1] drie kogeldelen zijn aangetroffen die uit het blauwe wapen komen. Daarnaast heeft de rechtbank geconcludeerd dat op de plaats waar [slachtoffer 2] is aangetroffen een kogel is gevonden die uit het blauwe wapen komt, met daarop weefsels van [slachtoffer 2] .

De verklaring van [verdachte] vindt bevestiging in de genoemde forensische bevindingen wat betreft de hierboven beschreven gevonden kogels en hulzen. Daarnaast heeft de rechtbank eerder geconcludeerd dat op drie van de vier gevonden hulzen uit het blauwe wapen het DNA van [slachtoffer 1] is aangetroffen. Dit in onderlinge samenhang bezien concludeert de rechtbank dat het blauwe wapen van [slachtoffer 1] moet zijn geweest en dus dat het tweede wapen dat [verdachte] heeft gehanteerd het blauwe wapen moet zijn geweest.

Hantering van het groene wapen – uitsluiting van aanwezige personen

De rechtbank heeft eerder geconcludeerd dat er in elk geval acht keer is geschoten met het groene wapen. Gelet op het hiervoor overwogene is dat wapen niet door [verdachte] gehanteerd.


De vraag is door wie dit wapen is gehanteerd en daarvoor grijpt de rechtbank terug naar het feit dat zij als eerst heeft vastgesteld; de aanwezige personen in het café. Dit betreffen: [medeverdachte 1] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [medeverdachte 2] , [naam 3] en [naam 2] .

De rechtbank sluit de volgende personen met reden als potentiële schutters van het groene wapen uit:

  • -

    [slachtoffer 1] , omdat hij zelf drie keer is geraakt door een kogel uit het groene wapen;

  • -

    [slachtoffer 2] , omdat hij van achteren is geraakt door een kogel uit het groene wapen en het onaannemelijk is dat hij zijn eigen broer zou beschieten, ook niet in het kader van een ‘friendly fire’ gelet op het aantal keren dat [slachtoffer 1] door kogels uit het groene wapen is geraakt;

  • -

    [naam 2] , omdat er geen enkele aanwijzing is dat hij een wapen heeft gehanteerd en hij snel het café verlaat als het schieten is begonnen;

  • -

    [naam 3] , omdat er geen enkele aanwijzing is dat hij een wapen heeft gehanteerd, hij totaal onafhankelijk van het conflict is en na [naam 2] ook het café verlaat.

Dan resteren als potentiële schutters [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . Ten aanzien hiervan overweegt de rechtbank het volgende.


Het dossier – inclusief het forensisch onderzoek – bevat geen enkele aanwijzing dat [medeverdachte 2] überhaupt een vuurwapen heeft gehanteerd. Dit zou ook feitelijk vrijwel onmogelijk moeten zijn geweest voor [medeverdachte 2] , nu hij volgens zowel zijn eigen verklaring alsook de verklaring van [verdachte] bij of achter de bar zou hebben gestaan en van achteren zou zijn vastgegrepen door [slachtoffer 2] .

Het WOD-traject met [medeverdachte 2]

Het dossier bevat wel een aanwijzing dat [medeverdachte 1] een vuurwapen heeft gehanteerd; de verklaring van [medeverdachte 2] tegenover de WOD-ers die het gesprek met [medeverdachte 2] tijdens die actie voerden. Die verklaring is door de WOD-ers beschreven en houdt in dat de jongste broer [naam 4] ( [medeverdachte 1] , rechtbank) [slachtoffer 2] heeft neergeschoten. De aanleiding voor de confrontatie was diefstal van wiet van de broers [naam 4] .39

Dat de aanleiding voor de confrontatie gestolen wiet betreft wordt door meerdere getuigen in het politieonderzoek genoemd. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] hadden afgesproken in het café om te spreken over een verdenking van de zijde van [medeverdachte 1] richting [slachtoffer 1] over het stelen van wiet. Getuige [getuige 1] heeft verklaard dat hij zelf bij dat zogenoemde rippen aanwezig was samen met onder andere [slachtoffer 1] en [naam 2] .40 Over deze rip wordt ook verklaard door getuige [getuige 2] . Hij heeft verklaard dat [naam 2] en [getuige 1] een wiethok van [medeverdachte 1] hebben geript.41

Door de verdediging is de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte 2] tegenover de WOD-ers betwist omdat [medeverdachte 2] door hen onder ongeoorloofde druk zou zijn gezet.

De rechtbank overweegt daarover het volgende.

Door de WOD-ers is in de reeds aangehaalde processen-verbaal van bevindingen nauwkeurig beschreven hoe de WOD-actie is verlopen. De rechtbank ziet in deze processen-verbaal geen aanleiding om aan te nemen dat zij op [medeverdachte 2] onder een ongeoorloofde druk hebben uitgeoefend. Dat [medeverdachte 2] zich op momenten angstig heeft gevoeld wil de rechtbank aannemen en dat wordt door de WOD-ers ook niet ontkend, maar aanwijzingen dat er een zodanige druk is uitgeoefend dat dit de waarachtigheid van de verklaring van [medeverdachte 2] aan zou tasten heeft de rechtbank niet gevonden. De verslaglegging van de WOD-ers is daarnaast controleerbaar gemaakt doordat de WOD-ers bij de rechter-commissaris opnieuw zijn gehoord over het verloop van de WOD-actie, waar zij wederom gedetailleerd en overeenkomstig hun eerdere verslaglegging verklaren. De rechtbank gaat uit van deze lezing. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat in dit verband geen sprake is van een schending van hetzij artikel 2, hetzij artikel 6 van het EVRM of van een beginsel van behoorlijke procesorde.

De rechtbank ziet wel aanknopingspunten om de verklaring van [medeverdachte 2] tegenover de WOD-ers juist wel als betrouwbaar aan te merken. Zo verklaart [medeverdachte 2] tegenover de WOD-ers het volgende dat steun vindt in het dossier:

 [slachtoffer 1] zou [medeverdachte 2] hebben gevraagd om [medeverdachte 1] en [verdachte] te bellen.42 Dit wordt ook verklaard door [medeverdachte 1]43;

 voor de confrontatie van 9 mei 2016 was er al geprobeerd om elkaar te treffen.44 Door [medeverdachte 1] wordt verklaard dat [slachtoffer 1] op 8 mei 2016 wilde afspreken45;

 de oudste broer van [naam 4] zou een wapen hebben gepakt en op [slachtoffer 1] hebben gevuurd.46 Dit heeft [medeverdachte 2] ook in zijn eerdere verhoren verklaard en dit wordt ook verklaard door [verdachte]47;

 het al genoemde onderliggende conflict dat over het rippen van wiet ging.

Het oordeel van de rechtbank dat de WOD-actie bij [medeverdachte 2] zonder het uitoefenen van ongeoorloofde druk is uitgevoerd en achteraf controleerbaar is gebleken maakt dat de rechtbank de resultaten daarvan als bewijs kan bezigen. Het oordeel van de rechtbank dat ook inhoudelijk gezien de verklaring van [medeverdachte 2] tegenover de WOD-ers als betrouwbaar wordt gezien en als rechtmatig verkregen, voor zover de verdachte al een beroep zou zijn toegekomen op eventuele onrechtmatigheid, maakt dat de rechtbank de resultaten ook als bewijs zal gebruiken.

De rechtbank is gelet op de forensische bevindingen en de verklaring van [medeverdachte 2] van oordeel dat het [medeverdachte 1] is geweest die het groene wapen heeft afgevuurd en daarmee zowel [slachtoffer 1] als [slachtoffer 2] heeft getroffen.

Eindconclusie van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van het vorenstaande tot het oordeel dat [verdachte] en [medeverdachte 1] zowel [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hebben doodgeschoten. Dat zij dit in vereniging hebben gedaan volgt alleen al uit het feit dat zij beiden een geschikte uitvoeringshandeling hebben verricht. De rechtbank zal in haar bewezenverklaring dan ook uitgaan van medeplegen.

De laatste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachten zich schuldig hebben gemaakt aan het in vereniging doodschieten met voorbedachte raad (moord) of enkel met opzet (doodslag).

Dat in elk geval sprake is van opzet volgt uit de handeling van het schieten met een vuurwapen zelf en vormt daarmee geen punt van discussie. Ten aanzien van de voorbedachte raad ligt dat anders. De rechtbank is van oordeel dat uit het dossier niet kan volgen dat (één van de) verdachten op voorhand een plan hadden om de broers [naam 5] te doden. Een innerlijk kalm beraad en rustig overleg, zoals dat is vereist voor moord, dat is ontstaan net voor of tijdens het schietproces kan de rechtbank op basis van het dossier bij (één van de) verdachten ook niet vaststellen.

Alles overwegend, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat beide verdachten samen de beide broers [naam 5] opzettelijk hebben gedood door hen met een vuurwapen dood te schieten.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

hij op of omstreeks 9 mei 2016 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven

heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders, opzettelijk

met een of meerdere vuurwapens, meerdere keren op/in/door het hoofd en/of het

lichaam van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 1]

is overleden;

EN/OF

hij op of omstreeks 9 mei 2016 te Nijmegen, tezamen en in vereniging met een

ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven

heeft beroofd, immers heeft hij, verdachte, en/of zijn mededaders, opzettelijk

met een of meerdere vuurwapens, meerdere keren op/in/door het hoofd en/of het

lichaam van die [slachtoffer 2] geschoten, tengevolge waarvan die [slachtoffer 2]

is overleden.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

medeplegen van doodslag, meermalen gepleegd

5 De strafbaarheid van het feit

Door de verdediging is een beroep gedaan op noodweer. Daartoe is – kort gezegd – aangevoerd dat [slachtoffer 1] zijn wapen trok en dat verdachte in reactie daarop heeft geschoten om zichzelf en zijn broer [medeverdachte 1] tegen vuurwapengeweld van [slachtoffer 1] te beschermen.
Door de verdediging is ook een beroep gedaan op putatief noodweer.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Aan een verdachte die – kort gezegd – heeft gehandeld ter verdediging, kan onder omstandigheden een beroep toekomen op de in artikel 41 onder lid 1 van het Wetboek van Strafrecht omschreven rechtvaardigingsgrond noodweer. Dit artikel luidt onder het genoemde lid als volgt:

“Niet strafbaar is hij die een feit begaat, geboden door de noodzakelijke verdediging van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed tegen ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding.”

Een beroep op putatief noodweer door een verdachte kan slagen als bij die verdachte sprake was van een verontschuldigbare dwaling omdat hij kon of mocht menen dat hij zich mocht verdedigen zoals hij deed omdat hij zich het dreigende gevaar heeft ingebeeld dan wel dat hij de aard van de dreiging verkeerd heeft beoordeeld.

De rechtbank heeft over de feitelijke toedracht reeds vastgesteld dat verdachte degene is die met getrokken vuurwapen in schiethouding zichtbaar is en begint met schieten zonder dat [slachtoffer 1] daarbij een wapen heeft getrokken of al heeft proberen te trekken. De door de verdediging omschreven feitelijke toedracht is daarmee niet aannemelijk geworden. Dat betekent dat van een ogenblikkelijke, wederrechtelijk aanranding of een onmiddellijke dreiging daarvan naar het oordeel van de rechtbank geen sprake was toen verdachte begon met schieten.

De rechtbank is van oordeel dat het op geen enkele manier aannemelijk is geworden dat [slachtoffer 1] een wapen zou gaan gebruiken, dat dit dreigde of dat verdachte dit zelfs zou mogen denken op het moment dat hij zelf zijn wapen trok. De door de rechtbank bekeken camerabeelden onderstrepen dat.

De rechtbank is daarom ook van oordeel dat een redelijk weldenkend mens (zoals de putatieve noodweer-variant moet worden beoordeeld; geobjectiveerd) niet mocht veronderstellen dat vuurwapengebruik door [slachtoffer 1] zou gaan plaatsvinden.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het beroep op noodweer en het beroep op putatief noodweer van de verdediging. Het feit is naar oordeel van de rechtbank strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte


Door de verdediging is – ingeval van verwerping van het beroep op noodweer – een beroep gedaan op noodweerexces. Hiertoe is – kort gezegd – aangevoerd dat bij verdachte sprake was van een hevige gemoedsbeweging omdat hij vreesde voor het leven van zijn broer en hemzelf, wat werd versterkt door de weigeringen van zijn eigen wapen.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Noodweerexces kan worden aangenomen bij een overschrijding van de grenzen van de noodzakelijke verdediging. Daarbij moet wel sprake van een noodzaak tot verdediging zijn of zijn geweest. In deze zaak zou dit in beeld kunnen komen als de rechtbank een noodweersituatie (een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding of een onmiddellijke dreiging daarvan) had aangenomen en daarbij had gevonden dat verdachte op een gegeven moment had moeten stoppen met schieten. Zoals gezegd heeft de rechtbank deze noodweersituatie op grond van de door haar vastgestelde feitelijke toedracht niet aangenomen.

Gelet op het voorgaande verwerpt de rechtbank het beroep op noodweerexces van de verdediging. De verdachte is naar oordeel van de rechtbank strafbaar.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 17 jaren met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman zijn – vanwege de door hem bepleitte vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging – geen strafmaatverweren gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 20 december 2017;

- een voorlichtingsrapportage van Reclassering Nederland, gedateerd 12 mei 2016.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan één van de meest ernstige delicten die het Nederlandse Wetboek van Strafrecht kent: doodslag. Nu het om twee doodslagen gaat, staat daar een strafmaximum van 20 jaren gevangenisstraf op.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft samen met zijn broer twee andere broers doodgeschoten in een café in [plaats] . Dit heeft voor veel gevoelens van onrust en onveiligheid gezorgd in de maatschappij. In totaal zijn de overleden broers geraakt door minimaal veertien – maar waarschijnlijk meer – schoten. Dit heeft plaatsgevonden in slechts twintig seconden. De rechtbank vindt in het dossier aanwijzingen dat de confrontatie van 9 mei 2016 zijn oorsprong vindt in het Nijmeegse softdrugscircuit, waar als rivalen voornamelijk [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] tegenover elkaar hebben gestaan. Door de maatschappij wordt softdrugscriminaliteit regelmatig onderschat terwijl een zaak als deze wederom laat zien dat dit gepaard kan gaan met ernstige vormen van geweld. In dit geval dodelijk geweld. Daarmee is [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] hun dierbaarste bezit, hun leven, ontnomen op respectievelijk 34-jarige en 32-jarige leeftijd. Zij hadden het grootste deel van hun leven nog voor zich moeten hebben. Dit verlies heeft ook veel leed berokkend aan nabestaanden, aan mensen die van de overleden broers hielden, zoals een dochter die hoopte alsnog een goede relatie met haar vader op te bouwen en aan wie de kans om dat te doen is ontnomen. Zij zullen hun leven lang dat verdriet moeten dragen, zoals ook naar voren is gekomen uit de ter terechtzitting voorgelezen slachtofferverklaringen. Dit neemt de rechtbank verdachte ernstig kwalijk. De rechtbank is van oordeel dat het handelen van verdachte enkel een zeer langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf rechtvaardigt.

De rechtbank neemt ook in aanmerking dat vanuit de zijde van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] men zich niet onbetuigd heeft gelaten. [slachtoffer 1] heeft voorafgaand aan de dag van 9 mei 2016 doodsbedreigingen geuit naar [medeverdachte 1] en zelfs zijn gezin en met een vuurwapen voor zijn deur gestaan. Dit heeft zonder meer bijgedragen aan de explosiviteit van het conflict. De rechtbank komt dan, evenals de officier van justitie, niet toe aan het genoemde strafmaximum.

De rechtbank zal, net als de officier van justitie, onderscheid maken tussen de verdachten ten aanzien van de strafoplegging. Verdachte is de persoon die is begonnen met schieten en die de meeste schoten heeft gelost. De rechtbank zal dit onderscheid in mindere mate laten doorklinken in de strafoplegging dan de officier van justitie, nu verdachte geen onderdeel uitmaakte van de kern van het onderliggende conflict en er als het ware is bijgehaald.

Gelet op al het hiervoor overwogene zal de rechtbank aan verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren opleggen. De tijd die verdachte heeft doorgebracht in voorarrest zal hierop in mindering worden gebracht.

7a. De beoordeling van de civiele vorderingen, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partijen hebben zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding voor het bewezenverklaarde feit.


Gevorderd wordt:

  • -

    een bedrag van € 2.850,03 aan reiskosten voor de begrafenissen door [naam 6] ;

  • -

    een bedrag van € 2.013,10 aan reiskosten voor de begrafenissen door [naam 7] ;

  • -

    een bedrag van € 575,38 aan reiskosten voor de begrafenissen door [getuige 2] ;

  • -

    een bedrag van € 20.280,56, bestaande uit een bedrag van € 20.000,00 aan affectieschade, een bedrag van € 180,56 aan telefoon- en reiskosten en een bedrag van € 100,00 aan telefoon-, reis- en parkeerkosten ten behoeve van een eventueel hoger beroep door [naam 8] , waarbij de advocaat van de benadeelde partij heeft

  • -

    verzocht dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vordering zover het de affectieschade en de kosten voor het eventuele hoger beroep betreft.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partijen [naam 6] , [naam 7] en [getuige 2] geheel en hoofdelijk toe te wijzen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [naam 8] hoofdelijk toe te wijzen tot een bedrag van € 180,56 (telefoon- en reiskosten), met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij [naam 8] voor het overige niet-ontvankelijk te verklaren.

Het standpunt van de verdediging

Door de raadsman is – vanwege de door hem bepleitte vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging – van mening dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen.

Beoordeling door de rechtbank


Ten aanzien van de vorderingen van [naam 6] , [naam 7] en [getuige 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het bewezenverklaarde handelen tot de gevorderde bedragen schade hebben geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is, nu het gaat om kosten die zijn gemaakt voor de begrafenis.


De vorderingen zijn voor toewijzing vatbaar.

De verdachte is niet meer tot vergoeding gehouden indien en voor zover het gevorderde door zijn mededader is of wordt voldaan.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partijen.

De gevorderde en toegewezen rente/vergoeding voor proceskosten, zijn daar niet bij inbegrepen.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 12 mei 2016.

Ten aanzien van de vordering van [naam 8]


Affectieschade
Voorop staat dat de rechtbank begrijpt en erkent dat aan [naam 8] groot leed is aangedaan doordat haar vader om het leven is gebracht.

Daar tegenover staat dat de rechtbank de vorderingen moet beoordelen naar het huidige recht. De mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade als gevolg van het verlies van een dierbare is in het huidige Nederlandse recht zeer beperkt. Vaste jurisprudentie is dat alleen de situatie als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek, de shockschade, voor vergoeding in aanmerking kan komen. Affectieschade valt daar niet onder. Dat op 9 mei 2017 het wetsvoorstel vergoeding van Affectieschade door de Tweede Kamer is aangenomen, maakt dit niet anders. De rechter heeft immers niet de vrijheid om, vooruitlopend op een eventueel door de wetgever door te voeren wijziging van de wet, een vergoeding voor affectieschade toe te kennen.

De rechtbank zal de benadeelde partijen ten aanzien van dit onderdeel dan ook niet-ontvankelijk in de vorderingen verklaren.

Telefoon- en reiskosten

De rechtbank stelt ten aanzien van de gevorderde telefoon- en reiskosten het volgende voorop.


Nabestaanden van een slachtoffer kunnen slechts in drie gevallen aanspraak maken op een vergoeding: als erfgenaam onder algemene titel, als nabestaande als het gaat om kosten voor gederfd levensonderhoud en als nabestaande als het gaat om kosten voor de lijkbezorging.

Van deze drie gevallen is voor de kostenpost telefoon- en reiskosten geen ruimte. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij wat deze kostenpost betreft dan ook afwijzen.

Kosten voor een eventueel hoger beroep

De rechtbank is van oordeel dat ten aanzien van de extra kosten ten behoeve van een eventueel hoger beroep onvoldoende aannemelijk is dat deze in de toekomst daadwerkelijk als gevolg van het bewezenverklaarde feit worden gemaakt. De rechtbank zal de benadeelde partij ten aanzien van dit onderdeel dan ook niet-ontvankelijk verklaren.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 36f, 47, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 (zestien) jaren;

 beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

De beslissing op de vorderingen van de benadeelde partijen [naam 6] , [naam 7] en [getuige 2]

 veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de navolgende benadeelde partijen van de hierna genoemde bedragen, telkens vermeerderd met de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden steeds begroot op nihil.

Benadeelde partij Bedrag Datum rente

1. [naam 6] € 2.850,03 12 mei 2016

2. [naam 7] € 2.013,10 12 mei 2016

3. [getuige 2] € 575,38 12 mei 2016

 legt aan veroordeelde tevens de verplichting op aan de Staat ten behoeve van de navolgende benadeelde partij(en) te betalen, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal hechtenis zal kunnen worden toegepast van na te melden duur zonder dat de betalingsverplichting vervalt.

Benadeelde partij Bedrag Vervangende hechtenis

1. [naam 6] € 2.850,03 38 dagen

2. [naam 7] € 2.013,10 30 dagen

3. [getuige 2] € 575,38 11 dagen

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen;

 verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [naam 8]

wijst af de vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van € 180,56, ingediend door de benadeelde partij [naam 8] ;

 verklaart de benadeelde partij [naam 8] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.C.P. Goossens (voorzitter), mr. M.C. Gerritsen en mr. J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A. Diebels en S.A.A.M. van der Heijden MSc., griffiers, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 april 2018.

BIJLAGE I

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisanten van de politie Oost Nederland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016227274 gesloten op 28 februari 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 De verklaring van verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 19 februari 2018, het proces-verbaal van bevindingen, p. 674-676 en het proces-verbaal van bevindingen, p. 927-931.

3 Het rapport NFI, p. 1947-1962 en het rapport NFI, p. 2000-2013.

4 Maastricht UMC rapport d.d. 12-9-2016, p. 1985.

5 PV aanvullende vragen 23-3-2017, p. 1987-1988.

6 NFI rapport d.d. 18-5-2016, p. 1953.

7 Maastricht UMC rapport d.d. 12-9-2016, p. 2031.

8 NFI rapport d.d. 18-5-2016, p. 2004.

9 Maastricht UMC rapport d.d. 12-9-2016, p. 2029.

10 NFI rapport d.d. 14-7-2017, p. 2449.

11 Zie bijlage I voor een plattegrond van de plaats delict. De rechtbank zal hier in haar vonnis naar verwijzen.

12 NFI rapport d.d. 01-11-2016, p. 2252

13 NFI rapport d.d. 01-11-2016, p. 2251.

14 NFI rapport d.d. 01-11-2016, p. 2255.

15 NFI rapport d.d. 01-11-2016, p. 2260.

16 TMFI rapport d.d. 5-7-2016, p. 2243-2244.

17 Zie bijlage I voor een plattegrond van de plaats delict. De rechtbank zal hier in haar vonnis naar verwijzen.

18 NFI rapport 24-5-2017, p. 2276.

19 NFI rapport 24-05-2017, p. 2279.

20 PV gerechtelijke sectie, p. 1934-1936.

21 Maastricht UMC rapport d.d. 12-09-2016, p. 1981.

22 PV Gerechtelijke sectie, p. 1935 en Maastricht UMC rapport d.d. 12-09-2016, p. 1980.

23 NFI rapport d.d. 9-5-2017, p. 2338.

24 PV Gerechtelijke sectie, p. 1990-1991.

25 Maastricht UMC rapport d.d. 12-09-2016, p. 2028.

26 PV sporenonderzoek, p. 1625.

27 NFI rapport 9-5-2017, p. 2338.

28 PV Sporenonderzoek, getekend op 11-09-2016, p. 1625.

29 PV Sporenonderzoek, p. 1745.

30 NFI rapport 9-5-2017, p. 2338.

31 Maastricht UMC rapport d.d. 12-09-2016, p. 2028.

32 NFI rapport d.d. 14-07-2017, p. 2420.

33 De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 19 februari 2018 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 253-254.

34 NFI rapport d.d. 01-11-2016, p. 2257.

35 Het proces-verbaal van bevindingen, p. 928-931.

36 De waarneming van de rechtbank van de camerabeelden.

37 De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 19 februari 2018 en het proces-verbaal van verhoor verdachte [verdachte] , p. 253-254.

38 PV Sporenonderzoek, p. 1613-1614.

39 Het proces-verbaal van bevindingen informatie inwinner A-2244, p. 908-911 en het proces-verbaal van bevindingen informatie inwinner A2245, vertaalde versie, p. 917-919.

40 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 874-876.

41 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] , p. 868-869.

42 Het proces-verbaal van bevindingen informatie inwinner A-2244, p. 909 en het proces-verbaal van bevindingen informatie inwinner A-2245, vertaalde versie, p. 918.

43 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 121.

44 Het proces-verbaal van bevindingen informatie inwinner A-2244, p. 909.

45 Het proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] , p. 121.

46 Het proces-verbaal van bevindingen informatie inwinner A-2244, p. 909 en het proces-verbaal van bevindingen informatie inwinner A-2245, vertaalde versie, p. 918.

47 De verklaring van de verdachte zoals afgelegd ter terechtzitting van 19 februari 2018.