Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1564

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-04-2018
Datum publicatie
18-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 5732
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Participatiewet en inkomsten uit kamerverhuur. Uit het beleid van verweerder blijkt dat voor inkomsten uit (onder)verhuur per huurder een forfaitaire inkomstenkorting op de bijstand wordt toegepast. Het ontvangen van een hoger bedrag aan huur is gelet op dit beleid niet van invloed op het recht op, of de hoogte van de bijstand. Verweerder heeft de bijstand van eiser ten onrechte herzien en teruggevorderd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 17/5732

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 april 2018

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. A.E.L.Th. Balkema),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem te Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 16 mei 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de bijstand van eiser op grond van de Participatiewet (Pw) herzien over de periode van 1 november 2016 tot en met 30 april 2017. Ook heeft verweerder een bedrag van € 1.570,- netto aan bijstand van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 4 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gegrond verklaard, voor zover het gaat om de hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag. Dit is door verweerder op nihil gesteld. Voor het overige heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
drs. A.J.M. Schakenraad.

Overwegingen

1. Eiser ontvangt sinds 3 december 2008 bijstand. Van 1 november 2016 tot 10 mei 2017 heeft hij een medebewoner gehad, de heer [naam] . Uit de aanvankelijk door eiser getoonde huurovereenkomst blijkt dat de huur van de medebewoner € 210,- huur per maand bedraagt. Bij besluit van 7 december 2016 heeft verweerder eiser meegedeeld dat daarom volgens beleid van verweerder vanaf 1 november 2016 een inkomstenkorting van 10% van de echtparennorm wordt toegepast, ongeacht de hoogte van de te ontvangen huur.

2. Aan de herziening en terugvordering van de bijstand over de periode van 1 november 2016 tot en met 30 april 2017 ligt ten grondslag dat verweerder heeft vastgesteld dat eiser vanaf november 2016 maandelijks een bedrag aan huur van [naam] heeft ontvangen dat varieert tussen de € 600,- en € 800,-.

3. Het staat bijstandsontvangers in beginsel vrij kamers te verhuren en kostgangers in huis te nemen. Op grond van artikel 32, eerste lid, van de Pw gelden de ontvangen middelen vanwege huur, onderhuur of het hebben van kostgangers als inkomen. Met deze inkomsten wordt rekening gehouden bij de vaststelling van het recht op en de hoogte van de bijstand. Dit betekent ook dat het verplicht is om juiste en volledige informatie te verstrekken over deze inkomsten.

4. Uit het door verweerder gehanteerde beleid blijkt dat voor inkomsten uit (onder)verhuur en/of kostgeverschap per huurder/kostganger een forfaitaire inkomstenkorting op de bijstand wordt toegepast. Deze korting bedraagt 10% van de echtparennorm, ongeacht de hoogte van het te ontvangen huur- of kostgeldbedrag. Het ontvangen van een hoge(re) huur is niet als uitzondering in dit beleid opgenomen. Toch heeft verweerder in het geval van eiser besloten de hogere huurinkomsten te korten op de bijstand.

5. De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerder zijn beleid niet op consistente wijze heeft toegepast. Uit het beleid blijkt immers dat het ontvangen van een hoger bedrag aan huur niet van invloed is op het recht op, of de hoogte van de bijstand. Wat hier ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat verweerder het hogere bedrag aan huur gelet hierop niet van eiser heeft kunnen terugvorderen. Het niet eerder dan op de zitting ingenomen en niet onderbouwde standpunt van verweerder dat het twijfelachtig is of de door Mersin betaalde bedragen daadwerkelijk zien op huur, doet hier niet aan af. Uit het bestreden besluit en de onderliggende stukken blijkt immers dat verweerder er vanuit is gegaan dat het om huurinkomsten gaat, en niet om andere inkomsten.

6. Dit betekent dat verweerder de bijstand van eiser ten onrechte heeft herzien over de periode van 1 november 2016 tot en met 30 april 2017. Ook heeft verweerder ten onrechte een bedrag van € 1.570,- aan bijstand van eiser teruggevorderd. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, herroept het primaire besluit en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit.

7. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser betaalde griffierecht vergoeden. De rechtbank veroordeelt verweerder daarnaast in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit;

- draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Kool, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 6 april 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.