Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1532

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
05-04-2018
Datum publicatie
20-04-2018
Zaaknummer
AWB - 17 / 1658
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet openbaarheid van bestuur. Projectvergunningen voor het houden van dierproeven. Dierenrechtactivisme. Namen vergunninghouders in zienswijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1658

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. H. van Drunen),

en

de Centrale Commissie Dierproeven te 's-Gravenhage, verweerster.

Procesverloop

Eiseres heeft bij e-mailbericht van 18 november 2015 op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) aan verweerster verzocht een tiental projectvergunningen voor het houden van dierproeven met bijlagen openbaar te maken. Eiseres heeft dit Wob-verzoek genummerd als [kenmerk] .

Naar aanleiding van dit verzoek hebben derden-belanghebbenden (de vergunninghouders) een zienswijze ingediend.

Bij besluit van 23 februari 2016 (het primaire besluit) heeft verweerster, na een eigen beoordeling van het gewicht en de relevantie van de zienswijzen, de projectvergunningen met bijlagen gedeeltelijk openbaar gemaakt. In deze stukken is een aantal gegevens weggelakt.

Bij besluit van 20 februari 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerster het hiertegen gemaakte bezwaar van eiseres gegrond verklaard. De gegrondverklaring houdt in dat de stukken nogmaals aan eiseres worden verstrekt, maar met minder weggelakte gegevens dan bij het primaire besluit.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerster heeft aan de rechtbank de ongelakte versie van de aan eiseres verstrekte stukken overgelegd. Daarbij heeft zij de rechtbank verzocht deze stukken niet aan eiseres door te zenden (artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)).

Bij beschikking van 11 mei 2017 heeft de rechtbank het verzoek ingewilligd.

Dat betekent dat alleen de rechtbank van deze stukken kennis neemt.

Bij brief van 16 mei 2017 heeft eiseres meegedeeld dat zij toestemming geeft voor het betrekken van de ongelakte stukken bij de procedure.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. van Drunen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door K.K.E. Blom en S. Piron.

Overwegingen

1. De toepasselijke bepalingen uit de Wob zijn opgenomen in de bijlage, behorend bij deze uitspraak.

2. Eiseres heeft in het Wob-verzoek gevraagd om openbaarmaking van een tiental specifiek aangeduide projectvergunningen met bijbehorende bijlagen. De projectvergunning wordt bij verweerster aangevraagd door middel van een aanvraagformulier. Daarbij zijn als bijlagen gevoegd: het projectvoorstel, het advies van de [betrokkene] (hierna: [betrokkene]) en de vergunning zelf. Het projectvoorstel bevat een omschrijving van het onderzoeksproject waarbij dierproeven plaatsvinden en wordt in de vorm van een zogenoemde “Niet Technische Samenvatting” (hierna: NTS) op de website van verweerster gepubliceerd. Deze informatie is dus al openbaar. Het gaat eiseres echter niet om de NTS maar om de achterliggende stukken.

3.1.

Eiseres heeft allereerst aangevoerd dat verweerster haar ten onrechte niet gezamenlijk met de derde-belanghebbenden heeft gehoord. Dat is volgens haar in strijd met artikel 7:6 van de Awb.

3.2.

Niet in geding is dat eiseres bij de beslissing op bezwaar een afschrift van het verslag van de hoorzitting heeft ontvangen. Eiseres was dus op de hoogte van het horen buiten haar aanwezigheid. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee voldaan aan het bepaalde in artikel 7:6, derde lid, van de Awb.

3.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster - op grond van artikel 7:6, tweede lid, van de Awb - de belanghebbenden afzonderlijk mogen horen. In een gezamenlijke hoorzitting kan immers juist in een procedure op grond van de Wob informatie van de derde-belanghebbenden op tafel komen, die niet bij eiseres terecht dient te komen. De rechtbank stelt verder vast dat eiseres in haar beroepschrift heeft gereageerd op het verslag van de hoorzitting. Zij is dan ook niet in haar processuele positie geschaad door de omstandigheid dat het verslag van de hoorzitting niet voorafgaand aan het bestreden besluit is verstrekt. De beroepsgronden bij deze kwestie falen.

4.1.

Eiseres heeft naar voren gebracht dat in de zienswijzen van de derde-belanghebbenden teveel gegevens zijn weggelakt en dat zij daardoor in haar processuele belang is geschaad.

4.2.

Verweerster heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat in de zienswijzen de NTS-nummers zijn aangegeven, zodat voor eiseres duidelijk was op welke dossiers de zienswijzen betrekking hadden. Volgens verweerster is het eiseres na de openbaarmaking van de naam van de vergunninghouder duidelijk geworden van welke partij de zienswijze afkomstig was. Inhoudelijk is verweerster van opvatting dat die namen openbaar mogen worden.

4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster de namen van de vergunninghouders in de zienswijzen ten onrechte weggelakt. De omstandigheid dat eiseres via de NTS-nummers mogelijkerwijs zou kunnen achterhalen wie de vergunninghouders zijn, is geen openbaarmaking in de zin van de Wob. De rechtbank tekent daar bovendien bij aan dat de gemachtigde van eiseres ter zitting heeft verklaard – en de rechtbank ziet geen grond de juistheid van die mededeling in twijfel te trekken – dat hij van een gedeelte van de aanvragers sowieso niet op de hoogte is. Omdat de openbaarmaking van deze gegevens in geding is, is eiseres hierdoor benadeeld. Naar het oordeel van de rechtbank kan dit gebrek daarom niet met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd.

De beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit in zoverre vernietigen.

5.1.

Eiseres heeft ter zitting aangegeven dat slechts nog de volgende projectvergunningen

in geding zijn en dan alleen voor zover daarin de namen van de vergunninghouders, de namen van de afdelingen en van de [betrokkene] zijn weggelakt:

- [kenmerk] , Evaluatie en behandeling van falen van de rechter hartkamer, en

- [kenmerk] , Verbetering van de overleving en geëncapsuleerde eilandjes van Langerhans ten behoeve van behandeling van diabetes.

5.2.

Met het oog hierop zal de rechtbank de oorspronkelijke beroepsgronden betreffende de andere acht projectvergunningen en andere dan de hiervoor aangeduide gegevens hier niet meer bespreken.

6. Om te kunnen beoordelen of verweerster de hiervoor aangehaalde gegevens terecht heeft mogen weigeren, heeft de rechtbank kennis genomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken.

7.1.

Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat het belang van openbaarmaking van de onder rechtsoverweging 5 genoemde gegevens niet opweegt tegen het belang van de privacy en de bescherming van de individuele onderzoekers. Openbaarmaking van deze gegevens betekent dat onderzoekers kunnen worden geïdentificeerd. Zij kunnen te maken krijgen met acties van dierenrechtenactivisten. Verweerster heeft daarom het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen aan de weigering ten grondslag gelegd. Dit staat in artikel 10, tweede lid, aanhef en onderdeel g, van de Wob.

7.2.

Eiseres is het hiermee niet eens. Zij heeft aangevoerd dat dierenrechtenactivisme een teruglopend verschijnsel is. Ter zitting heeft eiseres aangevoerd dat verweerster in zijn recente besluiten van 19 februari 2018 in soortgelijke zaken het standpunt inneemt dat deze gegevens alleen onder bijzondere omstandigheden wordt geweigerd. Daarvan is bijvoorbeeld sprake in het geval van een actuele vrees voor acties van dierenrechtenactivisten tegen een specifieke vergunninghouder of [betrokkene]. Eiseres heeft met instemming van verweerster een afschrift van één van deze besluiten ter zitting overgelegd. Als er al acties plaatsvinden, zijn dat legale demonstraties, aldus eiseres.

8.1

Naar het oordeel van de rechtbank ligt er aan de weigeringsgrond met betrekking tot de onevenredige benadeling van onderzoekers een deugdelijke onderbouwing ten grondslag. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Verweerster heeft in het bestreden besluit hierover naar voren gebracht dat de bij de projectvergunningen 2015 134 en 2015 168 betrokken vergunninghouders en afdelingen betrekkelijk kleine organisatorische werkeenheden zijn. Het onderzoeksveld waarnaar zij onderzoek doen is dus betrekkelijk klein. De betrokken informatie leidt daarom, naar ook de rechtbank onderschrijft, eenvoudig naar de personen die onderzoek doen. Hun privacy is dus in geding.

8.2

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerster in redelijkheid het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling van de onderzoekers zwaarder mogen wegen dan het belang van openbaarmaking van de gegevens. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank tevens de recente uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 14 februari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:492), waarin de Afdeling in een gelijksoortige zaak de vrees voor en dreiging van dierenrechtenactivisme nog steeds gerechtvaardigd acht. Ook al zouden personen worden geconfronteerd met legale demonstraties, zoals eiseres naar voren heeft gebracht, dan nóg kunnen deze acties een inbreuk maken in de levenssfeer van de betrokken personen en hen onevenredig benadelen. De beroepsgrond faalt.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerster aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. Verder ziet de rechtbank aanleiding om gelet op rechtsoverweging 4.3 het primaire besluit te herroepen voor zover daarbij is geweigerd de namen van de vergunninghouders in de zienswijzen openbaar te maken. De rechtbank bepaalt dat verweerder deze gegevens alsnog aan eiseres verstrekt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerster in de door eiseres gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.004 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor de hoorzitting, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij verweerster de namen van de

vergunninghouders in de zienswijzen heeft weggelakt;

- herroept het primaire besluit in zoverre;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat

is vernietigd;

- draagt verweerster op om deze gegevens binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak alsnog in de gevraagde vorm te verstrekken;

- gelast dat verweerster het door eiseres betaalde griffierecht groot € 167 aan haar

vergoedt;

- veroordeelt verweerster in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 2.004.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Penning, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. R.M. Koenraad, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Bolzoni, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

Wettelijk kader

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Wob kan een ieder een verzoek om informatie neergelegd in documenten over een bestuurlijke aangelegenheid richten tot een bestuursorgaan of een onder verantwoordelijkheid van een bestuursorgaan werkzame instelling, dienst of bedrijf.

Ingevolge het vijfde lid wordt een verzoek om informatie ingewilligd met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 10 en 11.

Ingevolge het tweede lid, aanhef en onder g, blijft het verstrekken van informatie ingevolge deze wet eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen het belang van het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.