Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1476

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
27-03-2018
Datum publicatie
01-05-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 5265
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wlz - Zorgovereenkomst afgekeurd door het Zorgkantoor, omdat de zorgverlener geen verantwoorde zorg levert en eiser daardoor niet kan voldoen aan zijn verplichtingen om kwalitatief goede zorg in te kopen. Onjuiste wettelijke grondslag van het besluit. Dit motiveringsgebrek is met artikel 6:22 van de Awb gepasseerd. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat de zorgverlener geen zorg van goede kwaliteit leverde, als bedoeld in artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wlz.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: 16/5265

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 maart 2018

in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. Tj.P. Grünbauer),

en

Stichting Zorgkantoor Menzis te Enschede, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 21 april 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder de zorgovereenkomst tussen eiser en LunterenZorg BV, die betrekking heeft op de aan eiser geleverde zorg in het kader van de Wet langdurige zorg (Wlz), afgekeurd.

Bij besluit van 10 augustus 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 september 2017. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Eisers gemachtigde heeft zich laten vergezellen door H.M.A. Donkers, voormalig directeur van Zorgbruurs B.V. en LunterenZorg B.V. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. B.T.J.A. van Aalst.

Op 7 november 2017 heeft de rechtbank het onderzoek heropend.

Op 11 december 2017 heeft een nadere zitting plaatsgevonden, waarop wederom aan de ene kant de gemachtigde van eiser en H.M.A. Donkers zijn verschenen en aan de andere kant verweerder, vertegenwoordigd door mr. B.T.J.A. van Aalst, zijn verschenen.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

1.1

Voor het jaar 2015 is aan eiser op grond van de Wlz een persoonsgebonden budget (pgb) toegekend van € 77.834,56 voor de betaling van de aan hem geleverde zorg als bedoeld in de Wlz.

1.2

Aan eiser is ten laste van zijn pgb zorg verleend door zorgaanbieder Zorgbruurs B.V. (Zorgbruurs).

1.3

Naar aanleiding van onderzoek uitgevoerd door de Inspectie voor de Gezondheidszorg (IGZ) heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (staatssecretaris) op 19 september 2014 aan Zorgbruurs een aanwijzing gegeven op grond van artikel 8, eerste lid, van de Kwaliteitswet zorginstellingen (Kwz). Volgens de staatssecretaris voldeed Zorgbruurs niet aan de voorwaarden voor verantwoorde zorg. In de aanwijzing is onder meer opgenomen dat Zorgbruurs de zorgverlening dient te staken en gestaakt dient te houden tot het moment dat voldaan is aan de voorwaarden voor verantwoorde zorgverlening, alle cliënten aantoonbaar en in overleg met het zorgkantoor dient over te dragen aan een andere zorgaanbieder en alle cliënten dient te informeren over de inhoud van de aanwijzing. Bij uitspraak van 15 juli 2015 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland het beroep van Zorgbruurs tegen de aanwijzing ongegrond verklaard.

1.4

Op 1 augustus 2015 heeft eiser een schriftelijke zorgovereenkomst met zorgbeschrijving gesloten met zorgaanbieder LunterenZorg B.V. (LunterenZorg). Deze overeenkomst is ingegaan per 1 augustus 2015.

1.5

Op 24 augustus 2015 heeft de directeur van Zorgbruurs schriftelijk aan de IGZ laten weten dat Zorgbruurs de begeleiding van cliënten per 1 augustus 2015 heeft overgedragen aan LunterenZorg.

1.6

Bij besluit van 23 november 2015 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat LunterenZorg als feitelijke opvolger van Zorgbruurs dient te worden beschouwd. Aangezien LunterenZorg volgens de staatssecretaris evenmin voldoet aan de voorwaarden voor verantwoorde zorg, heeft de staatssecretaris LunterenZorg gelast aan de gegeven aanwijzing van 19 september 2014 te voldoen en hieraan een last onder dwangsom verbonden van

€ 1.000,- voor iedere volledige week waarin LunterenZorg niet volledig aan de last heeft voldaan.

1.7

In de periode van 1 augustus 2015 tot en met 31 oktober 2015 zijn er vanuit het pgb van eiser geen betalingen verricht aan LunterenZorg. Sinds 1 december 2015 wordt de zorg niet langer door LunterenZorg uitgevoerd.

1.8

Bij besluit van 1 augustus 2016 heeft verweerder eisers pgb over het jaar 2015 vastgesteld op een lager bedrag dan was toegekend.

2. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat LunterenZorg geen verantwoorde zorg levert en dat eiser daardoor niet kan voldoen aan zijn verplichtingen om kwalitatief goede zorg in te kopen. Volgens verweerder mogen de kosten van de zorgverlener daarom niet ten laste van het pgb worden gebracht.

3. Volgens eiser is er voor 1 december 2015 geen sprake van een ministeriële beschikking op grond waarvan LunterenZorg geen Wlz-zorg meer mag leveren. Voor die tijd is inderdaad sprake geweest van een aanwijzing, maar niet van een verbod om Wlz-zorg te leveren. De zorg die door LunterenZorg is geleverd is steeds Wlz-zorg geweest en mag ten laste van een pgb worden gebracht. Het enkele feit dat de staatssecretaris een aanwijzing heeft gegeven aan een andere vennootschap betekent niet dat de zorg die door LunterenZorg is geleverd kwalitatief onverantwoord is geweest. Per saldo ging de last onder dwangsom pas in op 1 december 2015. Vanaf dat moment heeft LunterenZorg geen zorg meer geleverd aan Wlz-cliënten.

4. De rechtbank heeft in eerste instantie onderzocht of eiser een (proces)belang heeft. Zoals in de heropeningsbeslissing is vermeld, heeft de rechtbank geconcludeerd dat eiser voldoende belang heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit, voor zover verweerder daarbij heeft besloten dat geen aanspraak bestaat op vergoeding van de door eiser in bezwaar gemaakte kosten. Daarom komt de rechtbank toe aan een inhoudelijke beoordeling van het beroep.

5. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 5.18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling langdurige zorg (Rlz). De rechtbank is van oordeel dat het genoemde wetsartikel geen grondslag biedt voor het weigeren van goedkeuring aan een voorgelegde zorgovereenkomst. In het genoemde artikel staan immers verplichtingen vermeld die aan een verzekerde worden opgelegd bij verlening van het pgb. Als de verzekerde zich aan die verplichtingen niet houdt, kan dit er op grond van artikel 5.20, tweede lid, van de Rlz toe leiden dat de verleningsbeschikking wordt ingetrokken of gewijzigd. Uit de wet- en regelgeving volgt niet dat verweerder op grond van deze bepaling bevoegd is zijn goedkeuring aan een zorgovereenkomst te onthouden als door het sluiten van die zorgovereenkomst een of meerdere van die verplichtingen wordt geschonden.

6. Op grond van wat is overwogen onder 5 heeft verweerder voor het bestreden besluit niet de juiste wettelijke grondslag gehanteerd. Daardoor lijdt het bestreden besluit aan een motiveringsgebrek. De rechtbank zal hierna beoordelen of dit gebrek op grond van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden gepasseerd.

7. De gemachtigde van verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat in wezen artikel 3.6.4 van het Besluit langdurige zorg (Blz) en de artikelen 5.16 en 5.18 van de Rlz gezamenlijk ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Ook heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting gesteld dat op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) op een verzekerde de verplichting rust om met het pgb kwalitatief goede zorg in te kopen.

8. De rechtbank overweegt als volgt.

8.1

In artikel 3.6.4, vierde lid van het Blz is bepaald dat de goedkeuring aan een voorgelegde zorgovereenkomst kan worden onthouden wegens strijd met het recht. De rechtbank is van oordeel dat in gevallen waarin geen zorg wordt ingekocht als bedoeld onder artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wet langdurige zorg (Wlz) sprake is van strijd van het recht. De rechtbank verwijst in dit verband naar de Nota van Toelichting bij artikel 3.6.4 van het Blz (Staatsblad 2014, 520, pagina 75). Daaruit blijkt dat de term “strijd met het recht” zeer ruim moet worden opgevat. Als concrete voorbeelden van recht waarmee strijd kan ontstaan worden in de laatste alinea van die toelichting immers genoemd “het fiscale en arbeidsrecht”.

8.2

Verder overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 3.6.4, derde lid van het Blz in artikel 5.16 van de Rlz regels zijn vastgelegd over de inhoud van de zorgovereenkomst. In het tweede lid van dat artikel is bepaald in welke gevallen goedkeuring kan worden gegeven aan een voorgelegde zorgovereenkomst. Uit de Nota van Toelichting bij artikel 5.16 van de Rlz volgt dat, dat artikel geen uitputtende regeling bevat, maar een nadere uitwerking is van wat al in het Blz is geregeld (Staatscourant 2014, nr. 36917, 24 december 2014, pagina 77). Artikel 5.16 van de Rlz laat dus ruimte voor het stellen van meer vereisten voor goedkeuring van een zorgovereenkomst dan in dat artikel zelf zijn opgenomen.

8.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder op goede gronden heeft geconcludeerd dat LunterenZorg geen zorg van goede kwaliteit leverde, als bedoeld in artikel 3.3.3, vierde lid, aanhef en onder a, van de Wlz. LunterenZorg is te beschouwen als rechtsopvolger van Zorgbruurs. Dit volgt al uit het feit dat Zorgbruurs haar cliënten heeft overgedragen aan LunterenZorg. LunterenZorg had dezelfde bestuurder als Zorgbruurs en de zorg was bij LunterenZorg georganiseerd op een vergelijkbare manier als bij Zorgbruurs. De staatssecretaris heeft in zijn besluit van 23 november 2015 vastgesteld dat LunterenZorg als feitelijke opvolger van Zorgbruurs dient te worden beschouwd. Eisers stelling dat LunterenZorg in haar zorgverlening al verschillende verbeteringen had aangebracht op basis van de aanwijzing die Zorgbruurs heeft gekregen, is niet onderbouwd. De rechtbank is niet gebleken dat LunterenZorg de zorg zodanig had verbeterd dat daarmee wel sprake was van kwalitatief goede zorg. De constateringen van de inspecteurs die hebben geleid tot het besluit van de staatssecretaris van 23 november 2015 spreken dat ook tegen.

9. Op grond van wat hierboven onder 8.1 tot en met 8.3 is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding om het motiveringsgebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Eiser is immers feitelijk niet in zijn belangen geschaad. Het gebrek leidt dus niet tot vernietiging van het bestreden besluit en herroeping van het primaire besluit.

10. Omdat het primaire besluit niet wordt herroepen, is er ook geen grondslag om de proceskosten in bezwaar toe te kennen. De zorgovereenkomst tussen eiser en LunterenZorg is immers terecht afgekeurd.

11. Het beroep is ongegrond.

12. Omdat in het bestreden besluit een onjuiste wettelijke grondslag is gehanteerd die door verweerder in beroep is gecorrigeerd, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten in beroep. Deze kosten bestaan uit de kosten van rechtsbijstand. De kosten worden door de rechtbank begroot op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor het bijwonen van de nadere zitting anders dan na tussenuitspraak, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1). De rechtbank zal tevens bepalen dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht aan hem vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag € 1.252,50;

- draagt verweerder op om het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.E. van Zoeren, voorzitter, mr. H.J. Klein Egelink en

mr. E.C.E. Marechal, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.B. Wichman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 27 maart 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.