Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1475

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
07-03-2018
Datum publicatie
27-06-2018
Zaaknummer
C/05/322756 / HA ZA 17-339 en C/05/322758 / HA ZA 17-340
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Schuldeisersbenadeling buiten faillissement (art. 3:45 BW). Gevoegde zaken. Voor belastingschuld van moedermaatschappij heeft de Ontvanger onder twee dochtermaatschappijen executoriaal derdenbeslag gelegd op twee geldvorderingen van de moedermaatschappij op de dochtermaatschappijen. Beide vorderingen blijken te zijn omgezet in leningen die over langere tijd afgelost mogen worden. Deze omzetting kan met succes worden vernietigd door de Ontvanger op grond van art. 3:45 BW (actio pauliana).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/385
JONDR 2018/944
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

Vonnis van 7 maart 2018

in de zaak met zaaknummer / rolnummer: C/05/322756 / HA ZA 17-339 van

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/GROTE ONDERNEMINGEN,

mede kantoorhoudende te Utrecht,

eiser,

advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DEGRAAF CONTRACTING B.V.,

kantoorhoudende te Zaltbommel,

2. de ontbonden besloten vennootschap DE GRAAF CONTRACTING MIDDEN B.V.,

tot aan haar ontbinding kantoorhoudende te Zaltbommel,

gedaagden,

advocaat mr. B.M.M. Hepkema te Maastricht,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/05/322758 / HA ZA 17-340 van

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/GROTE ONDERNEMINGEN,

mede kantoorhoudende te Utrecht,

eiser,

advocaat mr. E.E. Schipper te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid DEGRAAF CONTRACTING B.V.,

kantoorhoudende te Zaltbommel,

2. de ontbonden besloten vennootschap DE GRAAF CONTRACTING ZUID B.V.,

tot aan haar ontbinding kantoorhoudende te Zaltbommel,

gedaagden,

advocaat mr. B.M.M. Hepkema te Maastricht.

Partijen worden hierna afzonderlijk aangeduid als de Ontvanger, DeGraaf Contracting, De Graaf Midden en De Graaf Zuid. Daarnaast worden DeGraaf Contracting, De Graaf Midden en De Graaf Zuid gezamenlijk DeGraaf c.s. genoemd.

1 De procedure in de zaak 17-339

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 oktober 2017 met de daarin genoemde processtukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 13 februari 2018.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De procedure in de zaak 17-340

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 18 oktober 2017 met de daarin genoemde processtukken;

- het proces-verbaal van comparitie van 13 februari 2018.

2.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3 De feiten in beide zaken

3.1.

De Ontvanger heeft ten laste van De Graaf Midden en De Graaf Zuid executoriaal derdenbeslag doen leggen onder DeGraaf Contracting voor een belastingschuld van De Graaf Midden van in totaal EUR 334.992,– te vermeerderen met invorderingsrente met ingang van 27 februari 2017 en voor een belastingschuld van De Graaf Zuid van in totaal EUR 120.063,– te vermeerderen met invorderingsrente met ingang van 27 februari 2017.

3.2.

Naar aanleiding van deze beslagen zijn op 30 maart 2017 door de Ontvanger twee verklaringen als bedoeld in artikel 476a Rv van DeGraaf Contracting ontvangen. De ene verklaring houdt in dat DeGraaf Contracting een bedrag van EUR 259.983,– verschuldigd is aan De Graaf Midden. De tweede verklaring houdt in dat DeGraaf Contracting een bedrag van EUR 64.455,– verschuldigd is aan De Graaf Zuid. Op beide verklaringen is daarnaast vermeld dat de afbetaling van de desbetreffende schuld zal plaatsvinden in vijf jaarlijkse termijnen vanaf 2018 en dat de vanaf 2018 tot en met 2022 ieder jaar 1/5 deel van de schuld opeisbaar zal worden.

3.3.

Bij brief van 10 april 2017 heeft de Ontvanger verzocht om aanvullende informatie. DeGraaf Contracting heeft de Ontvanger daarop twee op 10 januari 2017 getekende overeenkomsten met telkens als kop “overeenkomst van geldlening” toegestuurd.

3.4.

De ene overeenkomst betreft een overeenkomst tussen De Graaf Midden als “geldgever” en DeGraaf Contracting als “geldnemer”. De overeenkomst bevat de volgende passages:

“NEMEN IN OVERWEGING:

A. Geldgever heeft per 31 december 2016 een vordering op Geldnemer uit hoofde van commerciële transacties tot een bedrag van € 259.983;

(…)

C. Geldgever heeft meerdere malen aangedrongen op betaling van onder A genoemde vordering maar Geldnemer was tot op heden niet in staat om aan deze verplichting te voldoen.
D. Partijen hebben overeenstemming bereikt omtrent de wijze waarop en de voorwaarden waaronder het onder A genoemde bedrag door Geldnemer aan Geldgever terug betaald zal worden en wensen deze voorwaarden hierbij schriftelijk vast te leggen in deze overeenkomst (de ‘Overeenkomst’);

(…)

EN VERKLAREN HET VOLGENDE TE ZIJN OVEREENGEKOMEN:

ARTIKEL 1 LENING

Geldgever zal het door Geldnemer verschuldigde bedrag omzetten in een lening ter grootte van € 259.983; welk bedrag Geldnemer erkent aan Geldgever schuldig te zijn (de ‘Lening’).

ARTIKEL 2 RENTE

2.1

Geldnemer is aan Geldgever over (het nog niet afgeloste nominale bedrag van) de Lening vanaf 1 januari 2017 een rente van 2% per jaar verschuldigd. De rente is achteraf per 31 december van elk jaar verschuldigd; voor het eerst zal dit zijn per 31 december 2017.

(…)

ARTIKEL 3 DUUR EN AFLOSSING

3.1.

De Lening wordt aangegaan voor een periode van 6 jaar te rekenen vanaf 31 december 2016 en eindigt derhalve op 31 december 2022.

3.2.

De Lening dient vanaf 1 januari 2018 in 60 gelijke maandelijkse termijnen te worden afgelost”.

3.5.

De andere overeenkomst betreft een overeenkomst tussen De Graaf Zuid als “geldgever” en DeGraaf Contracting als “geldnemer”. De overeenkomst bevat vergelijkbare passages als de passages die hiervoor zijn aangehaald, met dien verstande dat het bedrag van de vordering/lening EUR 64.455,– betreft.

4 De vordering

In zaak 17-339

4.1.

De Ontvanger vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

- primair:

a. de door de Ontvanger jegens DeGraaf Contracting en De Graaf Midden ingeroepen vernietigingsgrond (3:45 BW) ter zake van de omzetting van de vordering van De Graaf Midden op DeGraaf Contracting ad EUR 259.983,– in een lening aanvaardt;

b. voor recht verklaart en vaststelt dat de Ontvanger uit hoofde van het op 27 februari 2017 onder DeGraaf Contracting ten laste van De Graaf Midden gelegde executoriale derdenbeslag onmiddellijk een bedrag van EUR 259.983,– toekomt, ter vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening; en

c. DeGraaf Contracting veroordeelt dit bedrag inclusief rente aan de belastingdeurwaarder te voldoen;

- subsidiair:

a. voor recht verklaart en vaststelt dat de Ontvanger uit hoofde van het op 27 februari 2017 onder DeGraaf Contracting ten laste van De Graaf Midden gelegde executoriale derdenbeslag een bedrag van EUR 259.983,– toekomt, per 1 januari 2018 in zestig gelijke maandelijkse termijnen te betalen, alsmede vanaf 1 januari 2017 2% rente per jaar over het nog niet afgeloste nominale bedrag van de lening van De Graaf Midden aan DeGraaf Contracting, achteraf per 31 december van elk jaar te betalen; en

b. DeGraaf Contracting veroordeelt om aan de belastingdeurwaarder te betalen (i) in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022 maandelijks een bedrag van EUR 4.333,05 en (ii) per 31 december van elk jaar in de periode 31 december 2017 tot en met 31 december 2022 2% rente over het nog niet afgeloste nominale bedrag van de lening;

- DeGraaf Contracting en De Graaf Midden veroordeelt in de kosten van deze procedure.

In zaak 17-340

4.2.

De Ontvanger vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

- primair:

a. de door de Ontvanger jegens DeGraaf Contracting en De Graaf Zuid ingeroepen vernietigingsgrond (3:45 BW) ter zake van de omzetting van de vordering van De Graaf Zuid op DeGraaf Contracting ad EUR 64.455,– in een lening aanvaardt;

b. voor recht verklaart en vaststelt dat de Ontvanger uit hoofde van het op 27 februari 2017 onder DeGraaf Contracting ten laste van De Graaf Zuid gelegde executoriale derdenbeslag onmiddellijk een bedrag van EUR 64.455,– toekomt, ter vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening; en

c. DeGraaf Contracting veroordeelt dit bedrag inclusief rente aan de belastingdeurwaarder te voldoen;

- subsidiair:

a. voor recht verklaart en vaststelt dat de Ontvanger uit hoofde van het op 27 februari 2017 onder DeGraaf Contracting ten laste van De Graaf Zuid gelegde executoriale derdenbeslag een bedrag van EUR 64.455,– toekomt, per 1 januari 2018 in zestig gelijke maandelijkse termijnen te betalen, alsmede vanaf 1 januari 2017 2% rente per jaar over het nog niet afgeloste nominale bedrag van de lening van De Graaf Zuid aan DeGraaf Contracting, achteraf per 31 december van elk jaar te betalen; en

b. DeGraaf Contracting veroordeelt om aan de belastingdeurwaarder te betalen (i) in de periode 1 januari 2018 tot en met 31 december 2022 maandelijks een bedrag van EUR 1.074,25 en (ii) per 31 december van elk jaar in de periode 31 december 2017 tot en met 31 december 2022 2% rente over het nog niet afgeloste nominale bedrag van de lening;

- DeGraaf Contracting en De Graaf Zuid veroordeelt in de kosten van deze procedure.

4.3.

De Ontvanger stelt dat door het omzetten van de opeisbare vorderingen van De Graaf Midden en De Graaf Zuid in geldleningen hij als schuldeiser ten onrechte in zijn verhaalsmogelijkheden is benadeeld. De rechtbank begrijpt de vorderingen van de Ontvanger aldus, dat de Ontvanger in beide zaken primair de omzetting van de vorderingen in leningen met een beroep op artikel 3:45 BW vernietigd wil zien en dat hij zich op de gevolgen van die vernietigbaarheid wenst te beroepen: de afgelegde verklaringen als bedoeld in artikel 476a Rv behoren als onjuist te worden aangemerkt en DeGraaf Contracting kan worden aangesproken tot betaling van de geheel opeisbare vorderingen van De Graaf Midden en De Graaf Zuid.

5 Het verweer

5.1.

DeGraaf c.s. betwist in beide zaken ten aanzien van de primaire vordering dat sprake is van een onverplichte rechtshandeling en van benadeling in de verhaalsmogelijkheden van de Ontvanger. Ten aanzien van de subsidiaire vordering in beide zaken wordt geen verweer gevoerd, zij het dat DeGraaf c.s. meent dat er geen aanleiding was haar in rechte te betrekken waardoor de Ontvanger in kosten van deze procedure moet worden veroordeeld.

6 De beoordeling

6.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de Ontvanger met een beroep op artikel 3:45 BW de omzetting van de opeisbare vorderingen in geldleningen heeft vernietigd. Deze bepaling biedt een schuldeiser de mogelijkheid een rechtshandeling van een schuldenaar te vernietigen als die rechtshandeling tot een vermindering van de verhaalsmogelijkheden leidt. Wil een beroep de vernietigingsgrond van de bepaling slagen dan is vereist dat het gaat om een onverplichte rechtshandeling, waardoor een of meer schuldeisers in hun verhaalsmogelijkheden worden benadeeld en dat de schuldenaar wist of behoorde te weten dat die benadeling het gevolg van de rechtshandeling zou zijn. In gevallen zoals hier, waarin het gaat om een rechtshandeling anders dan om niet, behoort de wetenschap van de benadeling ook aanwezig te zijn bij degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte (artikel 3:45, tweede lid, BW). Deze vereisten worden hierna afzonderlijk besproken.

Onverplichte rechtshandeling?

6.2.

Onverplicht zijn rechtshandelingen die worden verricht zonder dat daartoe een op wet of overeenkomst berustende verplichting bestaat dus zonder dat daartoe een rechtsplicht bestond (HR 10 december 1976, ECLI:NL:HR:1976:AD3286). De Ontvanger heeft gesteld dat het omzetten van de opeisbare vorderingen van De Graaf Midden en De Graaf Zuid in leningen als een onverplichte rechtshandelingen moeten worden aangemerkt. Ter onderbouwing van zijn stelling dat het vóór de omzetting om opeisbare vorderingen ging heeft de Ontvanger gewezen op de in de documenten “overeenkomst van geldlening” opgenomen vooroverwegingen, waarin is opgenomen dat De Graaf Midden en De Graaf Zuid meerdere malen op betaling hebben aangedrongen en dat DeGraaf Contracting tot op dat moment niet in staat was aan haar betalingsverplichtingen te voldoen. DeGraaf c.s. heeft in de conclusie van antwoord in beide zaken betwist dat sprake is van onverplichte rechtshandelingen. Zij stelt dat de op 10 januari 2017 getekende documenten niet als op die dag gesloten geldleningsovereenkomsten moeten worden aangemerkt. Het gaat volgens haar alleen om schriftelijke weergaven van betalingsregelingen die DeGraaf c.s. al in december 2016 mondeling heeft gesloten. De documenten zijn daarmee volgens DeGraaf c.s. enkel een weergave van afspraken over de wijze waarop DeGraaf Contracting aan De Graaf Midden en De Graaf Zuid “haar reeds bestaande (nog niet opeisbare) betalingsverplichting[en] (in geld) behoorde na te komen”.

6.3.

Met haar betwisting wil DeGraaf c.s. zo begrijpt de rechtbank, tot uitdrukking brengen dat het tekenen van de documenten geen wijziging van de situatie inhoudt zoals deze al was na het maken van de afspraken in december 2016: de vorderingen waren reeds vanaf het maken van de mondelinge afspraken in december 2016 niet langer (geheel) opeisbaar en terugbetaling in geld (en niet op andere wijze) is hoe dan ook steeds de afspraak geweest. Anders dan DeGraaf c.s. tot uitgangspunt lijkt te nemen, heeft de Ontvanger zich echter niet op het standpunt gesteld dat het (feitelijke) opstellen en ondertekenen van de documenten op 10 januari 2017 onverplichte rechtshandelingen betreffen, maar dat het omzetten van de opeisbare vorderingen in vorderingen die gedurende een periode van zes jaren in termijnen zullen worden betaald en daarom pas in de toekomst (weer) geheel opeisbaar worden als zodanig moeten worden aangemerkt. Of die omzettingen nu tot stand zijn gekomen op het moment van het tekenen van de documenten op 10 januari 2017 of tijdens het maken van afspraken in december 2016 is daarvoor niet relevant. In beide gevallen heeft daarom te gelden dat het omzetten van de (direct) opeisbare vorderingen in leningen als onverplichte rechtshandeling moet worden aangemerkt.

Benadeling?

6.4.

De Ontvanger stelt dat van benadeling sprake is omdat door de omzettingen geen direct verhaal op de vorderingen meer mogelijk is en daardoor meer onzeker is geworden of de vorderingen uiteindelijk wel volledig betaald gaan worden. DeGraaf c.s. stelt zich op het standpunt dat geen sprake van benadeling van verhaalsmogelijkheden in de zin van artikel 3:45 BW omdat de vorderingen die De Graaf Midden en De Graaf Zuid op DeGraaf Contracting heeft zijn blijven bestaan.

6.5.

Onder benadeling wordt verstaan een vermindering van de mogelijkheden tot verhaal (vgl. HR 22 mei 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0615, NJ 1992/526; HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:ZC3654, NJ 2001/654; HR 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:754 en HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1280). Als onvoldoende weersproken, staat tussen partijen vast dat door de door DeGraaf c.s. gemaakte afspraken het voor de Ontvanger niet langer mogelijk is al op dit moment volledige betaling van de vorderingen van De Graaf Midden en De Graaf Zuid te vorderen. Ook bij derdenbeslag moet een aan een vordering verbonden voorwaarde immers in beginsel door de beslaglegger worden gerespecteerd (artikel 477, derde lid, Rv). Waar de Ontvanger zich zonder deze voorwaarde dus relatief eenvoudig op de vorderingen had kunnen verhalen, hebben de omzettingen tot gevolg dat verhaal lastiger is geworden en langer op zich zal laten wachten. Volledige betaling kan pas eind 2022 worden afgedwongen. Het ligt voor de hand dat de inning daarmee kostbaarder en onzekerder is geworden. Of dat een directe vermogensvermindering oplevert, kan op dit moment niet worden vastgesteld. Mogelijk vormt immers de overeengekomen rentevergoeding een passende compensatie voor de vertraging en eventuele de kosten verbonden aan de met die vertraging samenhangende risico’s. Dat neemt echter niet weg dat het voor lief moeten nemen van de omzettingen en de daaraan in dit geval verbonden voorwaarden al op zichzelf een relevante bemoeilijking van de mogelijkheid tot verhaal opleveren, zodat ook in die zin van benadeling als bedoeld in artikel 3:45 BW kan worden gesproken.

Wetenschap van benadeling?

6.6.

Van wetenschap van benadeling is sprake als ten tijde van de handeling de benadeling met een redelijke mate van waarschijnlijkheid was te voorzien voor zowel de schuldenaar als degene met of jegens wie de schuldenaar de rechtshandeling verrichtte (vgl. HR 7 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:635). Door DeGraaf c.s. is niet betwist dat zij op de hoogte was van de belastingschulden van De Graaf Midden en De Graaf Zuid, de omzettingen en de gevolgen daarvan voor de opeisbaarheid van de vorderingen. Zij heeft slechts betwist dat sprake was van benadeling. Als nu, zoals hiervoor is geoordeeld, moet worden aangenomen dat de omzettingen benadeling in de zin van artikel 3:45 BW opleveren, staat daarmee vast dat De Graaf Midden en De Graaf Zuid als schuldenaren en DeGraaf Contacting als degene met of jegens wie de rechtshandelingen werden verricht hebben moeten begrijpen dat benadeling van de schuldeisers van De Graaf Midden en De Graaf Zuid van die omzettingen het te verwachten gevolg was.

Gevolgtrekkingen uit het voorgaande

6.7.

Nu is voldaan aan de vereisten van artikel 3:45 BW stelt de Ontvanger zich terecht op het standpunt dat het omzetten van de opeisbare vorderingen in leningen vatbaar is voor vernietiging. Vernietiging heeft terugwerkende kracht tot het moment waarop de vernietigde rechtshandeling werd verricht. Het gevolg van de vernietiging is hier dat de vorderingen dus moeten worden geacht niet zijn omgezet in leningen en daarmee ook ten tijde van de beslaglegging geheel opeisbaar waren. Dat betekent dat de door DeGraaf Contracting gedane verklaringen als bedoeld in artikel 476a Rv onjuist zijn. Deze verklaringen vermelden immers weliswaar dat DeGraaf Contracting een bedrag van EUR 259.983,– verschuldigd is aan De Graaf Midden respectievelijk een bedrag van EUR 64.455,– aan De Graaf Zuid, maar in die verklaringen is ten onrechte vermeld dat deze bedragen nog niet (geheel) opeisbaar zijn.

6.8.

Niet gebleken is echter dat de Ontvanger de vernietiging al daadwerkelijk heeft ingeroepen. Evenmin heeft de Ontvanger in deze procedure vernietiging gevorderd. De rechtbank begrijpt de vorderingen van de Ontvanger in beide zaken daarom aldus dat hij op grond van deze vernietigbaarheid reeds nu veroordeling van DeGraaf Contracting tot betaling wenst. Die vordering zal in beide zaken worden toegewezen. De Ontvanger heeft niet onderbouwd welk zelfstandig belang hij, naast een veroordeling tot betaling, heeft bij de in beide zaken gevorderde verklaringen voor recht jegens De Graaf Midden en De Graaf Zuid. Volstaan kan daarom worden met de gevorderde veroordeling tot betaling. De gevorderde verklaringen voor recht zullen worden afgewezen.

6.9.

In zaak 17-339 wordt DeGraaf Contracting veroordeeld tot betaling van een bedrag van EUR 259.983,–. In mindering op dit bedrag moeten worden gebracht de bedragen die DeGraaf Contracting al uit hoofde van aflossing en rente heeft betaald. De gevorderde wettelijke rente over de gevorderde bedragen te rekenen vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening is niet betwist en kan dus ook worden toegewezen.

6.10.

In zaak 17-340 wordt DeGraaf Contracting veroordeeld tot betaling van een bedrag van EUR 64.455,–. In mindering op dit bedrag moeten worden gebracht de bedragen die DeGraaf Contracting al uit hoofde van aflossing en rente heeft betaald. De gevorderde wettelijke rente over de gevorderde bedragen te rekenen vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening is niet betwist en kan dus ook worden toegewezen.

6.11.

De proceskosten zullen in beide zaken worden gecompenseerd, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt. De vorderingen tot veroordeling van DeGraaf Contracting tot betaling worden weliswaar toegewezen, maar de Ontvanger heeft ook De Graaf Midden en De Graaf Zuid in rechte betrokken zonder onderbouwing van de aanleiding daarvoor.

7 De beslissing

De rechtbank

In zaak 17-339

7.1.

veroordeelt DeGraaf Contracting om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de belastingdeurwaarder te betalen een bedrag van EUR 259.983,– , te verminderen met de door DeGraaf Contracting al betaalde bedragen wegens rente en aflossing en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

7.2.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;

7.3.

wijst het meer of anders gevorderde af;

7.4.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

In zaak 17-340

7.5.

veroordeelt DeGraaf Contracting om, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan de belastingdeurwaarder te betalen een bedrag van EUR 64.455,– , te verminderen met de door DeGraaf Contracting al betaalde bedragen wegens rente en aflossing en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2017 tot aan de dag van algehele voldoening;

7.6.

compenseert de proceskosten in die zin dat ieder der partijen de eigen proceskosten draagt;

7.7.

wijst het meer of anders gevorderde af;

7.8.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 7 maart 2018.