Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1461

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
30-03-2018
Datum publicatie
30-03-2018
Zaaknummer
05/800693-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf voor wraakporno en voor bedreiging politie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/800693-13

Datum uitspraak : 30 maart 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1965 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Raadsman: mr. M. van Kan, advocaat te Zutphen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 16 maart 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 13 september 2012 te Zutphen opzettelijk [slachtoffer] in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding heeft beledigd door een video (nummer [X 1] ) te uploaden op de internetsite [website 1] waarop seksuele handelingen van die [slachtoffer] te zien zijn en/of

door daarbij te vermelden ondermeer de woorden "blowjob pijpen Zutphen [slachtoffer] Zuigen op nice dick";

2.

hij op of omstreeks 2 september 2013 te Zutphen opzettelijk [slachtoffer] in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding heeft beledigd door een video (nummer [X 2] ) te uploaden op de internetsite [website 2] waarop seksuele handelingen van die [slachtoffer] te zien zijn en/of

door daarbij te vermelden ondermeer de woorden "zuigenzutphen";

3.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 november 2013 tot en met 20 november 2013, te Zutphen, althans in Nederland telkens de agenten van de politie Zutphen (schriftelijk en onder voorwaarden) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte telkens in (een) email berichten

(inhoudende klachten tegen de politie Zutphen) dreigend de woorden toegevoegd :"Wanneer ik voor een actie tegen deze wetteloze agentjes wordt opgepakt, zal ik deze klacht bij de rechter zichtbaar maken en ik zal niet veroordeeld worden voor de moord op deze agenten, aangezien ik wetteloos ben verklaard." en/of "Ik zal strijdend ten onder gaan en wanneer er een bericht over Zutphen en politie op tv komt moet u nog maar even aan mijn verhaal denken, aangezien

het waarschijnlijk zal gaan over doodslag of poging hiervan door mij.", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of onder de door hem, verdachte, gestelde voorwaarden dat zijn klachten in behandeling worden genomen.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Aanleiding onderzoek

Op 26 september 2012 deed [slachtoffer] aangifte van smaad(schrift) en/of laster. Een seksfilmpje waarop aangeefster zichzelf herkende, stond op diverse internetsites. Op 10 oktober 2012 diende [slachtoffer] een klacht in om vervolging in te stellen van de mogelijke daders(s) naar aanleiding van haar aangifte.

Op 20 november 2013 deed [verbalisant 1] als toegevoegd groepschef en lid van de teamleiding van de politie team Zutphen aangifte van bedreiging. De bedreiging bestond uit twee e-mails die haar onder ogen kwamen en waarin bedreigende taal geuit werd naar de politie. Eén van deze e-mails betrof een bericht van 19 november 2013 gericht aan een medewerker van de afdeling Veiligheid, Integriteit en Klachten (VIK) van de politie Noord- en Oost-Gelderland. De andere e-mail betrof een bericht van 20 november 2013 gericht aan een journalist van de [naam 1] die de inhoud van de e-mail dermate zorgelijk vond dat hij de politie daarvan in kennis stelde.

Op 2 december 2013 deed [slachtoffer] aangifte van smaad(schrift). Op 28 november 2013 was aangeefster er achter gekomen dat er beelden van haar op het internet stonden waarop zij seks had. Op 19 juli 2014 diende [slachtoffer] een klacht in om vervolging in te stellen van de mogelijke daders(s) naar aanleiding van haar aangifte.

Via een procedure inzake artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering met betrekking tot (voor zover hier van belang) feit 1, werd alsnog strafvervolging ingesteld.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten. De officier van justitie heeft de bewijsmiddelen ter terechtzitting opgesomd en toegelicht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten. De filmpjes zijn niet beledigend. Aangeefster vond het evenmin afkeurenswaardig, want zij heeft aan het maken van de filmpjes meegewerkt. Verdachte heeft wel eens een filmpje van aangeefster gemaakt, maar hij heeft nooit over het filmpje beschikt. Bovendien is verdachte niet in staat geweest om de filmpjes op internet te zetten. Hij heeft bij een motorongeval een hersenbeschadiging opgelopen en sedertdien kan hij alleen nog maar met behulp van derden de computer bedienen. Verder is niet onderzocht van welk apparaat de geüploade filmpjes afkomstig waren, nu de politie geen onderzoek heeft gedaan naar het IMEI- en/of MAC-adres.

Ook van het derde ten laste gelegde feit dient verdachte te worden vrijgesproken, nu van een concrete dreiging met een misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling geen sprake is. Bovendien is er geen enkele concrete persoon die het voorwerp van de bedreiging zou zijn, met name [verbalisant 1] niet.

Beoordeling door de rechtbank

Feit 1

In haar aangifte heeft [slachtoffer] verklaard dat verdachte haar een keer heeft gefilmd terwijl zij seks met hem had. Nu staan er op diverse sekssites beelden van aangeefster en verdachte terwijl zij seks hebben.2 Op 22 september 2012 werd aangeefster door een kennis aangesproken. Deze kennis vertelde haar dat er videobeelden op sekssites zichtbaar waren, waarin aangeefster sekshandelingen verricht. Ook zou haar naam erbij vermeld staan. Op [website 1] staat twee versies, te weten “ [slachtoffer] Zutphen pijpe …” en “ [slachtoffer] videos, page 1”.3 Zij herkent zichzelf op de beelden. Zij is het die daar seks heeft. Zij heeft het zelf niet op internet gezet. Zij heeft geen account bij [website 3] of bij één of andere sekssite.4

Met haar klacht heeft [slachtoffer] uitdrukkelijk verzocht om de vervolging van verdachte.5

Verbalisant [naam 2] heeft verklaard dat de video’s zijn geüpload op de websites [website 1] en [website 2]. Het IP-adres van de uploader luidde [IP-adres 1] .6 De provider van het IP-adres bleek [naam 3] te zijn. De NAW-gegevens van het IP-adres bleken te zijn: [verdachte] , [adres] . Uit de SDKB-staat van 31 januari 2018 blijkt dat dit het toenmalige woonadres van verdachte was.7 Het betrof een internetaansluiting van [naam 3] , verbindsoort kabel.8 De video’s zijn geüpload op 13 september 2012.9

Feit 2

In haar aangifte heeft [slachtoffer] verklaard dat zij op 28 november 2013 erachter kwam dat er opnieuw beelden van haar op sekssites staan waarin zij seks heeft. Zij weet dat verdachte haar tijdens hun relatie heeft gefilmd terwijl zij seks met hem had. Zij kwam hierachter toen zij haar naam op google intypte. Zij herkent zichzelf op de beelden. Zij is het die daar seks heeft. Zij heeft ook geen account bij een of andere sekssite. Zij voelt zich in haar eer aangetast. Zij is niet de persoon die de beelden op internet heeft gezet.10

Met haar klacht heeft [slachtoffer] uitdrukkelijk verzocht om de vervolging van de mogelijke daders.11

Verbalisant [naam 4] heeft verklaard dat zij een filmpje heeft bekeken welke op de internetsite [website 2] stond. Het filmpje stond geregistreerd onder “ [X 2] /zuigenzutphen”. Te zien is dat een vrouw op haar rechterzij op een bed ligt. Haar onderlichaam is bedekt met een wit laken. Van de vrouw is alleen haar hoofd en een deel van haar bovenlichaam te zien. Verbalisant herkent de vrouw als zijnde aangeefster. Haar hoofd ligt op de buik van een man. Van de man is alleen zijn penis en een deel van de buik te zien. De vrouw pijpt de man. Ze heeft afwisselend de penis in haar mond dan wel likt ze de penis.12

Verbalisant [naam 4] heeft verder verklaard dat [website 2] een bronsite is die is aangeschreven met de vraag om aan te geven wat hun condities om van die internetsite informatie te verkrijgen over een subscriber behorende bij een filmpje/foto op hun site. De uploader van de video “ [X 2] /zuigenzutphen” heeft als emailadres [emailadres] en IP-adres: [IP-adres 2] . De uploaddatum van het filmpje was
2 september 2013.13 Dit IP-adres behoorde gedurende de periode 1 juli 2013 tot en met
31 december 2013 toe aan [verdachte] . Op genoemde website kunnen alleen filmpjes worden geüpload als je lid bent. Als je lid bent geworden krijg je een e-mail dat je lid bent geworden. Uit het verhoor van verdachte is te lezen dat hij aangeeft dat [emailadres] één van zijn e-mailadressen is. Daarnaast is het verbalisant ambtshalve bekend dat van verdachte in september en oktober 2013 klachten aan de politie zijn gericht waarbij het e-mailadres [emailadres] gebruikt is.14

Verdere overwegingen met betrekking tot feiten 1 en 2

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte de filmpjes van aangeefster heeft geüpload en aangeefster daardoor heeft beledigd. Dit blijkt uit het volgende.

Uit het dossier blijkt dat aangeefster naakt te zien is in de video’s dan wel dat zij seksuele handelingen verricht en zij heeft zichzelf daarop ook herkend. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat er filmopnames zijn gemaakt van seksuele handelingen tussen hem en aangeefster.15

Uit het dossier komt naar voren dat de video zoals bedoeld in feit 1 op 13 september 2012 vanaf het IP-adres dat toebehoorde aan verdachte is geüpload. De video zoals bedoeld in feit 2 is op 2 september 2013 vanaf het IP-adres dat aan verdachte toebehoorde, geüpload. Bovendien is voor het uploaden op de website [website 2] een lidmaatschap vereist. Na de aanmelding wordt een bevestigingsmail verstuurd naar het e-mailadres dat is opgegeven bij deze aanmelding. Het e-mailadres dat in dit geval is opgegeven, is [emailadres], een e-mailadres dat verdachte in gebruik had, zo heeft hij verklaard.

Uit de aangiften en verdachtes verklaringen blijkt dat tussen hem en aangeefster ernstige relationele problemen zijn ontstaan. Naar het oordeel van de rechtbank ligt hierin het motief voor de wraakporno besloten.

De rechtbank acht verdachtes verklaringen over een alternatieve toedracht niet aannemelijk geworden. Zo heeft verdachte ter zitting verklaard dat aangeefster mogelijk zelf de video’s heeft geupload. Ten aanzien van dat scenario is de rechtbank van oordeel dat dit speculatief en onvoldoende onderbouwd is, en dat ieder begin van aannemelijkheid voor die verklaring ontbreekt. Het circuleren van de opnames op internet is immers voor aangeefster zelf zeer diffamerend.

De rechtbank overweegt verder dat niet aannemelijk is dat een ander (dan hij of aangeefster) de opnames op internet heeft geplaatst. Dit scenario is ook alleen dan mogelijk indien iemand van de wifi van verdachte gebruik kan maken, over beide video’s zou beschikken, ook verdachtes e-mailadres en wachtwoord moet kunnen beheren en een motief zou moeten hebben om zowel aangeefster als verdachte (die naar zijn zeggen niet herkenbaar in beeld is) op deze wijze in diskrediet te brengen. Hiervoor biedt het dossier geen enkele concrete aanwijzing.

Het betoog van de raadsman dat de filmpjes niet beledigend zijn, wordt verworpen. De rechtbank overweegt daartoe dat het vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is dat een gedraging beledigend is als zij de strekking heeft de ander bij het publiek in een ongunstig daglicht te stellen en hem aan te randen in zijn eer en goede naam. De rechtbank is van oordeel dat door het plaatsen van bovengenoemd filmpje op het internet verdachte inbreuk heeft gemaakt op aangeefsters recht op onaantastbaarheid van haar lichaam en het respect waarop iemand als mens, als zedelijk wezen, aanspraak mag maken. Derhalve is aangeefster in een ongunstig daglicht gesteld en in haar eer en goede naam gekrenkt. Het verweer van de raadsman dat het filmpje niet beledigend zou zijn, verwerpt de rechtbank dan ook. De rechtbank merkt verder op dat indien iemand in de beslotenheid van een relatie meewerkt aan het maken van een filmpje, dit niet meebrengt dat men dan ook meewerkt aan verspreiding daarvan, laat staan via het internet.

Feit 3

In haar aangifte heeft [verbalisant 1] verklaard dat zij toegevoegd groepschef en lid van de teamleiding van team Zutphen is. Op 20 november 2013 was zij aan het werk op het bureau van politie te Zutphen. Collega [naam 5] stuurde haar op 20 november 2013 om 14:18 uur een email gestuurd die verdachte naar aanleiding van de afhandeling van een klacht naar de afdeling VIK heeft gestuurd. Zij zag dat deze reactie op 19 november 2013 om 11:37 uur naar [naam 6] , een medewerker van de afdeling VIK gemaild was. De tekst luidde (onder meer):16 “wanneer ik voor een actie tegen deze wetteloze agentjes wordt opgepakt, zal ik deze klacht bij de rechter zichtbaar maken en ik zal niet veroordeeld worden voor de moord op deze agenten, aangezien ik wetteloos ben verklaard”. De toon van de mails van verdachte wordt alsmaar dreigender. Aangeefster voelde zich als leidinggevende van het politieteam Zutphen verantwoordelijk voor de veiligheid van de medewerkers van het team en zij was na het lezen van deze mail bang dat verdachte nu helemaal de weg kwijt was en zijn dreigementen zou gaan uitvoeren. Zij was en is bang dat hij haar medewerkers geweld gaat aandoen en har en hun veiligheid in het gedrag was.17

Omstreeks 17:00 uur werd zij door de dagcoördinator gewezen op een mail die een journalist van verdachte had gekregen. De journalist heeft de mail doorgestuurd en de tekst luidde (onder meer): “ik zal strijdend ten onder gaan en wanneer er een bericht over Zutphen en de politie op tv komt, moet u nog maar even aan mijn verhaal denken, aangezien het waarschijnlijk zal gaan over doodslag of poging hiervan door mij”.18

Verbalisant [naam 4] heeft verklaard dat de email aan de journalist van de [naam 1] is verstuurd vanaf IP-adres [IP-adres 2] . Voor de periode 1 juli 2013 tot en met 31 december 2013 stond dit IP-adres op naam van verdachte.19

Verdachte heeft verklaard dat hij de toon van de mail (verstuurd op 13 nov) wel herkent, maar de mail niet. Hij kan zich wel voorstellen dat hij de mail heeft gestuurd. Het zou kunnen dat hij deze email in een emotie heeft verstuurd. Hij beschikt over het emailadres [emailadres].20

De rechtbank is van oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte het feit heeft begaan. Verdachte heeft bekend dat hij de e-mail aan de politie heeft gestuurd met de bedreigende teksten. Verder komt uit het dossier naar voren dat de e-mail aan de journalist van de [naam 1] afkomstig was van het IP-adres dat in die periode toebehoorde aan verdachte. De tekst in de e-mail gericht aan de [naam 1] verwijst zozeer terug naar de tekst in de mail waarover verdachte heeft verklaard dat hij die naar de politie heeft gestuurd, in combinatie met het IP-adres van verdachte, dat de rechtbank niet alleen wettig maar ook overtuigend bewezen acht dat deze mail van verdachte afkomstig is. Naar het oordeel van de rechtbank is het dan ook verdachte geweest die deze e-mail heeft gestuurd.

Ten aanzien van het verweer van de raadsman dat van een concrete bedreiging geen sprake is, is de rechtbank van oordeel dat uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de bedreiging van dien aard moet zijn en onder zulke omstandigheden zijn gedaan dat deze in het algemeen een redelijke vrees kan opwekken. Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak aan dit criterium voldaan, gelet op de geuite en gekozen woorden. Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 13 september 2012 te Zutphen opzettelijk [slachtoffer] in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding heeft beledigd door een video (nummer [X 1] ) te uploaden op de internetsite [website 1] waarop seksuele handelingen van die [slachtoffer] te zien zijn en/of

door daarbij te vermelden onder meer de woorden "blowjob pijpen Zutphen [slachtoffer] Zuigen op nice dick";

2.

hij op of omstreeks 2 september 2013 te Zutphen opzettelijk [slachtoffer] in het openbaar bij geschrift en/of afbeelding heeft beledigd door een video (nummer [X 2] ) te uploaden op de internetsite [website 2] waarop seksuele handelingen van die [slachtoffer] te zien zijn en/of

door daarbij te vermelden onder meer de woorden "zuigenzutphen";

3.

hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 19 november 2013 tot en met 20 november 2013, te Zutphen, althans in Nederland telkens de agenten van de politie Zutphen (schriftelijk en onder voorwaarden) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte telkens in (een) e-mail berichten

(inhoudende klachten tegen de politie Zutphen) dreigend de woorden toegevoegd :"Wanneer ik voor een actie tegen deze wetteloze agentjes wordt opgepakt, zal ik deze klacht bij de rechter zichtbaar maken en ik zal niet veroordeeld worden voor de moord op deze agenten, aangezien ik wetteloos ben verklaard." en/of "Ik zal strijdend ten onder gaan en wanneer er een bericht over Zutphen en politie op tv komt moet u nog maar even aan mijn verhaal denken, aangezien

het waarschijnlijk zal gaan over doodslag of poging hiervan door mij.", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of onder de door hem, verdachte, gestelde voorwaarden dat zijn klachten in behandeling worden genomen.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

ten aanzien van de feiten 1 en 2, telkens:

eenvoudige belediging;

ten aanzien van feit 3:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, meermalen gepleegd.

5 De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf ter hoogte van 120 uren subsidiair 60 dagen vervangende hechtenis.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 31 januari 2018;

- een voorlichtingsrapportage van de reclassering, gedateerd 16 oktober 2012.

De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belediging door filmpjes van aangeefster waarop zij naakt is afgebeeld dan wel waarop te zien is dat zij seksuele handelingen verricht, openbaar te maken door deze filmpjes op internet te zetten. Deze vorm van wraakporno heeft verstrekkende gevolgen voor aangeefster. De rechtbank neemt het verdachte vooral kwalijk dat hij door zijn handelen een inbreuk heeft gemaakt op de morele integriteit van aangeefster. De ervaring leert dat het nagenoeg niet mogelijk is dergelijke beelden van internet te verwijderen, zodat aangeefster daardoor steeds dan wel langere tijd wordt achtervolgd. Voorts heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van de politie in Zutphen. De bedreigingen zullen angstige gevoelens teweeg gebracht hebben bij de politie.

De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is overschreden. Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en de Hoge Raad volgt dat de redelijke termijn aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Verdachte is op 16 oktober 2012 aangehouden. Op dat moment is de redelijke termijn aangevangen. Als uitgangspunt dient te gelden dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. De rechtbank is van oordeel dat enig tijdsverloop ten aanzien van feit 1 en gelet op de verwevenheid ook ten aanzien van feit 2 te rechtvaardigen is door de omstandigheid dat een procedure in het kader van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering is gevolgd. Ten aanzien van feit 3 valt in het dossier nauwelijks een voldoende rechtvaardiging voor het tijdsverloop aan te wijzen.

De rechtbank heeft echter ook geconstateerd dat de zaak voor het eerst op 4 september 2017 bij de rechtbank heeft gediend, terwijl het voorbereidend politieonderzoek al op 10 februari 2016 is gesloten. Enig tijdsverloop dient dan ook niet voor rekening van verdachte te komen. De rechtbank zal aan de overschrijding geen rechtgevolg verbinden.

De rechtbank is van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden waarvan twee maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren passend en geboden is. De rechtbank is van oordeel dat de ernst van het feit en met name de gevolgen van de wraakporno voor het slachtoffer, niet een werkstraf, zoals door de officier van justitie is geëist, rechtvaardigen, maar een vrijheidsstraf, ook al gaat het om oudere feiten. Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank geen bijzondere voorwaarden verbinden, gelet op het ontbreken van een reclasseringsadvies op dat punt.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 20.214,25 vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de immateriële schade heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze voor toewijzing vatbaar is. De reiskosten zijn gemaakt om bij de vorige zitting aanwezig te zijn, ook deze kosten zijn voor toewijzing vatbaar. Ten aanzien van de verhuiskosten en het verlies aan inkomen heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De officier van justitie heeft verzocht de wettelijke rente toe te wijzen en de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van aangeefster niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Haar “schade” is niet veroorzaakt door één van de feiten, maar door haar vertrek naar [land] . Niemand heeft haar daartoe gedwongen.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van de materiële schade is de rechtbank van oordeel dat deze niet-ontvankelijk moet worden verklaard, nu deze onvoldoende is onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen de hierna te melden immateriële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering dient tot een bedrag van € 3.000,-,te weten immateriële schade, te worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2012.

Wat betreft het meer of anders gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 266 en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden;

  • -

    bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 2 (twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde voor het einde van de proeftijd die op twee jaren wordt bepaald;

  • -

    dat de veroordeelde zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

 veroordeelt verdachte ten aanzien van de feiten 1 en 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van € 3.000,- (drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 3.000,- (drieduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 40 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Tegelaar (voorzitter), mr. M.C. van der Mei en mr. Y. Cenik, rechters, in tegenwoordigheid van mr. P. Hoesstee-ter Haar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 30 maart 2018.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant 2] , brigadier van de politie eenheid Oost-Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, districtsrecherche Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016057401, gesloten op 10 februari 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 23.

3 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 24.

4 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p. 26.

5 Proces-verbaal van klacht van [slachtoffer] , p 31.

6 Proces-verbaal van bevindingen, p. 32.

7 Informatiestaat SKDB-personen met betrekking tot verdachte d.d. 31 januari 2018, los document.

8 Proces-verbaal van bevindingen, p. 33.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 59.

10 Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] , p 94.

11 Proces-verbaal van klacht van [slachtoffer] , p 111.

12 Proces-verbaal van bevindingen, p. 112.

13 Proces-verbaal van bevindingen, p. 114.

14 Proces-verbaal van bevindingen, p. 115.

15 Proces-verbaal terechtzitting

16 Proces-verbaal van aangifte van [verbalisant 1] , p. 78.

17 Proces-verbaal van aangifte van [verbalisant 1] , p. 79.

18 Proces-verbaal van aangifte van [verbalisant 1] , p. 80.

19 Proces-verbaal van bevindingen, p 84.

20 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 86.