Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1318

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
26-03-2018
Datum publicatie
26-03-2018
Zaaknummer
05/800132-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 108 dagen voorwaardelijk voor poging tot zware mishandeling en bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/800132-17

Datum uitspraak : 26 maart 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum 1] 1966 te [geboorteplaats 1] , op dit moment gedetineerd in P.I. Arnhem - HvB Arnhem Zuid te Arnhem.

Raadsvrouw: mr. R.G. Jagesar, advocaat te Zoetermeer.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van

12 maart 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 22 augustus 2017 te Doornspijk, gemeente Elburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer]

opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade - van het leven te

beroven, door die [slachtoffer] , die op dat moment op de Klaterweg fietste, met een

auto van achter aan te rijden, waarna die [slachtoffer] met de fiets ten val is

gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

hij op of omstreeks 22 augustus 2017 te Doornspijk, gemeente Elburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door die [slachtoffer] , die op dat moment op de Klaterweg fietste, met een auto van achter aan te rijden, waarna die [slachtoffer] met de fiets ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 augustus

2017 tot 07 november 2017 in de gemeente Zoetermeer en/of te Doornspijk,

gemeente Elburg, althans in Nederland meermalen, althans éénmaal [slachtoffer]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met

zware mishandeling, door tegen zijn zoon [naam] één of meermalen te

zeggen en/of aan te geven dat: "hij, verdachte, weet waar genoemde [slachtoffer]

woont en werkt en dat zij haar verjaardag en de feestdagen niet zal halen"

en/of "dat hij, verdachte, haar die avond in augustus heeft aangereden en/of

dat hij, verdachte, toen een shotgun bij zich heeft gehad en/of toen heeft

getracht haar dood te schieten, maar dat de shotgun weigerde" en/of dat hij,

verdachte, zich nu heeft vermomd met baard en snor en dat hij haar door het

hoofd wil schieten en dan zichzelf, althans telkens woorden van gelijke

dreigende aard of strekking, welke bedreigingen voornoemde [slachtoffer] van die

[naam] te horen heeft gekregen;

3.

hij op of omstreeks 29 november 2017 in de gemeente Zoetermeer een wapen van

categorie III, te weten een alarmpistool, merk Rohm voorhanden heeft gehad.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 22 augustus 2017 heeft verdachte de fiets van [slachtoffer] (hierna: [slachtoffer] ), die op dat moment op de Klaterweg in Elburg (gemeente Doornspijk) fietste, met de auto geraakt. [slachtoffer] is hierdoor ten val gekomen.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft integrale vrijspraak bepleit. Verdachte had geen opzet of voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] of op het bij [slachtoffer] toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Verdachte reed met een lage snelheid richting [slachtoffer] . Hij wilde [slachtoffer] tot stoppen manen om met haar te praten en is per ongeluk tegen de achterzijde van haar fiets gereden.

De beoordeling door de rechtbank

Verdachte wordt verweten dat hij [slachtoffer] opzettelijk heeft aangereden en daarmee heeft geprobeerd haar dood te rijden of zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Voor de beoordeling hiervan is onder meer van belang hoe hard verdachte reed en op welke plek hij de fiets van [slachtoffer] met zijn auto heeft geraakt. Ook is van belang wat de bedoeling van verdachte was. Met andere woorden moet worden gekeken naar waar het (voorwaardelijk) opzet van verdachte op gericht was.

Aangeefster heeft verklaard dat ze een auto op haar in hoorde lopen. De auto haalde haar niet meteen in. Ze voelde direct daarop een harde knal. Ze had meteen door dat de auto haar van achteren had aangereden. Door de klap op haar achterwiel schoot haar fiets omhoog. Ze maakte bijna een ‘weelie’ en draaide door de klap naar links. Hierdoor ging ze met haar fiets onderuit.3

[slachtoffer] heeft verder verklaard dat ze achterom keek toen ze de auto aan hoorde komen. Ze draaide zich daarna om en ging rechts op de weg fietsen. Toen ze de auto dichterbij hoorde komen wilde ze nog een keer omkijken, maar op dat moment werd ze aangereden. In de auto zat [verdachte] .4 Volgens [slachtoffer] ging de aanrijding niet ‘achterlijk hard’. Als haar ex (verdachte) haar dood had willen rijden, dan had hij wel harder gereden, zo heeft zij verklaard.

Verdachte heeft verklaard dat hij achter [slachtoffer] aan is gereden. Toen hij ging rijden, reed hij rond de 80 kilometer per uur, maar toen hij bij aangeefster was reed hij rond de 5 of 10 kilometer per uur. Verdachte was zich ervan bewust dat hij de auto in de richting van aangeefster stuurde.5

De eerste vraag is hoe verdachte de fiets van [slachtoffer] heeft geraakt. Een aanrijding van achteren, waarbij de fietser een aanrijding niet ziet aankomen en zich dus ook niet kan voorbereiden op een val, kan immers een andere impact hebben dan een aanrijding van de voor- of zijkant. Verdachte heeft verklaard dat hij de fiets van [slachtoffer] rechtsvoor moet hebben geraakt, [slachtoffer] zegt van achteren. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [slachtoffer] , in het bijzonder niet nu [slachtoffer] de rol van verdachte niet ‘aandikt’ door bijvoorbeeld te zeggen dat verdachte met hoge snelheid reed. Zij verklaart juist dat de aanrijding niet hard ging en dat verdachte wel harder had gereden als verdachte haar dood had willen rijden. De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte de fiets van [slachtoffer] aan de achterzijde met zijn auto heeft geraakt.

Vervolgens is de vraag hoe hard verdachte heeft gereden op het moment van de aanrijding.

De rechtbank constateert op basis van de verklaring van [slachtoffer] en de verklaring van verdachte dat verdachte met lage snelheid reed toen zijn auto de fiets van [slachtoffer] raakte. Dat verdachte niet hard tegen de fiets is aangereden, wordt ondersteund door het feit dat de fiets van [slachtoffer] relatief weinig schade had.

Primair is ten laste gelegd dat verdachte [slachtoffer] – al dan niet met voorbedachten rade – heeft geprobeerd om het leven te brengen. De rechtbank kan op basis van het dossier en op basis van het onderzoek ter terechtzitting niet vaststellen dat verdachte de bedoeling (opzet) had om [slachtoffer] van het leven te beroven door haar met zijn auto aan te rijden en kan daarom niet vaststellen dat verdachte ‘vol’ opzet had op de dood van [slachtoffer] . Dan had verdachte wel met hoge snelheid op haar ingereden. De rechtbank acht ook niet bewezen dat bij verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] . Gelet op het feit dat met lage snelheid tegen de fiets van [slachtoffer] aan is gereden, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans bestond op de dood van [slachtoffer] .

De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 1 primair ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 1 subsidiair ten laste gelegde overweegt de rechtbank het volgende.
Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] geen letsel wilde toebrengen. De rechtbank kan gelet op deze verklaring en gelet op de andere informatie uit het dossier niet vaststellen dat verdachte de bedoeling (‘vol’ opzet) had om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Ook in dat geval had verdachte immers wel harder gereden. Voor een bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde is evenwel voldoende dat bij verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet daarop.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte met zijn handelen de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel op zou lopen. Verdachte heeft de fiets van [slachtoffer] , op een voor [slachtoffer] onverwachte manier, aan de achterzijde, aangereden. [slachtoffer] zag niet aankomen dat de auto van verdachte haar fiets zou raken, waardoor zij geen gelegenheid heeft gehad om van de auto af te sturen of om zich voor te bereiden op een val met de fiets. [slachtoffer] was als fietser – zeker ten opzichte van de auto – kwetsbaar in het verkeer. De impact van een aanraking tussen een auto en een fiets is groot, ook al rijdt een auto niet hard. [slachtoffer] had zeer ongelukkig ten val kunnen komen en had daarbij zwaar lichamelijk letsel, bijvoorbeeld letsel aan haar nek of hoofd, op kunnen lopen. Het risico op dergelijk zwaar lichamelijk letsel is volgens de rechtbank naar algemene maatstaven aanmerkelijk. Dat is een feit van algemene bekendheid en was dus ook bij de verdachte bekend. Verdachte heeft bewust met de auto in de richting van de fiets van [slachtoffer] gestuurd en heeft haar vervolgens aangereden. De rechtbank acht niet aannemelijk dat hij [slachtoffer] per ongeluk heeft geraakt, zoals door de raadsvrouw is gesteld. Verdachte heeft immers verklaard dat hij [slachtoffer] probeerde te laten stoppen en daarom naar haar toe stuurde.6 Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte, door zo te handelen, gelet op het voorgaande welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht. Hij had daarmee voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel bij [slachtoffer] .

De rechtbank acht bewezen dat verdachte en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Feit 2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat kan worden bewezen dat verdachte [slachtoffer] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht. Alle ten laste gelegde bewoordingen kunnen worden bewezen.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft primair gesteld dat niet kan worden bewezen dat verdachte de bedreigende bewoordingen heeft geuit aan zijn zoon, [naam] . De screenshots van de WhatsApp-gesprekken tussen [slachtoffer] en [naam] zijn niet betrouwbaar en kunnen niet als bewijs worden gebruikt. Er is onvoldoende onderzoek gedaan naar de screenshots van de WhatsApp-gesprekken. [slachtoffer] kan de gesprekken in elkaar hebben gezet.
Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat verdachte (voorwaardelijk) opzet had op het teweegbrengen van vrees bij [slachtoffer] en op het feit dat [slachtoffer] op de hoogte zou raken van bedreigende woorden. Verdachte heeft grootspraak gebruikt richting zijn kinderen en had geen opzet op het ter kennis brengen van zijn bewoordingen aan [slachtoffer] .

Ten aanzien van de woorden "dat hij, verdachte, haar die avond in augustus heeft aangereden en/of dat hij, verdachte, toen een shotgun bij zich heeft gehad en/of toen heeft getracht haar dood te schieten, maar dat de shotgun weigerde" en de woorden “dat hij zich nu heeft vermomd met baard en snor en dat hij haar door het hoofd wil schieten en dan zichzelf” bevat het dossier naast de verklaring van [slachtoffer] onvoldoende steunbewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen.

De beoordeling door de rechtbank

[slachtoffer] heeft verklaard dat [naam] haar op 6 november 2017 heeft gebeld over het feit dat verdachte hem eind augustus in detail heeft verteld dat hij [slachtoffer] had aangereden. [naam] zei dat verdachte had gezegd dat hij toen een shotgun had meegenomen en dat hij had geprobeerd om aangeefster dood te schieten met de shotgun. Dit lukte niet omdat de shotgun weigerde. Hierna vertelde [naam] aan [slachtoffer] dat verdachte een nieuw plan had om haar te vermoorden. Verdachte had verteld dat hij zijn vermomming daarvoor in orde had gebracht. Verdachte had aangegeven dat hij zijn haren bruin wilde verven en een baard en snor wilde laten zetten. Verdachte gaf aan dat hij eerst [slachtoffer] door het hoofd wilde schieten en dan zichzelf.7

Verdachte heeft verklaard dat hij met [naam] over de aanrijding op 22 augustus 2017 heeft gesproken.8 Hij heeft verder verklaard dat hij [slachtoffer] wilde doodschieten door al het gebeuren en dat het doodschieten van [slachtoffer] in het begin wel in hem is opgekomen.9 Ook heeft verdachte verklaard dat het zou kunnen dat hij gezegd heeft dat hij een nieuw plan had om [slachtoffer] te vermoorden.10

De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van [slachtoffer] in voldoende mate steun vindt in de verklaring van verdachte. Zij acht bewezen dat verdachte de door [slachtoffer] aangehaalde woorden aan zijn zoon [naam] heeft geuit.

De door verdachte gebruikte bewoordingen zijn bedreigend van aard en hebben [slachtoffer] op 6 november 2017 bereikt. De rechtbank is van oordeel dat bij [slachtoffer] de redelijke vrees kon ontstaan dat zij het leven zou kunnen verliezen. Zij acht hierbij van belang dat verdachte [slachtoffer] op 22 augustus 2017 daadwerkelijk heeft aangereden, zoals volgt uit de overweging van de rechtbank ten aanzien van feit 1.

De rechtbank is, anders dan door de raadvrouw is bepleit, ook van oordeel dat verdachte zich willens en wetens aan de aanmerkelijke kans heeft blootgesteld dat de bedreigingen bij [slachtoffer] terecht zouden komen. Verdachte vertelde [naam] over het feit dat hij [slachtoffer] had aangereden, hetgeen ook daadwerkelijk was gebeurd, en vertelde [naam] daarnaast – kort gezegd – dat hij opnieuw van plan was [slachtoffer] om het leven te brengen. Dit zijn zulke ernstige bedreigingen dat verdachte er rekening mee had moeten houden dat [naam] [slachtoffer] hierover in zou lichten.

De rechtbank acht bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegd heeft begaan, voor zover de tenlastelegging ziet op de bedreigende bewoordingen waarover [slachtoffer] heeft verklaard.

Uit het dossier volgt verder dat [slachtoffer] op 29 november 2017 van [naam] hoorde dat verdachte had gezegd dat hij wist waar [slachtoffer] zou werken en dat zij haar verjaardag en de feestdagen niet meer zou halen. Nu deze bedreigende woorden [slachtoffer] bereikten op een datum die buiten de ten laste gelegde periode ligt, kan dit deel van de tenlastelegging niet worden bewezen. Verdachte wordt ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging vrijgesproken.

Feit 3

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte moet worden vrijgesproken.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit.

De beoordeling door de rechtbank

Nu niet kan worden vastgesteld dat verdachte een strafbaar wapen voorhanden heeft gehad, zal verdachte worden vrijgesproken van het onder 3 ten laste gelegde.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, subsidiair en het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 22 augustus 2017 te Doornspijk, gemeente Elburg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door die [slachtoffer] , die op dat moment op de Klaterweg fietste, met een auto van achter aan te rijden, waarna die [slachtoffer] met de fiets ten val is gekomen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op verschillende tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 augustus

2017 tot 07 november 2017 in de gemeente Zoetermeer en/of te Doornspijk,

gemeente Elburg, althans in Nederland meermalen, althans éénmaal [slachtoffer]

heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met

zware mishandeling, door tegen zijn zoon [naam] één of meermalen te

zeggen en/of aan te geven dat: "hij, verdachte, weet waar genoemde [slachtoffer]

woont en werkt en dat zij haar verjaardag en de feestdagen niet zal halen"

en/of "dat hij, verdachte, haar die avond in augustus heeft aangereden en/of

dat hij, verdachte, toen een shotgun bij zich heeft gehad en/of toen heeft

getracht haar dood te schieten, maar dat de shotgun weigerde" en/of dat hij,

verdachte, zich nu heeft vermomd met baard en snor en dat hij haar door het

hoofd wil schieten en dan zichzelf, althans telkens woorden van gelijke

dreigende aard of strekking, welke bedreigingen voornoemde [slachtoffer] van die

[naam] te horen heeft gekregen.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, subsidiair:

poging tot zware mishandeling.

Ten aanzien van feit 2:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. De tijd die verdachte voorlopig gehecht is geweest, moet daarop in mindering worden gebracht. Aan het voorwaardelijke strafdeel moeten de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Deze bijzondere voorwaarden moeten dadelijk uitvoerbaar worden verklaard. Omdat verdachte gevaarlijk rijgedrag heeft vertoond, heeft de officier van justitie ook een ontzegging van de rijbevoegdheid van 18 maanden gevorderd.

Bij het bepalen van de eis heeft de officier van justitie rekening gehouden met het feit dat het om ernstige strafbare feiten gaat, die een grote impact hebben gehad op [slachtoffer] . Verdachte heeft inbreuk gemaakt haar gevoel van veiligheid. De gevorderde bijzondere voorwaarden zijn noodzakelijk om verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te begaan. Het is belangrijk dat verdachte in beeld blijft bij de reclassering en behandeld wordt.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om verdachte een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met een proeftijd van 2 jaren. Verdachte kan zich vinden in een meldplicht en in een ambulante behandelverplichting, maar wil geen behandeling die is gericht op het gebruik van harddrugs. Verdachte is niet verslaafd aan harddrugs en een behandeling zal dus geen zoden aan de dijk zetten. De raadsvrouw heeft de rechtbank verder verzocht om geen ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen. Verdachte heeft niet eerder strafbare feiten gepleegd met behulp van een auto.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op:

- het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 30 januari 2018;

- een vroeghulpformulier 3RO;

- een beknopt advies van Reclassering Nederland, gedateerd 11 december 2017; en

- een advies van Reclassering Nederland, gedateerd 8 maart 2018.

De rechtbank overweegt in het bijzonder het volgende.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan poging tot zware mishandeling en aan bedreiging met een misdrijf tegen het leven gericht, beide feiten gericht tegen zijn ex-echtgenote. Dit zijn ernstige feiten.
Verdachte heeft [slachtoffer] erg angstig gemaakt. Ook nu ervaart zij nog nare gevolgen van het handelen van verdachte, hetgeen zij ook onder woorden heeft gebracht in de schriftelijke slachtofferverklaring. Verdachte heeft haar gevoel van veiligheid aangetast. De rechtbank rekent verdachte dit aan.

Uit de reclasseringsrapportage volgt dat het een periode emotioneel gezien niet goed is gegaan met verdachte. Dit kwam door gebeurtenissen rondom zijn ouders en door het feit dat [slachtoffer] verdachte kort daarop verliet. Deze gebeurtenissen hebben verdachte fors geraakt. Verdachte gebruikte al jaren een paar keer per jaar cocaïne, maar door deze gebeurtenissen is het drugsgebruik gestegen tot dagelijks gebruik van speed en/of cocaïne. Verdachte stelt niet verslaafd te zijn, maar wil in de toekomst zijn drugsgebruik wel verminderen. Helemaal stoppen wil hij echter niet. Omdat verdachte niet heeft meegewerkt aan psychologisch onderzoek, is geen recente diagnostiek beschikbaar. Duidelijk is wel dat bij verdachte sprake is van emotionele problematiek. De reclassering heeft bijzondere voorwaarden bij een eventueel voorwaardelijk strafdeel geadviseerd, te weten een meldplicht, aan ambulante behandelverplichting die gericht is op nadere diagnostiek en behandeling, een contactverbod met [slachtoffer] , een verbod om zich te begeven binnen een straal van 5 kilometer van de huidige verblijfplaats van [slachtoffer] en de verplichting om mee te werken aan een behandeling gericht op het drugsgebruik van verdachte, als de reclassering dat nodig acht.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de straf rekening met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Er is sprake van ernstige feiten, die ook nu nog nare gevolgen hebben voor [slachtoffer] . Een ander soort straf dan een gevangenisstraf acht de rechtbank niet passend. Verdachte moet voelen dat zijn gedrag niet wordt geaccepteerd en moet daarnaast ervan worden weerhouden opnieuw strafbare feiten (al dan niet richting [slachtoffer] ) te begaan. De rechtbank zal daarom een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. De rechtbank heeft ten aanzien van feit 1 echter ook overwogen dat verdachte met een lage snelheid tegen de fiets van [slachtoffer] is gereden en dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte ‘vol’ opzet had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Daarnaast was er sprake van relatief gering letsel bij [slachtoffer] . De bewezenverklaarde feiten, hoe angstig en bedreigend deze ook zijn geweest voor [slachtoffer] , rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank gelet op het voorgaande niet de omvang van de door de officier van justitie geëiste gevangenisstraf. Gelet hierop zal de rechtbank verdachte ook niet veroordelen tot een ontzegging van de rijbevoegdheid. De rechtbank legt dus een lagere straf op dan door de officier van justitie is geëist.

Alles in samenhang bezien acht de rechtbank een gevangenisstraf van 240 dagen, waarvan 108 dagen voorwaardelijk, passend en geboden. De tijd die verdachte voorlopig gehecht is geweest zal hierop in mindering worden gebracht. De proeftijd zal worden bepaald op 3 jaren. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden gekoppeld. Gezien het feit dat verdachte fors meer drugs is gaan gebruiken toen het (emotioneel gezien) niet goed met hem ging, acht de rechtbank het ook noodzakelijk dat verdachte wordt verplicht om mee te werken aan een behandeling gericht op zijn drugsgebruik, als de reclassering dit noodzakelijk acht.

Nu er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één of meerdere personen, zal de rechtbank bevelen dat deze bijzondere voorwaarden en het toezicht van de reclassering dadelijk uitvoerbaar zijn.

Ten aanzien van het beslag

De officier van justitie heeft de onttrekking aan het verkeer gevorderd van een alarmpistool, een dolk, een mes en een wapenstok.
Verdachte heeft bij de politie afstand gedaan van deze goederen. De rechtbank zal ten aanzien van de in beslag genomen goederen daarom geen beslissing nemen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering, alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde [slachtoffer] zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van de onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.000,-- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Zij heeft gesteld dat de wettelijke rente toewijsbaar is en dat de schadevergoedingsmaatregel moet worden opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, nu zij ten aanzien van de feiten 1 en 2 vrijspraak heeft bepleit. Subsidiair heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering, nu de beoordeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafproces is.

De beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en gelet op wat verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is. De vordering is echter mede gebaseerd op handelingen die niet aan verdachte ten laste zijn gelegd en hiervoor kan daarom geen schadevergoeding worden gevorderd. De omvang van de immateriële schade, voor zover rechtstreeks veroorzaakt door het bewezenverklaarde, kan niet nauwkeurig worden vastgesteld. De rechtbank schat de schade op € 1.500,-- en zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

De benadeelde partij wordt voor het overige niet-ontvankelijk verklaard in de vordering.

De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 22 augustus 2017.

De rechtbank zal op basis van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag ten behoeve van genoemde benadeelde partij.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 14d, 14e, 27, 36f, 45, 57, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair en onder 3 ten laste gelegde feit;

 verklaart bewezen dat verdachte de overige tenlastegelegde feiten, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de gevangenisstraf groot 108 dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden voorwaarde(n) voor het einde van de proeftijd die op drie jaren wordt bepaald;

 de algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

 de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

Meldplicht

- zich moet houden aan de aanwijzingen die Reclassering Nederland hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarde. Veroordeelde moet zich binnen 3 dagen na invrijheidstelling telefonisch melden bij Reclassering Nederland (088-80 41405) om een afspraak te maken voor een eerste gesprek. Hierna moet hij zich blijven melden, zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Ambulante behandelverplichting

- wordt verplicht zijn medewerking te verlenen aan nadere diagnostiek en behandeling bij Het Dok, De Waag of soortgelijke ambulante (forensische) zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

Andere voorwaarde het gedrag betreffende

- wordt verplicht om mee te werken aan een behandeling gericht op zijn drugsgebruik, als de reclassering dit noodzakelijk acht;

- wordt verplicht mee te werken aan controle op middelengebruik, als de reclassering dit noodzakelijk acht;

Contactverbod

- op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [slachtoffer] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedatum 2] 1990, ten tijde van de aangifte verblijvende aan de [adres] , [plaats], zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

Locatieverbod

- indien de reclassering een locatieverbod noodzakelijk vindt, zich niet mag bevinden binnen een straal van 5 kilometer van de dan geldende verblijfsplaats van [slachtoffer] . De reclassering dient in dat geval veroordeelde erop te wijzen om welk gebied dit precies gaat, zodat dit voor veroordeelde duidelijk is.

De rechtbank geeft opdracht aan de Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

De rechtbank beveelt dat de op grond van artikel 14c gestelde voorwaarden en het op grond van artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

 De rechtbank beveelt dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.

 De rechtbank heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur daarvan gelijk wordt aan die van de onvoorwaardelijk opgelegde straf.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] .

 De rechtbank veroordeelt verdachte ten aanzien van feit 1, subsidiair en feit 2 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 1.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening en met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil;

  • -

    verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering;

  • -

    legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 1.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 augustus 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 25 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

  • -

    bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C.A.M. Janssen (voorzitter), mr. C. Kleinrensink en

mr. C.H.M. Pastoors, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Kolkman, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 26 maart 2018.

mr. C.H.M. Pastoors is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Oost Nederland, district Noord- en Oost-Gelderland, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2018033260, gesloten op 30 januari 2018 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 131 en 132 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting d.d. 12 maart 2018.

3 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 132.

4 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] , p. 136.

5 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 160.

6 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 196.

7 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] , p. 242.

8 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 161.

9 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 161.

10 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 162.