Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1315

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
23-03-2018
Datum publicatie
23-03-2018
Zaaknummer
05/820084-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verkeersongeval met zwaar lichamelijk letsel ten gevolge, schuld in de zin van art 6 WVW wettig + overtuigend bewezen. 240 uur werkstraf, waarvan 80 uur voorwaardelijk; 18 maanden OBM geheel voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer : 05/820084-16

Datum uitspraak : 23 maart 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1981 te [geboorteplaats] , wonende te [adres]

raadsvrouw: mr. C.R. Pirone, advocaat te Tilburg.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 3 november 2017 en 9 maart 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Primair

hij op of omstreeks 24 april 2016 te Nijmegen in de gemeente Nijmegen , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (tweewielige bromfiets), gaande in de richting Hillekensacker, daarmee rijdende op de weg, het fietspad, genaamd het Piet Moeskopspad

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcohol, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcohol en/of

terwijl hij verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs om dat motorrijtuig (tweewielige bromfiets) te besturen,

niet of in onvoldoende mate heeft gelet of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (fietspad, genaamd Piet Moeskopspad) en/of

in strijd met artikel 3 van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (tweewielige bromfiets), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op het langs dat fietspad (Piet Moeskopspad) gelegen voetpad is terecht gekomen en/of

in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, zich geheel of gedeeltelijk aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (fietspad, genaamd Piet Moeskopspad) aangebrachte streep, inhoudende: "Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevindt, mag niet worden overschreden en/of bestuurders mogen zich niet links van en doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen" , heeft bevonden en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op dat voetpad van die weg (fietspad, genaamd Piet Moeskopspad) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op dat voetpad lopende, althans zich bevindende voetganger, ten gevolge waarvan die voetganger ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 derde lid van de Wegenverkeerswet 1994 en/of artikel 175 lid 3 WVW94.

althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:

Subsidiair

hij op of omstreeks 24 april 2016 te Nijmegen in de gemeente Nijmegen, als bestuurder van een motorrijtuig (tweewielige bromfiets), gaande in de richting Hillekensacker, daarmee heeft gereden op de weg, het fietspad, genaamd het Piet Moeskopspad

en in strijd met artikel 3 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (tweewielige bromfiets), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op het langs dat fietspad (Piet Moeskopspad) gelegen voetpad is terecht gekomen en/of

in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, zich geheel of gedeeltelijk aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (fietspad , genaamd Piet Moeskopspad) aangebrachte streep, inhoudende: "Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevindt, mag niet worden overschreden en/of bestuurders mogen zich niet links van en doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen" , heeft bevonden en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op dat voetpad van die weg (fietspad, genaamd Piet Moeskopspad) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op dat voetpad lopende, althans zich bevindende voetganger, ten gevolge waarvan die voetganger ten val is gekomen,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd;

2.

hij op of omstreeks 24 april 2016 te Nijmegen, als bestuurder van een motorrijtuig (tweewielige bromfiets) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,02 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn,

terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

Feit 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld. Op 24 april 2016 reed verdachte als bestuurder van een bromfiets over het Piet Moeskoppad te Nijmegen in de richting Hillekensacker.2Het Piet Moeskoppad bestaat uit een fietspad met twee rijstroken met daarnaast een gelijkvloers voetpad. Het voetpad wordt onderscheiden van het fietspad door middel van een doorgetrokken streep.3Verdachte is in aanrijding gekomen met voetganger [slachtoffer] .4 Deze heeft ten gevolge van de aanrijding letsel opgelopen, waaronder een breuk van de zij- en onderwand van de oogkas en een fractuur van het linker jukbeen waaraan hij een operatie heeft ondergaan.5 Verdachte verkeerde ten tijde van de aanrijding onder invloed van alcohol, te weten 2,02 milligram alcohol per milliliter bloed.6 Verdachte is niet in het bezit van een rijbewijs.7 Hij reed voor het eerst op die bromfiets.8

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. Hij is van mening dat verdachte zeer onvoorzichtig, onoplettend en onachtzaam heeft gereden en dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 1 ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat de verklaringen van verdachte en slachtoffer tegenstrijdig zijn en dat zich in het dossier geen andere aanknopingspunten bevinden voor een bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. Voorts is aangevoerd dat er geen causaal verband kan worden vastgesteld tussen het rijden onder invloed en de botsing.

Beoordeling door de rechtbank

Schuld in de zin van artikel 6 WVW

Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW) komt het volgens vaste jurisprudentie aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de concrete ernst van de overtreding en de overige omstandigheden van het geval (vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822). Dat brengt mee dat niet in het algemeen valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van genoemde bepaling. Voorts kan niet reeds uit de aard van de gevolgen van het verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer gedragsregels in het verkeer, worden afgeleid dat sprake is van schuld in de zin van artikel 6 WVW.

[slachtoffer] heeft tegen de politie verklaard: “Ik liep op het voetpad gelegen op het Piet Moeskoppad te Nijmegen (…) naast het fietspad ter hoogte van een voetbalveldje. Ik liep aan de voor mij gezien linkerkant van de weg richting de wijk Hillekensacker te Nijmegen. (…) Opeens werd ik van achteren aangereden. Ik werd aan mijn rechterbovenarm geraakt. Door deze aanrijding kwam ik ten val. Ik zag dat ik aangereden was door een man op een scooter.”9

Verbalisanten hoorden verdachte vlak na het ongeval spontaan verklaren: “Ik heb het gedaan; Ik reed; Ik heb teveel alcohol op; Ik heb ook nog eens geen rijbewijs.”10

Verdachte heeft later bij de politie verklaard dat hij zich niets meer van de aanrijding kan herinneren en dat hij de wandelaar ook helemaal niet heeft gezien. Verdachte heeft verklaard dat hij aan de rechterkant van het fietspad reed. Verder heeft verdachte verklaard dat hij recht vooruit keek en dat hij niet om zich heen keek, omdat het een rechte weg betrof. Het zicht werd volgens verdachte niet belemmerd. Het was die avond droog en hij werd ook nergens door afgeleid.11

De rechtbank overweegt dat de verklaring van [slachtoffer] – dat hij aan de linkerkant van de weg in de richting van de Hillekensacker liep en aan zijn rechterbovenarm geraakt werd – wordt ondersteund door de foto van diens letsel, waarop te zien is dat hij een blauwe plek en schaafwond heeft opgelopen aan de achterkant van zijn rechterbovenarm.12 De rechtbank acht zijn verklaring dan ook, in samenhang met de spontane verklaring van verdachte tegenover de politie, geloofwaardig en gaat hiervan uit.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit en mede gelet op de reeds vermelde bewijsmiddelen dat het niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte op enig moment naar links heeft gestuurd en dat hij daarbij geheel of gedeeltelijk op het voetpad terecht is gekomen, waarbij hij tegen het slachtoffer is aangereden die op het voetpad liep. Het slachtoffer heeft ten gevolge van deze aanrijding volgens de rechtbank zwaar lichamelijk letsel (te weten een fractuur van het jukbeen waarvoor een operatieve repositie noodzakelijk was én breuken aan de zij- en onderwand van de oogkas) opgelopen.

Gelet op de verklaring van verdachte dat hij het slachtoffer niet heeft gezien, overweegt de rechtbank dat daaruit blijkt dat verdachte niet goed heeft opgelet althans niet is blijven opletten op het overige verkeer. Immers, indien verdachte dat wel zou hebben gedaan, dan had verdachte het slachtoffer kunnen zien lopen op het voetpad, gelet op zijn verklaring dat zijn zicht niet werd belemmerd. Verdachte heeft niet alleen onder invloed van 2,02 mg/l alcohol geheel of gedeeltelijk over een doorgetrokken streep gereden, maar heeft dit ook gedaan zonder dat hij in het bezit was van een rijbewijs. Verdachte heeft daarmee volgens de rechtbank zeer onvoorzichtig gereden. Het ongeval is dan ook aan verdachtes schuld te wijten. Hij is in ernstige mate tekort geschoten in de zorgvuldigheid die van hem als bestuurder mocht worden verwacht.

Conclusie

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan.

Feit 2

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359 derde lid, laatste zin van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 3 mei 2016, p. 18;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 25 april 2016, p. 23;

- het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 17 mei 2016, p. 28;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 9 maart 2018.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 primair en onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

Primair

hij op of omstreeks 24 april 2016 te Nijmegen in de gemeente Nijmegen , als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (tweewielige bromfiets), gaande in de richting Hillekensacker, daarmee rijdende op de weg, het fietspad, genaamd het Piet Moeskoppad

zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig, onoplettend en/of onachtzaam heeft gereden, hierin bestaande dat verdachte,

onder invloed van alcohol, althans na het gebruik van een niet onaanzienlijke hoeveelheid alcohol en/of

terwijl hij verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs om dat motorrijtuig (tweewielige bromfiets) te besturen,

niet of in onvoldoende mate heeft gelet of is blijven letten op het direct voor hem, verdachte gelegen weggedeelte van die weg (fietspad, genaamd Piet Moeskoppad) en/of

in strijd met artikel 3 van het Regelement verkeersregels en verkeerstekens 1990 niet aan zijn, verdachtes verplichting heeft voldaan, zoveel mogelijk rechts te houden en/of

met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig (tweewielige bromfiets), naar links heeft gestuurd en/of naar links is gegaan en/of geheel of gedeeltelijk op het langs dat fietspad (Piet Moeskoppad) gelegen voetpad is terecht gekomen en/of

in strijd met het gestelde in artikel 76 lid 1 van voormeld reglement, zich geheel of gedeeltelijk aan de linkerzijde van een ter plaatse op het wegdek tussen de rijstroken van die weg (fietspad, genaamd Piet Moeskoppad) aangebrachte streep, inhoudende: "Een doorgetrokken streep die zich niet langs de rand van de rijbaan-verharding bevindt, mag niet worden overschreden en/of bestuurders mogen zich niet links van en doorgetrokken streep bevinden, indien die streep is aangebracht tussen rijstroken of paden met verkeer in beide richtingen" , heeft bevonden en/of

geheel of gedeeltelijk rijdend op dat voetpad van die weg (fietspad, genaamd Piet Moeskoppad) is gebotst tegen, in elk geval in aanrijding is gekomen met een op dat voetpad lopende, althans zich bevindende voetganger, ten gevolge waarvan die voetganger ten val is gekomen,

en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander (genaamd [slachtoffer] ) zwaar lichamelijk letsel of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8 derde lid van de Wegenverkeerswet 1994.

2.

hij op of omstreeks 24 april 2016 te Nijmegen, als bestuurder van een motorrijtuig (tweewielige bromfiets) dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,02 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn,

terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en verdachte dit motorrijtuig heeft bestuurd zonder rijbewijs;

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van feit 1, primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht

en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, derde lid, van deze wet.

Ten aanzien van feit 2:

Overtreding van artikel 8, vierde lid juncto artikel 8, derde lid onderdeel b van de Wegenverkeerswet 1994.

5 De strafbaarheid van het feit

De feiten zijn strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1, primair, en het onder feit 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot het verrichten van een werkstraf voor de duur van 240 uur, te vervangen door 120 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden geëist.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de hoogte van de straf rekening dient te worden gehouden met het tijdsverloop van de zaak.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waarbij onder meer is gelet op het uittreksel uit het algemeen documentatieregister, gedateerd 22 januari 2018.

Verdachte heeft als bestuurder van een bromfiets, terwijl hij stevig onder invloed was van alcohol, een verkeersongeval veroorzaakt als gevolg waarvan een voetganger zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen. Verdachte was bovendien niet in het bezit van een rijbewijs. Hij had de bromfiets van zijn vriendin die avond voor de eerste maal zelf even gebruikt om iemand met iets te helpen en daarna weer snel thuis te zijn. Op verkeersdeelnemers rust een zorgplicht en verdachte is in dit opzicht ernstig tekort geschoten in zijn verkeersgedrag. Verdachte heeft daarmee zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van de veiligheid van zijn medeweggebruikers onvoldoende in acht genomen. De rechtbank rekent verdachte dit onverantwoordelijke verkeersgedrag zwaar aan.

Volgens de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS wordt voor het veroorzaken van een verkeersongeval, onder invloed van een promillage van 2,02 (mg/ml ethanolconcentratie), met ernstige schuld en zwaar lichamelijk letsel ten gevolge een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden en een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van 3 jaar als uitgangspunt genomen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de justitiële documentatie van verdachte waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een verkeersdelict.

De rechtbank heeft geconstateerd dat in onderhavige zaak bijna twee jaren zijn verstreken na het verkeersongeval. Bij de op te leggen straf houdt de rechtbank rekening met deze omstandigheid, in die zin dat zij niet kiest voor een (on)voorwaardelijke gevangenisstraf.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat in het onderhavige geval een werkstraf voor de duur van 240 uur passend en geboden is. De rechtbank zal hiervan 80 uur voorwaardelijk opleggen als stok achter de deur voor verdachte om niet meer een motorrijtuig te besturen onder invloed van alcohol en zonder rijbewijs. Aan het voorwaardelijk deel wordt een proeftijd voor de duur van 3 jaar gekoppeld. Voorts is de rechtbank van oordeel dat als bijkomende straf een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 18 maanden passend en geboden is. De rechtbank zal deze ontzegging, anders dan door de officier van justitie geëist, geheel voorwaardelijk opleggen, gelet op het feit dat verdachte mogelijk een rijbewijs nodig heeft bij een toekomstige baan als heftruckchauffeur. Aan het voorwaardelijk deel wordt een proeftijd voor de duur van 3 jaar gekoppeld.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 55 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

9 De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte wegens het bewezenverklaarde tot een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen;

 bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf groot 80 (tachtig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 18 (achttien) maanden;

 bepaalt, dat deze bijkomende straf, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

Dit vonnis is gewezen door mr. F.J.H. Hovens (voorzitter), mr. W. Bruins en mr. A. Zuil, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.P. van der Meulen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 maart 2018.

mr. A. Zuil is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door verbalisant [verbalisant] van de politie Eenheid Oost Nederland, district Gelderland-Zuid opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL0600-2016202029 gesloten op 1 juli 2016 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces verbaal van verhoor van verdachte, p. 26.

3 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 november 2016, p. 2 van 3 en foto’s in bijlage.

4 Proces verbaal van verhoor [slachtoffer] , p. 13.

5 Medische verklaring d.d. 18 mei 2016, p. 15.

6 Rapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 3 mei 2016, p. 18; proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 23 en 28.

7 Proces-verbaal van verhoor van verdachte, p. 28; proces-verbaal van bevindingen, p. 8.

8 Verklaring van verdachte ter terechtzitting op 9 maart 2018.

9 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer] , p. 13.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 april 2016, p. 8.

11 Proces-verbaal van verhoor verdachte, p. 28.

12 Foto 1 van de bijlage bij het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 oktober 2016.