Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1274

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-03-2018
Datum publicatie
22-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 2661
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2019:4123, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Omzetbelasting. Medische vrijstelling toch van toepassing voor acupunctuur. Maar geen teruggave voor een bepaald kwartaal in verband met een twee maanden te laat bezwaarschrift. Geschil over de vraag of sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding in de zin van art. 6:11 van de Awb. De rechtbank honoreert het beroep van eiseres op het ontbreken van een rechtsmiddelenclausule bij de aangifte omzetbelasting (gelet op HR 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3441). Geen situatie waarin redelijkerwijs kan worden aangenomen dat eiseres wist dat zij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/671
V-N 2018/31.2.4
Viditax (FutD), 23-03-2018
FutD 2018-0842
NTFR 2018/782
NLF 2018/0779 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 17/2661

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 21 maart 2018

in de zaak tussen

De vennootschap onder firma V.O.F. [X] , te [Z] , eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Rotterdam, verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft op 24 juli 2013 de verschuldigde omzetbelasting over het tweede kwartaal 2013 (aanslagnummer [000] .B.01.3240) ten bedrage van € 13.292 voldaan.

Op 5 november 2013, door verweerder ontvangen op 7 november 2013, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de voldoening van deze omzetbelasting op aangifte.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 14 april 2017 het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft het bezwaarschrift aangemerkt als een verzoek om ambtshalve teruggave en heeft dit verzoek afgewezen.

Eiseres heeft tegen de uitspraak op bezwaar bij fax van 23 mei 2017 beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 maart 2018.

Namens eiseres zijn verschenen [A] en de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen drs. [gemachtigde] en mr. [B] .

Eiseres heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan de rechtbank en aan de wederpartij.

Overwegingen

Feiten

  1. Eiseres verricht handelingen op het gebied van acupunctuur. Tot 1 januari 2013 gold voor de dienstverlening van eiseres de vrijstelling van artikel 11, eerste lid, onder g, van de Wet op de omzetbelasting 1968. Vanaf die datum is de vrijstelling gewijzigd en werd door de Belastingdienst het standpunt ingenomen dat onder meer de dienstverlening van eiseres niet meer onder de vrijstelling viel. Uit het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:744 bleek echter dat de dienstverlening van eiseres wel onder het bereik van de vrijstelling valt.

  2. De vennoten van eiseres zijn de heer [A] en mevrouw [C] (hierna: de vennoten). De vennoten zijn lid van de Nederlandse Vereniging voor Acupunctuur (hierna: NVA). De NVA heeft mede namens de vennoten met verweerder een vaststellingsovereenkomst gesloten. In de vaststellingsovereenkomst is de wijze van behandeling van bezwaarschriften afgesproken. De afspraken komen erop neer dat over de tijdvakken vanaf 6 augustus 2014 geen bezwaarschriften meer hoefden te worden ingediend.

3. Eiseres heeft op 24 juli 2013 de omzetbelasting over het tweede kwartaal 2013 voldaan. Op 5 november 2017, door verweerder ontvangen op 7 november 2017, heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van omzetbelasting over het tweede kwartaal 2013. Verweerder heeft het bezwaar van eiseres wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft het bezwaarschrift aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering en heeft dit verzoek afgewezen.

Geschil

4. In geschil is of het bezwaarschrift van eiseres terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Meer specifiek is in geschil of sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding, zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Partijen zijn het erover eens dat het bezwaarschrift niet onder de afspraken van de vaststellingsovereenkomst valt.

Beoordeling van het geschil

5. Niet in geschil is dat het bezwaarschrift, dat op 7 november 2017 is ontvangen, te laat is ingediend. Het bezwaarschrift is daarom niet-ontvankelijk, tenzij de termijnoverschrijding verschoonbaar is in de zin van artikel 6:11 van de Awb.

6. Eiseres heeft zich op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is, omdat op het aangifteformulier geen rechtsmiddelenverwijzing was opgenomen waarin stond vermeld op welke wijze en binnen welke termijn bezwaar kon worden gemaakt tegen de voldoening op aangifte. Eiseres heeft daarbij gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 5 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3441. In dit arrest heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:

“2.3.2. Hetgeen hiervoor in onderdeel 2.3.1 is overwogen neemt niet weg dat een belanghebbende bij voldoening of afdracht van belastingen op aangifte zich bij overschrijding van de bezwaartermijn kan beroepen op artikel 6:11 Awb met het verweer dat die overschrijding verschoonbaar is omdat een rechtsmiddelenclausule ontbrak. Dit verweer faalt in gevallen waarin op grond van de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kan worden aangenomen dat een belanghebbende wist dat hij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken.

2.3.3. Belanghebbende heeft ter zitting van de Rechtbank verklaard dat de hiervoor in 2.1.1 bedoelde aangifte bpm op haar naam is gedaan door een gemachtigde met verstand van zaken. Van een dergelijke gemachtigde kan redelijkerwijs worden aangenomen dat hij op de hoogte is van de mogelijkheid bij de inspecteur bezwaar te maken tegen het voldoen van bpm op aangifte, en van de termijn die daarvoor geldt. Die kennis kan aan de belastingplichtige worden toegerekend. Een dergelijke belastingplichtige kan derhalve niet met vrucht een beroep doen op het bepaalde in artikel 6:11 Awb op de enkele grond dat de inspecteur hem niet heeft gewezen op de mogelijkheid bezwaar te maken tegen de voldoening op aangifte.”

7. De rechtbank leidt uit het arrest van de Hoge Raad af dat de hoofdregel is dat bij aangiftebelastingen, zoals hier aan de orde, een geslaagd beroep op artikel 6:11 van de Awb kan worden gedaan op de grond dat een rechtsmiddelenclausule ontbreekt. De uitzondering op die hoofdregel is alleen aan de orde als redelijkerwijs kan worden aangenomen dat eiseres wist dat zij binnen een bepaalde termijn bezwaar moest maken.

8. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat in dit geval redelijkerwijs kan worden aangenomen dat eiseres wist dat de bezwaartermijn bij de voldoening van omzetbelasting op aangifte zes weken bedraagt. Verweerder heeft daartoe aangevoerd dat uit het bezwaarschrift volgt dat eiseres beschikt over fiscale kennis, dat er vanuit de NVA is gecommuniceerd over het maken van bezwaar, dat een vennoot van eiseres actief was binnen de NVA en dat de gemachtigde van eiseres een neef is van die vennoot en de kennis van de gemachtigde kan worden toegerekend aan de vennoot. Ter zitting heeft verweerder opgemerkt dat de kennis van de fiscaal advocaat van de NVA vanwege een te ver verwijderd verband niet toerekenbaar is aan eiseres.

9. De bedoelde vennoot van eiseres, de heer [A] , heeft ter zitting verklaard dat hij in het verleden eens per jaar in januari over het jaar ervoor bezwaar heeft gemaakt, terwijl toen de aangiften omzetbelasting maandelijks werden gedaan. Hij dacht daarom dat bezwaar maken begin 2014 over 2013 goed zou zijn. Waarom hij het bezwaar in november 2013 heeft ingestuurd, weet hij niet meer. Misschien had hij toen gehoord dat bezwaar maken eerder moest. Verder heeft eiser verklaard dat hij ten tijde van indiening van het bezwaarschrift nog geen penningmeester was van de NVA en dat hij niet over fiscaal-juridische kennis beschikt. Ook heeft eiser verklaard dat hij niet alle communicatie van de NVA heeft gelezen toen hij nog geen bestuurslid was van de NVA.

10. De rechtbank is van oordeel dat onder de door eiseres aangevoerde omstandigheden de uitzondering op de hoofdregel niet geldt. Niet aannemelijk is geworden dat de heer [A] wist binnen welke termijn bezwaar moest worden gemaakt tegen de voldoening van omzetbelasting op aangifte. Evenmin kan naar het oordeel van de rechtbank de kennis van de gemachtigde worden toegerekend aan de heer [A] . De gemachtigde heeft verklaard dat hij pas vanaf maart 2017 eiseres heeft bijgestaan en daarvoor niet. Ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift door de heer [A] in november 2013 stond de gemachtigde eiseres dus nog niet bij. De rechtbank gaat niet mee in de stelling van verweerder dat uit het bezwaarschrift volgt dat eiseres over fiscale kennis beschikte. Het bezwaarschrift is namelijk door de vennoot van eiseres ingediend en de tekst van het bezwaarschrift is afkomstig van de NVA, die deze tekst door een omzetbelastingspecialist heeft laten opstellen. Dat die specialist daarbij ook aan alle leden van de NVA advies heeft gegeven over de bezwaartermijn is niet aannemelijk geworden.

11. Gelet op het voorgaande is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding. Dit betekent dat niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift tegen de voldoening van omzetbelasting over het tweede kwartaal 2013 in de uitspraak op bezwaar achterwege had moeten blijven. De beroepen dienen gegrond te worden verklaard. Verweerder heeft in zijn verweerschrift gesteld dat in dat geval het op aangifte voldane bedrag aan eiseres moet worden teruggegeven. De rechtbank wijst de zaak daarom niet terug naar verweerder, maar voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat eiseres recht heeft op teruggave van de voldane omzetbelasting van € 13.292.

12. De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Ter zitting heeft de vennoot van eiseres verklaard dat hij de gemachtigde moet betalen voor zijn werk. Daarom is sprake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De kosten voor de behandeling van het beroep zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.002 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1). Van overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten is de rechtbank niet gebleken.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- verklaart het bezwaar ontvankelijk en voorziet zelf in de zaak door te bepalen dat verweerder de betaalde omzetbelasting over het tweede kwartaal 2013 ten bedrage van € 13.292 aan eiseres zal restitueren;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1.002;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 333 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M. Smit, rechter, in tegenwoordigheid van S. Lensink MSc, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 21 maart 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.