Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1255

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
20-03-2018
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
18-1274
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Burgemeester heeft cafés aan de Korenmarkt tijdelijk gesloten met toepassing van artikel 2.3.1.16 APV. Verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2018/2959
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/1274

uitspraak van de voorzieningenrechter van

op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. K.T.E. Huisman),

en

de burgemeester van de gemeente Arnhem, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2018 heeft verweerder de tijdelijke sluiting bevolen van alle horeca-inrichtingen van verzoekster, te weten [horecagelegenheden] , inclusief voormalig [horecagelegenheden] , [horecagelegenheden] en [horecagelegenheden] (verder: de horecagelegenheden).

Verzoekster heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 maart 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.A.F.M. van der Wielen en A. Stroink.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Verzoekster exploiteert [horecagelegenheden] sinds 2014. Recent heeft verzoekster de exploitatie van voormalig [horecagelegenheden] , [horecagelegenheden] en [horecagelegenheden] overgenomen. Voor [horecagelegenheden] en voormalig [horecagelegenheden] beschikt verzoekster over een drank- en horecavergunning en een exploitatievergunning, voor de andere twee horecagelegenheden lopen er vergunningaanvragen. Bij de vergunningaanvraag voor voormalig [horecagelegenheden] heeft verzoekster vermeld dat zij een lening heeft gekregen van [betrokkene] .

Verweerder heeft het Landelijk Bureau Bibob gevraagd om een onderzoek in te stellen en hem te adviseren in verband met gevraagde vergunningen en de eventuele intrekking van de reeds verleende vergunningen. Dat bureau heeft nog geen advies uitgebracht.

Vervolgens is verweerder door politie en justitie op de hoogte gebracht van een strafrechtelijk onderzoek, waarin verzoekster en [betrokkene] als verdachten worden aangemerkt. Dat strafrechtelijk onderzoek is nog niet afgerond.

3. Gelet op de ernst van de verdenkingen (witwassen, schijnbeheer en valsheid in geschrifte) is verweerder van mening dat er voldoende reden is om toepassing te geven aan artikel 2.3.1.16, eerste lid, van de APV en per direct de sluiting te bevelen van de horecagelegenheden.

4. Ingevolge artikel 2.3.1.16, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor Arnhem (APV) kan de burgemeester in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horeca-inrichtingen, tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2.3.1.15 geldende sluitingsuren vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

5. Uit de motivering van het besluit komt naar voren, dat verweerder de horecagelegenheden open heeft willen laten gedurende het Bibobonderzoek, maar dat hij dat door de verdenkingen uit het strafrechtelijk onderzoek niet meer wil.

Ter onderbouwing van zijn besluit heeft verweerder met name verwezen naar de Bestuurlijke Rapportage ‘Schijnbeheer en witwassen horeca Korenmarkt te Arnhem’ van 5 maart 2018, en de Bestuurlijke Rapportage ‘Schijnbeheer en witwassen horeca Korenmarkt te Arnhem’ van 15 maart 2018. Deze rapportages zijn opgesteld door de politie en bevatten onder meer gegevens die in het kader van het strafrechtelijk onderzoek naar voren zijn gekomen.

6. Verzoekster bestrijdt dat zij betrokken is bij strafbare feiten en dat er reden is om te twijfelen aan haar integriteit. Sluiting berust volgens haar niet op een evenredige belangenafweging. Verzoekster heeft geen strafrechtelijke voorgeschiedenis en in de ondernemingen zelf vinden geen criminele activiteiten plaats.

7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder op basis van de bestuurlijke rapportages tot de conclusie heeft kunnen komen dat er een ernstig vermoeden is van witwassen, schijnbeheer en valsheid in geschrifte. In dit verband merkt de voorzieningenrechter op, dat uit de rapportages onder meer het volgende blijkt:

  • -

    [betrokkene] heeft € 361.500 overgeboekt naar de bankrekening van [verzoekster] .

  • -

    [betrokkene] heeft € 44.688 betaald ten behoeve van die onderneming.

  • -

    Deze bedragen zijn gebruikt voor de financiering van de exploitatie-, overname-, verbouwings- en inrichtingskosten van de horecagelegenheden.

  • -

    Voor de herkomst van deze gelden is geen legale verklaring.

  • -

    Uit tapgesprekken ontstaat het beeld dat [betrokkene] betrokken is bij de exploitatie van de horecagelegenheden.

  • -

    Voorts bleek dat [betrokkene] , nadat bekend werd dat verweerder Bibob-advies ging inwinnen, telefonisch contact heeft opgenomen met een makelaar om de horecapanden in de stille verkoop te doen waarbij hij heeft aangegeven bereid te zijn tot financiering van de koopsom aan potentiële kopers. Vervolgens is waargenomen dat [betrokkene] in [verzoekster] een gesprek heeft gehad met de horeca-makelaar, zonder dat mevrouw [verzoekster] daarbij aanwezig is.

Vanwege deze gegevens wordt aan het standpunt van verzoekster dat het besluit van verweerder enkel is gebaseerd op vermoedens en aannames voorbijgegaan.

8. Verzoekster heeft aangevoerd dat verweerder pas in november 2017 heeft besloten een Bibob-advies te vragen, en dat niet valt in te zien waarom verweerder aanvankelijk, ten tijde van het vragen van het Bibob-advies, geen reden zag om te sluiten, maar daar later, na ontvangst van de bestuurlijke rapportage van 5 maart 2018, wel toe over is gegaan. Voor zover verzoekster hiermee heeft willen betogen dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid, of onvoldoende is gemotiveerd, volgt de voorzieningenrechter dit betoog niet.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat verzoekster de benodigde stukken voor de vergunningaanvragen van [horecagelegenheden] en [horecagelegenheden] pas in september 2017 heeft aangeleverd, en dat verweerder advies heeft gevraagd aan het RIEC. Vervolgens heeft verweerder op 15 november 2017 aan verzoekster meegedeeld dat een Bibob-advies wordt aangevraagd. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan niet worden gezegd dat deze gang van zaken onzorgvuldig is, en ook niet dat verzoekster hierdoor is benadeeld.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat verweerder in de stukken en ter zitting voldoende heeft toegelicht dat de vermoedens ten tijde van het aanvragen van het Bibob-advies onvoldoende sterk waren om tot sluiting over te gaan, maar dat dit veranderde door het strafrechtelijk onderzoek en de bestuurlijke rapportages.

9. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er ernstige vermoedens zijn dat de horecagelegenheden worden gebruikt voor het witwassen van niet legaal verkregen gelden, dat dit maatschappelijk ondermijnend werkt, en dat dit voldoende grond is voor sluiting van de horecagelegenheden.

Gelet hierop is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen.

Wel zal verweerder in zijn besluit op bezwaar nader aandacht dienen te schenken aan het standpunt van verzoekster dat de belangenafweging onvoldoende tot uiting komt in het besluit. Voorts geeft de voorzieningenrechter verweerder in overweging om in het besluit op bezwaar de tijdelijkheid van de sluiting te concretiseren.

10. Het verzoek om voorlopige voorziening zal worden afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van

mr. M.G.J. Litjens, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.