Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1236

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-03-2018
Datum publicatie
20-03-2018
Zaaknummer
6023060/CV EXPL 17-2765
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kanton. Reparatie tweedehands auto. Gebrek. Vordering onvoldoende onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Nijmegen

zaakgegevens 6023060 \ CV EXPL 17-2765 \ 493 \ 456

uitspraak van 2 maart 2018

vonnis

in de zaak van

[eisende partij]

wonende te Bilthoven

eisende partij

gemachtigde mr. V.A. Andringa

tegen

de vennootschap onder firma [gedaagde partij]

gevestigd te Andelst

gedaagde partij

gemachtigde J.A.M. Drinkenburg

Partijen worden hierna [eisende partij] en [gedaagde partij] genoemd.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis van 28 juli 2017 en de daarin genoemde processtukken.

1.2.

De bij voormeld tussenvonnis bevolen comparitie van partijen heeft plaatsgevonden op 28 november 2017.

2 De feiten

2.1.

[eisende partij] is eigenaar van een auto, Volkswagen Passat, bouwjaar 2004, met kenteken [kenteken] (verder: de auto). Op 13 april 2015 heeft [gedaagde partij] in opdracht en voor rekening van [eisende partij] – onder meer – een ruiltransmissie (gereviseerde automatische versnellingsbak) geleverd en geplaatst in de auto. Op deze overeenkomst zijn de zogenaamde Algemene voorwaarden BOVAG Autobedrijven koop/reparatie & onderhoud van toepasing.

2.2.

Bij e-mailbericht van 16 april 2015 heeft [eisende partij] het volgende aan [gedaagde partij] geschreven:

“(…)

De auto lijkt wel weer nieuw, schakelt heerlijk en ook weer snel. Vanwege de niet geringe kosten besloten gewoon nog drie jaar door te rijden en dat is geen straf.

In ieder geval bedankt.

(…)”

2.3.

Bij e-mailbericht van 27 april 2015 heeft [eisende partij] vervolgens ook nog het volgende aan [gedaagde partij] geschreven:

“(…)

De auto is door de [naam bedrijf 1] gerepareerd, nieuwe EGR koerier.

De auto is nu dus geheel in orde en heb nu wel een probleem met mijn garage wat je vast wel kunt voorstellen, veel onnodige energie verspilt, helaas.

Wil volgende week graag langskomen voor de beloofde traktatie en ook nav wat [naam bedrijf 1] over de versnellingsbak meldde enz.

(…)”

2.4.

Bij brief van 27 september 2016 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] – onder andere – gesommeerd om binnen zeven dagen na ontvangst van die brief, onder garantie, de versnellingsbak te repareren, bij gebreke waarvan [eisende partij] de [naam bedrijf 2] opdracht zou geven de versnellingsbak van de auto op kosten van [gedaagde partij] te repareren.

2.5.

Namens [gedaagde partij] is bij brief van 5 oktober 2016 aan [eisende partij] bericht dat er, gelet op het tijdsverloop, geen sprake (meer) is van garantie. Aangegeven is dat nergens uit blijkt dat [eisende partij] haar werkzaamheden in april 2015 niet goed uitgevoerd zou hebben en dat [gedaagde partij] graag zelf een diagnose uit wilde voeren.

(De gemachtigde van) [gedaagde partij] heeft [eisende partij] verzocht aan te geven op welke wijze [gedaagde partij] tekort zou zijn geschoten in de nakoming van haar verbintenis, wat er precies mankeerde aan de auto en waaruit dat zou blijken, alsmede wat het causaal verband is tussen die gebreken en de anderhalf jaar eerder door [gedaagde partij] uitgevoerde werkzaamheden.

Op deze brief is geen inhoudelijke reactie van [eisende partij] gekomen.

2.6.

[eisende partij] heeft bij e-mailbericht van 10 oktober 2016 aan [gedaagde partij] meegedeeld dat hij, [eisende partij] , heeft moeten concluderen dat [gedaagde partij] de auto niet gaat repareren en dat [eisende partij] een diagnose door [gedaagde partij] niet opportuun acht omdat deze al door de [naam bedrijf 3] is gesteld. In dat zelfde e-mailbericht is opgenomen: “De relevantie van het schrijven van Jouw juridisch adviseur ontgaat me, ik zal de ondeugdelijkheid van jouw revisie objectief laten vaststellen en jou de gelegenheid geven jouw verantwoordelijkheid te erkennen en derhalve alle gemaakte kosten alsnog voor jouw rekening te nemen.”

3 De vordering en het verweer

3.1.

[eisende partij] vordert dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde partij] zal veroordelen om binnen vijf dagen na betekening van het te wijzen vonnis, aan [eisende partij] te betalen de som van € 3.679,91, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van opeisbaarheid, alsmede te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag na dagvaarding, 19 mei 2017, tot aan de dag der algehele voldoening, te vermeerderen met een bedrag van € 875,-- ter zake van buitengerechtelijke kosten en met veroordeling van [gedaagde partij] in de proceskosten.

3.2.

[eisende partij] baseert zijn vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende – zakelijk weergegeven – stellingen.

Op grond van de bevindingen van de door hem ingeschakelde [naam bedrijf 3] , [naam bedrijf 4] en [naam bedrijf 5] , kan [eisende partij] niet anders dan concluderen dat [gedaagde partij] een ondeugdelijke,

non-conforme, versnellingsbak heeft geleverd en daarmee jegens hem wanprestatie heeft gepleegd. Als gevolg hiervan komt [gedaagde partij] geen beroep toe op het al dan niet verstrijken van een garantietermijn en is [gedaagde partij] aansprakelijk voor de als gevolg van de wanprestatie door [eisende partij] geleden schade.

Omdat [gedaagde partij] op geen enkele wijze mee wilde werken aan reparatie van de versnellingsbak, werd [eisende partij] gedwongen deze elders te laten repareren. Dit heeft hij laten doen bij de [naam bedrijf 2] . De hiermee gemoeide kosten belopen een bedrag van
€ 3.455,76. Dit bedrag vordert hij van [gedaagde partij] , alsmede betaling van de kosten van de door hem ingeschakelde, ter zake deskundige, [naam bedrijf 3] en [naam bedrijf 5] ten bedrage van
€ 42,50, respectievelijk € 181,65. Daar [gedaagde partij] niet tot vergoeding van de door [eisende partij] geleden schade is overgegaan, werd [eisende partij] genoodzaakt zijn vordering op [gedaagde partij] ter incasso uit handen te geven. De hiermee gemoeide buitengerechtelijke kosten vordert hij van [gedaagde partij] als vermogensschade.

3.3.

[gedaagde partij] voert gemotiveerd verweer waarop, voor zover voor de beslissing van belang, hieronder bij de beoordeling wordt ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

In geschil is of [gedaagde partij] al dan niet een non-conforme versnellingsbak heeft geleverd, zoals [eisende partij] stelt, maar [gedaagde partij] gemotiveerd betwist.

4.2.

[gedaagde partij] heeft aangevoerd dat [eisende partij] niet heeft aangetoond – en dat dus niet vast is komen te staan – dat er een (causaal) verband bestaat tussen de door [gedaagde partij] in april 2015 aan de auto verrichte werkzaamheden, met levering van – beweerdelijk – non-conforme onderdelen, en de door [eisende partij] in september 2016 naar eigen zeggen geconstateerde gebreken aan de auto ten gevolge waarvan [eisende partij] schade zou hebben geleden. [gedaagde partij] wijst er op dat de auto al op leeftijd was op het moment dat de gereviseerde versnellingsbak werd geplaatst en dat de auto toen al kampte met (andere) problemen. Ook wijst zij er op dat zij nooit in de gelegenheid is gesteld zelf een diagnose te stellen. Het enige wat [eisende partij] – met een beroep op garantie – eiste was een kosteloze reparatie van de versnellingsbak, aldus [gedaagde partij] .

4.3.

De kantonrechter overweegt als volgt. Vast staat dat [gedaagde partij] een gereviseerde versnellingsbak heeft geplaatst in de op dat moment al elf jaar oude auto van [eisende partij] . Pas anderhalf jaar later heeft [eisende partij] , afgaande op zijn eigen verklaring, problemen aan de versnellingsbak ondervonden. [eisende partij] heeft op dit punt immers gesteld dat hij het vermeend gebrek eerst op 5 september 2016 heeft geconstateerd. Dat er, zoals in het rapport van [naam bedrijf 5] (productie 6 bij dagvaarding) is opgenomen, reeds kort na de levering problemen aan de ruiltransmissie zouden zijn ontstaan, kan daarom niet als vaststaand worden aangenomen. Daarbij komt dat voormeld rapport, alsmede de verklaring van de firma [naam bedrijf 4] , tot stand zijn gekomen en aldus zijn gebaseerd op (enkel) de mededelingen van [eisende partij] . Dit klemt te meer waar bovendien vaststaat dat [eisende partij] kort na de levering, te weten op 16 en 27 april 2015, juist aan [gedaagde partij] heeft bericht dat de auto weer als nieuw reed (r.o. 2.2. en 2.3.). Bovendien staat vast dat er tussen de door [gedaagde partij] aan de auto verrichte werkzaamheden en de ontdekking van het gestelde vermeende gebrek door [eisende partij] anderhalf jaar later, meerdere bedrijven werkzaamheden aan de auto hebben verricht. Het door [eisende partij] gestelde causaal verband kan daarom niet zonder meer worden aangenomen.

4.4.

In het licht van de hiervoor omschreven omstandigheden en gelet op de inhoudelijk gemotiveerde betwisting van de vordering door [gedaagde partij] , waaronder onder meer de uitvoerige – inhoudelijk niet weersproken – brief van (de gemachtigde van) [gedaagde partij] van 5 oktober 2016 (r.o.2.5.), lag het op de weg van [eisende partij] zijn vordering in rechte voldoende feitelijk te onderbouwen. Dit heeft hij niet, althans onvoldoende, gedaan. Dit leidt tot het oordeel dat de vordering van [eisende partij] moet worden afgewezen.

4.5.

[eisende partij] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

5 De beslissing

De kantonrechter

5.1.

wijst de vordering af;

5.2.

veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van [gedaagde partij] begroot op € 400,-- aan salaris voor de gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. J.M. Graat en in het openbaar uitgesproken op