Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1208

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
02-02-2018
Datum publicatie
09-04-2018
Zaaknummer
320070
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheidingsbeschikking in klare taal.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK GELDERLAND

Team familierecht

Zittingsplaats Arnhem

Zaakgegevens: C/05/320070 / ES RK 17-274 en C/05/324182 / FA RK 17-2455

Datum uitspraak: 2 februari 2018

beschikking echtscheiding

in de zaken van

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. E. Maalsen te Nijmegen,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat mr. J.G.A. Middelkoop te Tilburg.

1 De feiten

1.1.

Partijen zijn op [datum] 1996 met elkaar getrouwd op huwelijkse voorwaarden. Ze hebben twee dochters, [naam] en [naam] , die allebei meerderjarig zijn. [naam] en [naam] wonen met [verzoekster] in het huis waarin partijen sinds 2011 als gezin woonden. In maart 2015 zijn partijen uit elkaar gegaan en sindsdien woont [verweerder] niet meer bij het gezin.

1.2.

Partijen hebben ongeveer 8 jaar geleden de VOF [naam] opgericht. Hierin werkten ze samen en boden ze dagbesteding aan voor mensen met een persoonsgebonden budget. [verzoekster] deed dat vanuit de woning, die met het oog hierop was verbouwd. [verweerder] deed dit vanuit een werkplaats in [plaats] . Nadat partijen uit elkaar zijn gegaan, heeft [verzoekster] haar werk vanuit huis voortgezet als eenmanszaak [naam] . [verweerder] heeft zijn werk voortgezet vanuit de VOF [naam] . Hij woont sindsdien in de werkplaats van het bedrijf.

1.3.

[verzoekster] heeft gevraagd om de echtscheiding uit te spreken en om de zakelijke kant van het huwelijk af te wikkelen. [verweerder] heeft hetzelfde gevraagd. Over de manier waarop de huwelijkse voorwaarden en de gemeenschappelijke goederen moeten worden afgewikkeld en verdeeld, zijn partijen het op een aantal punten niet eens.

2 De stukken en de zitting

2.1.

Voor de zitting van 19 januari 2018 heeft de rechter een aantal stukken van partijen gekregen en gelezen. Dit zijn:

  • -

    het verzoekschrift van [verzoekster] van 2 mei 2017,

  • -

    het bewijs dat het verzoekschrift aan [verweerder] is betekend op 10 mei 2017;

  • -

    het verweerschrift van [verweerder] , met daarin een aantal verzoeken en met producties 1 en 2, van 28 juli 2017;

  • -

    het verweerschrift tegen die verzoeken van [verzoekster] , met daarin nieuwe verzoeken en met producties 1 tot en met 11, van 23 augustus 2017;

  • -

    de brief van [verweerder] met producties 3 tot en met 12, van 8 januari 2018.

2.2.

De rechter heeft op de zitting met partijen en hun advocaten gesproken. Het gesprek ging over het verschil tussen de emotionele en de zakelijke kant van een scheiding en over hoe het de afgelopen drie jaar met partijen is gegaan. Partijen hebben allebei de wens uitgesproken graag verder te willen met elk hun eigen leven en zouden de onderlinge verstandhouding willen verbeteren, ook voor de kinderen. Verder is de zakelijke afwikkeling besproken rondom het gezamenlijke huis, het gezamenlijke bedrijf, de inboedel en het geld wat nog van elkaar te vorderen is. De zitting is toen onderbroken en partijen zijn met elkaar in gesprek gegaan om te kijken of ze zelf tot een oplossing zouden kunnen komen. Er zijn voorstellen uitgewisseld maar overeenstemming is niet bereikt. Ze hebben de rechter gevraagd beslissingen te nemen op de punten waarover ze het niet eens zijn geworden.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn getrouwd op huwelijkse voorwaarden. In de huwelijkse voorwaarden is vastgelegd dat alleen de inboedel gezamenlijk eigendom is. Partijen zijn het erover eens dat het huis waarin [verzoekster] nu woont ook gezamenlijk eigendom is. Op de zitting kwam naar voren dat partijen in de praktijk eigenlijk alles vooral samen deden. Ze spaarden samen, ze werkten samen, van gescheiden vermogens leken ze zich niet zo veel aan te trekken. Geld van privérekeningen werd naar gezamenlijke rekeningen overgemaakt en andersom, waardoor de vermogens vermengd zijn geraakt. Ook werd geld in het bedrijf gestopt en werden auto’s van het bedrijf voor privé gebruikt. Partijen vinden het moeilijk om al die geldstromen nu achteraf nog te ontrafelen.

De echtscheiding

3.2.

Partijen zijn het erover eens dat hun huwelijk is gestrand en ook niet meer goed zal komen. De rechter zal dan ook de echtscheiding tussen hen uitspreken.

3.3.

Op de punten die over de afwikkeling van het huwelijk gaan, zal de rechter hieronder punt voor punt een beslissing nemen.

De peildatum

3.4.

Partijen zijn het niet eens geworden over het tijdstip dat als uitgangspunt moet dienen voor de verrekening van de vermogens van partijen en voor het bepalen van de omvang van alle gemeenschappelijke goederen bij elkaar, de zogenaamde peildatum. In dat geval gaat de rechter uit van de datum waarop het verzoekschrift tot echtscheiding is ingediend. De peildatum is daarom 3 mei 2017. De peildatum voor de waarde van de gemeenschappelijke goederen is de datum waarop deze goederen daadwerkelijk worden verdeeld.

De woning aan de [adres] te [plaats] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldlening

3.5.

[verzoekster] wil het liefst in deze woning blijven wonen met de dochters van partijen. Ze kan dan ook haar bedrijf vanuit de woning voortzetten. Ze heeft dan ook gevraagd om de woning aan haar toe te delen. [verweerder] vindt het goed als [verzoekster] in de woning blijft wonen en de lasten daarvan overneemt. Hij vindt alleen dat het geld dat hij in de woning heeft geïnvesteerd, € 52.698, aan hem moet worden terugbetaald. [verzoekster] heeft gezegd dat zij bij de aankoop van het huis een bedrag van € 40.600 uit de afkoop van haar levensverzekering heeft ingebracht.

3.6.

De rechter weet niet wat de waarde van het huis is omdat partijen het nog niet hebben laten taxeren. Wel is duidelijk dat de WOZ-waarde per 1 januari 2016 € 215.000 was en dat de resterende hypotheekschuld € 64.200 is. Omdat het huis van partijen samen is, zullen zij de waarde van het huis samen moeten delen. Die waarde bestaat uit de taxatiewaarde min de hypotheekschuld, de zogenaamde overwaarde. De rechter beslist dan ook dat partijen samen een makelaar moeten kiezen die het huis taxeert en dat zij die waardetaxatie moeten accepteren. De rechter zal het huis aan [verzoekster] toedelen tenzij ze het niet kan betalen. Want zij zal aan [verweerder] zijn deel van de overwaarde moeten betalen. De rechter zal haar drie maanden geven om te onderzoeken of de overname van het huis mogelijk is voor haar. Als het lukt, zal [verweerder] niet meer hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de hypotheekschuld.

3.7.

Van de overwaarde mag [verzoekster] wel eerst € 40.600 aftrekken, omdat de rechter het voldoende duidelijk vindt dat zij die uit haar eigen vermogen in de woning heeft gestopt. De brieven en overschrijvingen die als productie 2 en 3 bij de stukken zitten laten zien dat haar levensverzekering is afgekocht, is gestort op haar rekening en vervolgens is doorgestort naar de gezamenlijke rekening met de omschrijving “sparen voor een mooi huis”. De helft daarvan heeft ze weer teruggestort naar haar eigen rekening maar tegelijkertijd heeft ze dit bedrag doorgestort aan de notaris als waarborgsom voor het huis.

3.8.

[verweerder] heeft met producties 6 tot en met 11 laten zien dat er regelmatig overschrijvingen hebben plaatsgevonden van zijn rekening naar de gezamenlijke rekening en andersom. Dit is een illustratie van het vermengen van de vermogens. Anders dan bij de overschrijvingen van [verzoekster] , kan de rechter hier meestal niet zien dat dit overschrijvingen waren die aan het huis ten goede zijn gekomen. Er is één overschrijving in productie 8 die aan het huis te koppelen is door de omschrijving “sparen voor het mooiste huis”. Dat gaat om een bedrag van € 1.169,52. Van de andere overschrijvingen is dat door de rechter niet vast te stellen met de stukken die er nu zijn. Dit bedrag zal [verzoekster] dan ook nog moeten aftrekken van de overwaarde en betalen aan [verweerder] als zij het huis overneemt.

3.9.

De beslissing van de rechter is dus dat partijen het huis laten taxeren door een makelaar die ze samen kiezen. Van de waarde min de hypotheekschuld mag [verzoekster] dan € 40.600 aftrekken. Dan moet ze € 1.169,52 van de overwaarde aftrekken en aan [verweerder] betalen en van wat er dan overblijft van de overwaarde, moet ze de helft aan [verweerder] betalen. Als haar dat niet lukt, zal het huis verkocht moeten worden en zal dat wat er overblijft na aftrek van de hypotheek en de vorderingen, tussen partijen moeten worden gedeeld, elk de helft. De kosten voor de makelaar delen partijen, elk de helft.

De inboedel

3.10.

Over de inboedel zijn partijen het er op de zitting over eens geworden dat die feitelijk al is verdeeld en dat de rechter daar geen beslissing meer over hoeft te nemen. De [naam] reproducties zijn voor [verweerder] . [verzoekster] zou nog graag de Puch brommer terugkrijgen. Het probleem is dat niet altijd duidelijk is waar deze spullen zijn. Partijen kijken wat ze kunnen doen. Van de door [verweerder] genoemde verkochte goederen is ter zitting duidelijk geworden dat die voor de peildatum zijn verkocht, zodat de rechter daar niets mee kan.

De verrekenvordering van [verzoekster]

3.11.

Volgens [verzoekster] kreeg zij elk jaar € 2.000 of € 3.000 van haar moeder voor haar verjaardag, kerst en de vakantie. Dit geld is opgegaan in de gezamenlijke huishouding, hoewel het van haar was. De rechter begrijpt het zo dat [verzoekster] vindt dat ze hierdoor relatief meer aan het huishouden heeft bijgedragen dan [verweerder] . Volgens [verweerder] is dat allemaal niet zo.

3.12.

De rechter heeft bij de stukken in productie 8 gezien dat er een keer € 1.000 is overgemaakt door de moeder van [verzoekster] en dat [verzoekster] dit heeft doorgestort naar de gezamenlijke rekening van partijen. Deze ene overschrijving is niet voldoende voor de conclusie dat [verzoekster] relatief meer heeft bijgedragen aan de gezamenlijke huishouding dan [verweerder] . De rechter ziet dus geen reden om het door [verzoekster] gevraagde bedrag van in totaal € 38.000 toe te wijzen. [verweerder] hoeft dit dus niet te betalen.

De bedrijven

3.13.

[verweerder] heeft gevraagd om de eenmanszaak [naam] van [verzoekster] te verdelen en aan haar toe te delen. Op de zitting is besproken dat de eenmanszaak tot het vermogen van [verzoekster] behoort en niet voor verdeling in aanmerking komt. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.

3.14.

Beide partijen wensen dat de VOF [naam] , waarin partijen samen werkzaam waren en waarvan zij beiden vennoot zijn, wordt toegedeeld aan [verweerder] en wordt verdeeld als gemeenschappelijk goed. Hieronder valt volgens partijen ook de afwikkeling van hun gezamenlijke bankrekening [rekeningnummer] . De rechter denkt er anders over. In artikel 827 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering staat wat er bij een echtscheidingsverzoek nog meer kan worden gevraagd. Dat kan bijvoorbeeld zijn de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden of de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. De afwikkeling van een vennootschapsrechtelijke gemeenschap hoort daar niet bij. Partijen zullen hiervoor dus een aparte procedure moeten beginnen als ze er zelf niet uitkomen, waarbij aan de hand van de vennootschapsovereenkomst en ieders bijdragen aan de vennootschap een verdeling zal kunnen plaatsvinden. In deze procedure is daarvoor geen plaats en daarom verklaart de rechter dit verzoek niet-ontvankelijk.

3.15.

Ten slotte bestond er nog onduidelijkheid over een aantal auto’s. Op de zitting is die onduidelijkheid niet minder geworden. De rechter kan niet vaststellen van wie de auto’s zijn, sommige zijn van het bedrijf, andere niet. Partijen hadden hierop geen concrete verzoeken gericht. De rechter hoeft hier dus niet over te beslissen.

De proceskosten

3.16.

Omdat partijen echtgenoten zijn bepaalt de rechter dat partijen elk de eigen proceskosten moeten dragen.

4 De beslissing

De rechtbank:

4.1.

spreekt de echtscheiding uit tussen de partijen, die met elkaar gehuwd zijn op [datum] 1996 in de gemeente [plaats] ;

4.2.

bepaalt dat partijen ter verdeling van de gezamenlijke woning [adres] te [plaats] , samen en in overleg een makelaar zullen aanwijzen die de waarde van de woning zal taxeren. Partijen zullen deze waarde accepteren. De woning zal worden toegedeeld aan [verzoekster] als zij binnen drie maanden na deze beschikking de financiering daarvoor rond heeft, waarbij zij na aftrek van de overwaarde van het haar toekomende bedrag van

€ 40.600 en aftrek en betaling aan [verweerder] van € 1.169,52, de helft van de resterende overwaarde aan [verweerder] moet betalen. Als het lukt, is [verweerder] niet meer hoofdelijk aansprakelijk voor de hypotheekschuld. Als het niet lukt, zullen partijen de woning verkopen, waarbij zij ten aanzien van de vraag- en laatprijs het advies van de makelaar zullen volgen. De overwaarde wordt dan na aftrek van de vorderingen van beide partijen en de kosten van de makelaar gedeeld, elk krijgt de helft;

4.3.

bepaalt dat de onder 4.2. genoemde beslissing uitvoerbaar is bij voorraad;

4.4.

verklaart het verzoek om de VOF [naam] te verdelen niet-ontvankelijk;

4.5.

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt;

4.6.

wijst af wat meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E. Snijders, rechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E. Huberts als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2018.