Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1163

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 1743; 17_1786
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:875, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is niet bevoegd om kennis te nemen van het beroep tegen de beslissing tot goedkeuring van het “Faunabeheerplan jacht en vrijstelling 2017-2023”.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2018/271
OGR-Updates.nl 2018-0074
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17/1743 en 17/1786

uitspraak van de meervoudige kamer van

in de zaken tussen

[eiseres], te [woonplaats],

(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra),

eiseres 1 (17/1743)

de verenigingen

[eiseres] , te [woonplaats],

[eiseres], te [woonplaats],

[eiseres], te [woonplaats],

[eiseres], te [woonplaats],

(gemachtigde: mr. E. Koornwinder),

eiseressen 2 (17/1786)

(gezamenlijk te noemen: eiseressen)

en

het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland te Arnhem, verweerder.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij], te [woonplaats].

Procesverloop

Bij besluit van 28 februari 2017 heeft verweerder het “Faunabeheerplan jacht en vrijstelling 2017-2023” (hierna te noemen: fbp) goedgekeurd voor een looptijd van 6 jaar, gerekend vanaf 25 januari 2017, op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb).

Eiseressen hebben beroep ingesteld tegen de beslissing van verweerder tot goedkeuring van het fbp.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2018. Eiseres 1 is vertegenwoordigd door mr. B.N. Kloostra, [eiseres] en [eiseres].

Eiseressen 2 zijn vertegenwoordigd door mr. E. Koornwinder en [eiseres]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door L.M.C Kloodt, G. de Vries en

T. Achterkamp. De derde-partij, [derde-partij] (hierna te noemen: SFG), is vertegenwoordigd door [derde-partij].

Overwegingen

1. De rechtbank dient ambtshalve te beoordelen of zij bevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen de beslissing van verweerder tot goedkeuring van het fbp.

2. Artikel 3.12, lid 1, van de Wnb luidt als volgt:

“Er zijn faunabeheereenheden die voor hun werkgebied een faunabeheerplan vaststellen. Het duurzaam beheer van populaties van in het wild levende dieren, de bestrijding van schadeveroorzakende dieren door grondgebruikers en de uitoefening van de jacht geschieden overeenkomstig het faunabeheerplan.”

Indien in een fbp verplichtingen zijn opgenomen, zijn die verplichtingen ingevolge deze bepaling bindend. Dat betekent dat, voor zover in een fbp verplichtingen zijn opgenomen, de vaststelling van een fbp een publiekrechtelijke rechtshandeling is, dat de Fbe in zoverre een bestuursorgaan is (artikel 1:1, lid 1, aanhef en onder b, van de Awb), en dat het fbp in zoverre een besluit is (artikel 1:3, lid 1, van de Awb).

3. De rechtbank stelt vast dat in het voorliggende fpb één verplichting is opgenomen, te weten een registratieverplichting. Dat betekent dat het fbp in zoverre een besluit van een bestuursorgaan is, en dat de beslissing van verweerder tot goedkeuring van het fbp in zoverre een besluit is.

4. De registratieverplichting die in het fbp is opgenomen, moet worden aangemerkt als een algemeen verbindend voorschrift.

Dat betekent dat ingevolge artikel 8:3, lid 1, aanhef en onder c, van de Awb tegen het besluit van verweerder tot goedkeuring geen beroep open staat.

5.1.

Hetgeen eiseressen – voor zover in dit verband van belang – hebben aangevoerd komt erop neer dat het fbp te beperkt is en dat daarin meer afwegingen en verplichtingen opgenomen hadden moeten worden. Samengevat hebben eiseressen daartoe het volgende gesteld.

In het fbp dient een afweging te worden gemaakt of en zo ja, in hoeverre, van de landelijke en provinciale vrijstellingen (artikel 3.15, leden 2 en 4, van de Wnb) gebruik mag worden gemaakt. Die afwegingen moeten worden toegespitst op concrete situaties, en voor die situaties zal beoordeeld moeten worden of sprake is van schade als bedoeld in artikel 3.15, lid 6, van de Wnb. Ook zal voor die situaties moeten worden beoordeeld of schade kan worden voorkomen door passende en doeltreffende maatregelen als bedoeld in artikel 3.12, lid 4, van de Wnb te treffen. Pas als schade niet geheel voorkomen kan worden door dergelijke maatregelen kan het fbp bepalen dat van de vrijstellingen gebruik mag worden gemaakt.

5.2.

De landelijke en provinciale vrijstellingen kunnen slechts verleend worden voor de bestrijding van schade als bedoeld in artikel 3.15, lid 6, van de Wnb. Voor de landelijke vrijstelling is dit vastgelegd in artikel 3.1, lid 4, van de Regeling natuurbescherming (Rnb). Voor de provinciale vrijstelling is dit vastgelegd in artikel 3.7.2.2, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening Gelderland, in samenhang met bijlage 27 van die verordening. Dat betekent dat wettelijk is vastgelegd bij welke schade van de vrijstellingen gebruik gemaakt mag worden door de grondgebruiker.

De rechtbank leest in artikel 3.12 van de Wnb niet, en ook niet elders in de Wnb, dat in het fbp getoetst zou moeten worden of in concrete situaties sprake is van schade waarvoor de vrijstellingen zijn verleend, en dat pas van de vrijstellingen gebruik gemaakt zou mogen worden nadat dit in het fbp is vastgesteld.

5.3.

Artikel 3.12, lid 4, van de Wnb is bij amendement toegevoegd (TK 2014-2015, 33 348 nrs. 94 en 111). De rechtbank leest in artikel 3.12, lid 4, van de Wnb, in de toelichting op het amendement, en ook elders in de Wnb niet, dat in het fbp beoordeeld zou moeten worden of in concrete situaties de schade, waarop de vrijstelling ziet, voorkomen en bestreden kan worden door passende en doeltreffende maatregelen. Ook leest de rechtbank in artikel 3.12, lid 4, van de Wnb niet dat in het fbp ten aanzien van concrete situaties zou moeten worden beslist of van een vrijstelling gebruik mag worden gemaakt.

5.4.

De rechtbank volgt eiseressen daarom niet in hun standpunt dat de SFG verplicht was om in het fbp beperkingen en voorwaarden op te nemen. Omdat de SFG niet verplicht was om dergelijke beperkingen en voorwaarden op te nemen kan het besluit tot vaststelling van het fbp niet worden aangemerkt als een beslissing om dergelijke beperkingen en voorwaarden niet op te nemen.

Anders gezegd: het besluit tot vaststelling van het fbp impliceert niet een beslissing van de SFG om geen beperkingen en voorwaarden, als door eiseressen bedoeld, op te nemen. In zoverre is de vaststelling van het fbp dus geen besluit, en geldt dat eveneens voor de beslissing van verweerder tot goedkeuring van het fbp.

6. Het voorgaande betekent dat de rechtbank niet bevoegd is om kennis te nemen van het beroep tegen de beslissing tot goedkeuring.

Onder verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb stelt de rechtbank vast dat over het geschil uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

7.1

De rechtbank ziet aanleiding om het verzoek van eiseressen tot veroordeling van verweerder tot betaling van het griffierecht en de proceskosten toe te wijzen. Reden hiervoor is de onjuiste rechtsmiddelverwijzing onder de beslissing van verweerder tot goedkeuring van het fbp, hetgeen verweerder weliswaar gelet op de juridische complexiteit niet valt te verwijten maar wel voor zijn risico komt.

7.2

Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor eiseres 1 en voor eiseressen 2 vast op € 501 (1 punt voor het verschijnen op zitting).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart zich onbevoegd;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres 1 tot een bedrag van € 501;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseressen 2 tot een bedrag van € 501;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseres 1 betaalde griffierecht van € 333,00 aan haar vergoedt;

  • -

    bepaalt dat verweerder het door eiseressen 2 betaalde griffierecht van € 333,00 aan hen vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J. Post, voorzitter, mr. R.J. Jue en mr. L.M. Koenraad, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op:

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.