Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1157

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
06-03-2018
Datum publicatie
21-03-2018
Zaaknummer
C/05/331602/KG ZA 18-10
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Aanbesteding. Uitleg van criterium in offerteaanvraag. Eis niet duidelijk, precies en ondubbelzinnig in relevante aanbestedingsstukken geformuleerd. Wijze van beoordelen niet transparant. Beginselen van gelijkheid en transparantie onvoldoende in acht genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Aanbesteding 2018/888
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/331602 / KG ZA 18-10

Vonnis in kort geding van 6 maart 2018

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

BOER SPEELTOESTELLEN B.V.,

gevestigd te Nieuwendijk,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KOMPAN B.V.,

gevestigd te Zaltbommel,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

NIJHA B.V.,

gevestigd te Lochem,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

IJSLANDER B.V.,

gevestigd te Oldebroek,

eiseressen,

advocaten mrs. P.H.L.M. Kuypers en L. Bozkurt te Rotterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE NIJMEGEN,

zetelend te Nijmegen,

gedaagde,

advocaten mrs. T. van Wijk en I. Docter te Nijmegen,

waarin heeft gevorderd als voegende partij aan de zijde van eisers te worden toegelaten:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SPERECO HOLLAND B.V.,

gevestigd te Weert,

eiseres in het incident tot voeging,

advocaten mrs. P.H.L.M. Kuypers en L. Bozkurt te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Boer c.s., de gemeente en Spereco worden genoemd.

1 De procedure

in de hoofdzaak en in het incident tot voeging

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties 1 tot en met 5

  • -

    de akte eiswijziging tevens overlegging aanvullende producties 6 tot en met 14 van Boer c.s.

  • -

    de incidentele conclusie tot voeging van Spereco

  • -

    de producties 1 tot en met 6 van de gemeente

  • -

    de mondelinge behandeling van 23 februari 2018

  • -

    de pleitnota van Boer c.s. en Spereco

  • -

    de pleitnota van de gemeente.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

in de hoofdzaak en in het incident tot voeging

2.1.

De gemeente heeft op 31 oktober 2017 de opdracht “Europese aanbesteding Levering en plaatsing van Speeltoestellen, Openbare procedure CPV 37535200-9” gepubliceerd. De offerteaanvraag luidt voor zover thans van belang:

‘(…)

1 Inleiding

(…)

1.3

Aanleiding en doelstelling van de aanbesteding

De huidige contracten lopen ten einde. De doelstelling van de aanbesteding is te komen tot nieuwe Raamovereenkomsten met maximaal 5 Ondernemers voor de levering en plaatsing van speeltoestellen.

(…)

2 De Aanbesteding

(…)

2.3.1

Gelegenheid tot vragen stellen

(…)

De Offerteaanvraag is met de grootste zorg opgesteld. Indien naar de mening van een Ondernemer de Offerteaanvraag, de aanbestedingsprocedure en/of enig ander aanbestedingsdocument een onduidelijkheid, (innerlijke) tegenstrijdigheid, onrechtmatigheid en/of andere onvolkomenheid bevat, dient hij dat (op straffe van rechtsverwerking) uiterlijk voor de deadline voor het stellen van vragen aan de Aanbestedende Dienst kenbaar te maken op de wijze beschreven in deze paragraaf.

Indien een Ondernemer een vraag heeft gesteld, respectievelijk bezwaar heeft gemaakt, en het antwoord naar diens oordeel onbevredigend is, dient de Ondernemer op straffe van verval van recht uiterlijk 7 kalenderdagen voor de uiterlijke datum dat de Inschrijving moet zijn ingediend (zie de planning in paragraaf 2.2) de Aanbestedende dienst in kort geding te betrekken. (…)

Indien de Ondernemers na de laatste Nota van Inlichtingen geen vragen stellen over of bezwaar maken tegen bepalingen in de Aanbestedingsdocumenten en/of geen kort geding aanhangig maken ingeval zij zich niet met de inhoud van de laatste Nota van Inlichtingen kunnen verenigen, dan kan de Ondernemer zich daar na Inschrijving (bijvoorbeeld bij afwijzing) niet meer op beroepen (rechtsverwerking). (…)

2.5.2

Voorbehouden van Aanbestedende dienst

(…)

6. De Aanbestedende dienst behoudt zich het recht voor Ondernemers om een toelichting op of aanvulling van hun Inschrijving te verzoeken. Een toelichting of aanvulling mag nooit leiden tot een (inhoudelijke) wijziging van de Inschrijving. Bij het verzoek om een toelichting of aanvulling zal de Aanbestedende dienst altijd de aanbestedingsbeginselen in acht nemen.

(…)

3.1

Indeling en inhoud Inschrijving

De Inschrijving dient (op straffe van ongeldigheid) de informatie te bevatten die hieronder wordt weergegeven.

(…)

 Document 2: Uitwerking “Ladder van Wijnand” (bijlage 11), rechtsgeldig ondertekend, incl. bewijzen;

(…)

4 Gunningcriteria en beoordeling

(…)

4.1.1

Wegingsfactoren en beoordeling

Aanbestedende dienst gunt op het criterium ‘beste prijs-kwaliteitverhouding (Beste PKV)’. Meer specifiek ‘de meeste kwaliteit tegen het gegeven budget’, middels onderstaande wegingsfactoren.

4.1.2

Gunningscriterium Kwaliteit

Aanbestedende dienst wenst Ondernemer te beoordelen op de kwaliteit die hij kan bieden in zijn Inschrijving, ten einde de ‘beste prijs-kwaliteitverhouding (Beste PKV)’, te kunnen selecteren. Hieronder volgt een beschrijving van de gehanteerde kwaliteitscriteria in de gunning.

Kwaliteitscriterium 1 Speeltoestel gericht op toekomstig hergebruik

Aanbestedende dienst wenst de Inschrijving te beoordelen op de mate waarin speeltoestellen zijn gericht op toekomstig hergebruik.

Aanbestedende dienst hecht veel belang aan toekomstig hergebruik van speeltoestellen en wenst een ondernemer te contracteren die op dat gebied kan aantonen hierin te kunnen voorzien

Het gunningscriterium is schematisch weergegeven in onderstaande schema.

Als eerbetoon aan de zeer gewaardeerde collega Wijnand, die 1 november met pensioen gaat, noemen we dit schema:

U wordt verzocht ten aanzien van een speeltoestel binnen uw collectie aan te geven in welke mate het betreffende toestel gericht is op hergebruik. Gebruik hiervoor bijlage 11.

Bij uw uitwerking dient u aan te tonen met bewijzen dat het hergebruik ook op de ingediende wijze overeenkomstig bijlage 11 gebeurt. Uit de bewijzen moet onomstotelijk

zijn vast te stellen door de Aanbestedende dienst dat het hergebruik plaatsvindt zoals door Inschrijver benoemd in bijlage 11.

Beoordeling

De puntentelling vindt als volgt plaats:

Overeenkomstig de in de Ladder van Wijnand toegekende waardering per trede en daarbij behorende bewijslast.

Kwaliteitscriterium 2 Garantie termijn speeltoestellen, incl. bewegende delen

Aanbestedende dienst hecht veel waarde aan kwaliteit. U dient aan te geven hoelang u Garantie geeft op uw toestellen. Het minimum aantal jaren is 3 jaar en het maximum aantal jaren Garantie is twintig.

(…)

Voor elk jaar Garantie boven de minimale eis van drie jaar krijgt de Inschrijver tien (10) punten. Het maximaal aantal punten bij 20 jaar is 170. Een langere garantie periode dan 20 jaar geeft geen extra punten.

(…)

4.1.3

Gunningscriterium Prijs

Aanbestedende dienst wenst Ondernemer te beoordelen op de prijzen die hij hanteert in zijn Inschrijving, ten einde de ‘beste prijs-kwaliteitverhouding (Beste PKV)’, te kunnen selecteren.

(…)

4.1.3.3 Beoordeling

Ondernemer die binnen het budget van € 25.000,- de in bijlage 6 omschreven configuratie kan uitvoeren voldoet aan de eis.

(…)’

4.1.4

Afronding beoordeling Gunningscriteria

Het beoordelingsteam van Aanbestedende dienst rondt de beoordeling af in een beoordelingsvergadering. De scores op de gunningscriteria zoals genoemd in paragraaf

4.1.2

worden bij elkaar opgeteld conform de vastgestelde wegingsfactoren. Zodoende zijn de totale scores per Ondernemer bekend. Indien de Ondernemers die in rangorde op de

vijfde en zesde plaats eindigen een gelijke scoren hebben dan zal door middel van loting de winnaar bepaald worden wie er op de vijfde plaats komt.

(…)’

2.2.

Bijlage 11 van de offerteaanvraag luidt als volgt:

2.3.

Op 24 november 2017 is de eerste Nota van Inlichtingen verschenen. In deze Nota staat onder meer vermeld:

‘(…)

Vraag 2: U geeft aan dat hergebruik belangrijk is. De leverancier moet hergebruik aantonen. Kunt u aangeven welk bewijs voldoet?

Antwoord: Uit de bewijzen moet onomstotelijk zijn vast te stellen door de Aanbestedende dienst dat het hergebruik plaatsvindt zoals door Inschrijver benoemd in bijlage 11. Aanbestedende dienst wil u hierin niet beperken dit te onderbouwen. Mogelijk kan

inschrijver reeds uitgevoerd projecten in dit kader overleggen. Afspraken met recycle bedrijven, etc.

Vraag 5: Dit criterium [voorzieningenrechter: kwaliteit] laat veel ruimte over voor vrije interpretatie wat naar ons idee niet uw bedoeling zal zijn én waardoor u mogelijk niet de partij selecteert die maximale duurzaamheid kan garanderen.

B.v.

 Het is reëel aan te nemen dat als een toestel één jaar oud is is 100% van dit toestel opnieuw te gebruiken, ongeacht de kwaliteit of samenstelling. Naarmate een toestel ouder wordt kan de mate van herbruikbaarheid op onderdelen afnemen.

(…)

Wij willen u vragen meer gespecificeerde eisen te geven betreffende het te hergebruiken toestel. Denk hierbij aan een minimale leeftijd op het moment van vervanging en een minimale afmeting van het toestel.

(…)

Gaat u hiermee akkoord?

Antwoord: De mate van hergebruik na 8 jaar.

(…)

Vraag 6: Wij constateren dat enkel op gunningscriterium 1 Ladder van Wijnand én op 2 garantietermijn de gunning plaats vindt. De ervaring leert dat wanneer een maximale garantie gesteld wordt met hieraan vastgekoppelde punten iedere inschrijver voor deze maximale garantie zal kiezen. Dit betekend dat het onderscheid enkel op criteria 1 gemaakt kan worden. waarbij door de opzet van de huidige criteria de kans zeer aannemelijk is dat vele inschrijvers dezelfde score behalen. Wij kunnen ons voorstellen dat dit niet uw insteek is van deze aanbesteding en dat u de beste partij wil selecteren en niet door middel van loting. Daarom willen wij u vragen om de beoordelingssystematiek zouden willen heroverwegen. Zo niet, zou u dit dan willen onderbouwen.

Antwoord: Aanbestedende dienst past de gunningscriteria niet aan. Aanbestedende dienst heeft niet de ervaring zoals u beschrijft.

(…)

Vraag 9: Kan de aanbestedende dienst aangeven hoeveel A4 maximaal en welke lettergrootte er gebruikt mag worden voor de uitwerking van de ladder van Wijnand?

Antwoord: Geen beperking. Voeg de bewijzen toe die nodig zijn, zodat onomstotelijk is vast te stellen door de Aanbestedende dienst dat het hergebruik plaatsvindt zoals door Inschrijver benoemd in bijlage 11.

(…)

Vraag 11: Hier staat vermeld “Aanbestedende dienst hecht veel belang aan toekomstig hergebruik van speeltoestellen en wenst een ondernemer te contracteren die op dat gebied kan aantonen hierin te kunnen voorzien”. In het prijzenblad wordt gevraagd naar houten speeltoestellen. Dit strookt naar onze mening niet met elkaar, hout zit niet in het bovenste gedeelte van de ladder. Kan de aanbestedende dienst onderbouwen waarom er hier voor hout gekozen wordt? en/of de eis van houten toestellen laten vervallen?

Antwoord: Aanbestedende dienst ziet met interesse uit naar de uitwerking betreffende de Ladder van Wijnand. Hierin mogen alle voorkomende materialen gebruikt worden. Uit uw uitwerking zal blijken wat de mate van herbruikbaarheid is. De bijlage met het prijsblad wordt niet aangepast.

(…)

Vraag 18: Welk type bewijsmateriaal wordt geaccepteerd en gaat door als ‘onomstotelijk’, kan het hier bijvoorbeeld gaan om een referentieproject?

Antwoord: Ja, bijvoorbeeld. Zie ook het antwoord op vraag 2.

(…)’

2.4.

Op 1 december 2017 is een tweede Nota van Inlichtingen verschenen en op

7 december 2017 een derde.

2.5.

Vervolgens hebben elf inschrijvers, waaronder Boer c.s., op de opdracht ingeschreven. De inschrijving van één inschrijver is als ongeldig terzijde gelegd, zodat tien inschrijvingen resteerden. De gemeente heeft deze inschrijvingen beoordeeld. Uit deze

beoordeling volgde dat alle tien de inschrijvers 170 punten hebben gescoord op kwaliteitscriterium 2, betreffende de garantietermijn. Op kwaliteitscriterium 1, betreffende

de mate van hergebruik, hebben negen inschrijvers, waaronder Boer c.s. en Spereco, ingeschreven met 250 punten op bijlage 11 in verband met “100% re-use” van hun producten. De gemeente heeft deze negen inschrijvers steeds 0 punten toegekend. De winnende inschrijver, Proludic B.V., heeft voor dit criterium 249,63 punten toegekend gekregen.

2.6.

De gemeente heeft de negen inschrijvers die dezelfde scores hebben behaald op

20 december 2017 bericht dat op 22 december 2017 een loting zou plaatsvinden voor de plaatsen 2, 3, 4 en 5. Enkele inschrijvers hebben naar aanleiding van dit bericht vragen gesteld aan de gemeente over de wijze waarop de loting zou plaatsvinden en daartegen bezwaren geuit. Boer c.s. en Spereco zijn op 22 december 2017 uitgeloot.

2.7.

Op 5 februari 2018 heeft de gemeente aan de inschrijvers die op 22 december 2017 zijn uitgeloot een voorlopige gunningsbeslissing verstuurd. In de beslissing betreffende Boer Speeltoestellen is de volgende passage opgenomen:

‘(…)

Ter toelichting op de op KW1 behaalde score het volgende. Boer Speeltoestellen heeft 0 punten behaald, omdat bij de inschrijving geen onomstotelijk bewijs aangaande gunningscriterium KW1 is overgelegd. De door Boer Speeltoestellen aangeleverde toelichting op Duurzaamheid volstaan niet als bewijs nu daarmee niet wordt aangetoond dat de speeltoestellen van Boer Speeltoestellen voor 100% in aanmerking komen voor ‘re-use’ zoals door Boer Speeltoestellen aangegeven in de toelichting Duurzaamheid. Het aanleveren van onomstotelijk bewijs was op basis van de aanbestedingsstukken wel vereist. Proludic heeft wel bewijsstukken overgelegd en heeft daarmee aangetoond dat haar product na 8 jaar voor 99,645% onder ‘re-use’ valt en voor 0,346% onder ‘recycle’ valt. Dit resulteert voor Proludic op gunningscriterium KW1 in een score van 249,63.

(…)’

2.8.

In de gunningsbeslissingen aan de overige uitgelote partijen is een zelfde soort passage opgenomen, waaruit blijkt dat volgens de gemeente geen onomstotelijk bewijs van de mate van hergebruik als aangegeven in bijlage 11 is geleverd en zij op kwaliteitscriterium 1 geen punten hebben gescoord.

3 Het geschil

in het incident tot voeging

3.1.

Spereco vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, in het geding te worden toegelaten als voegende partij aan de zijde van Boer c.s., met veroordeling van de gemeente in de proceskosten.

3.2.

Boer c.s. en de gemeente voeren geen verweer.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

in de hoofdzaak

3.4.

Boer c.s. vorderen - na vermeerdering van eis - bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

I de gemeente te gebieden de voorlopige gunningsbeslissingen van 5 februari 2018 naar aanleiding van de lotingsuitslag binnen twee weken na de datum van dit vonnis in te trekken;

II de gemeente te gebieden de voorliggende aanbesteding te staken en gestaakt te houden;

III de gemeente te gebieden om, voor zover zij de opdracht nog wenst te vergeven, deze opnieuw door middel van een Europese aanbesteding in de markt te zetten, waarbij zij zorg dient te dragen voor een gunningssystematiek die in overeenstemming is met de verplichtingen die voortvloeien uit het gelijkheids- en transparantiebeginsel en/of voor aanbestedingsdocumenten die in overeenstemming zijn met het gelijkheids- en transparantiebeginsel;

Subsidiair

IV de gemeente te gebieden de voorlopige gunningsbeslissingen van 5 februari 2018 naar aanleiding van de lotingsuitslag binnen twee weken na de datum van dit vonnis in te trekken;

V de gemeente te gebieden om binnen drie weken na de datum van dit vonnis de inschrijvingen van de inschrijvers opnieuw te beoordelen door een nieuw onafhankelijk beoordelingsteam, met inachtneming van het bepaalde in de aanbestedingsstukken (met name de offerteaanvraag, de NvI-1 en NvI-2) de beginselen van aanbestedingsrecht en het bepaalde in dit vonnis;

Meer subsidiair

VI de gemeente te gebieden de voorlopige gunningsbeslissingen van 5 februari 2018 naar aanleiding van de lotingsuitslag binnen twee weken na de datum van dit vonnis in te trekken;

VII de gemeente te gebieden inschrijvers binnen 14 dagen na een daartoe strekkend verzoek van de gemeente de gelegenheid te bieden bewijsstukken in te dienen waaruit blijkt dat de opgegeven percentages hergebruik voor een speeltoestel bij KW1 realistisch zijn om vervolgens alle inschrijvingen te herbeoordelen binnen drie weken na het aanleveren van de stukken door een nieuw onafhankelijk beoordelingsteam, met inachtneming van het bepaalde in de aanbestedingsstukken en de beginselen van aanbestedingsrecht en het bepaalde in dit vonnis;

Primair en (meer) subsidiair

VIII de gemeente te veroordelen in de proces- en nakosten, te vermeerderen met wettelijke rente.

3.5.

De gemeente voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.6.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover voor de beoordeling van dit geschil van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling van het geschil

in het incident tot voeging

4.1.

Boer c.s. en de gemeente hebben geen verweer gevoerd tegen de voeging van Spereco aan de zijde van Boer c.s. Vaststaat verder dat Spereco een rechtstreeks en in rechte te erkennen belang heeft bij voeging, nu de uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde zij zich voegt, de rechtspositie van Spereco nadelig kan beïnvloeden. Daarom zal Spereco worden toegelaten als voegende partij aan de zijde van Boer c.s.

in de hoofdzaak

4.2.

De spoedeisendheid van de vorderingen vloeit voldoende uit de stellingen van Boer c.s. (waaronder vanaf dit moment ook Spereco valt) voort.

4.3.

Boer c.s. vorderen in deze kort gedingprocedure primair kort gezegd heraanbesteding van de opdracht, voor zover de gemeente de opdracht nog wenst te vergeven, met veroordeling van de gemeente om de huidige aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden. Boer c.s. leggen aan deze vordering ten grondslag dat de aanbestedingsprocedure op meerdere punten in strijd is met de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijkheid en transparantie, zodat de aanbesteding ongeldig is en in ieder geval niet op de huidige wijze kan worden voortgezet. Boer c.s. stellen hiertoe onder meer dat de gemeente kwaliteitscriterium 1 niet duidelijk, precies en ondubbelzinnig in de aanbestedingsstukken heeft geformuleerd en de inschrijvingen op dit criterium ook niet besteksconform heeft beoordeeld. De gemeente voert verweer en voert allereerst aan dat Boer c.s. te laat zijn met klagen over de gunningssystematiek, omdat zij dit proactief en direct nadat zij bekend zijn geworden met de systematiek hadden moeten doen. De gemeente voert verder aan dat de aanbestedingsprocedure rechtsgeldig is verlopen, dat de juiste systematiek is gehanteerd en dat een beoordeling heeft plaatsgevonden zoals aangekondigd in de offerteaanvraag, zodat de vorderingen van Boer c.s. ook daarom dienen te worden afgewezen.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De offerteaanvraag bevat drie gunningscriteria aan de hand waarvan de verschillende inschrijvers punten konden scoren, om zo uiteindelijk al dan niet voor gunning van de opdracht in aanmerking te komen. Vaststaat dat het criterium betreffende de prijs in feite een zogenaamd knock-out criterium was, omdat de inschrijving van een inschrijver die de opdracht niet binnen een budget van

€ 25.000,00 zou kunnen vervullen ongeldig zou worden verklaard. Dan resteren twee kwaliteitscriteria. Het eerste criterium ziet op de mate van hergebruik van de aangeboden speeltoestellen. Uit de offerteaanvraag volgt dat de inschrijvers de mate van hergebruik dienden in te vullen aan de hand van de zogeheten ‘Ladder van Wijnand’. Deze ladder kent verschillende niveaus van hergebruik, waarbij aan volledige “re-use” een puntenaantal van 250 is toegekend en aan volledige “waste” een puntenaantal van 0. Vaststaat dat de inschrijvers op bijlage 11 bij de offerteaanvraag dienden in te vullen welk percentage van één van de in haar bezit zijnde speeltoestellen op welke wijze zou worden hergebruikt. Volgens de offerteaanvraag dienden de inschrijvers deze mate van hergebruik met bewijzen te onderbouwen, waaruit onomstotelijk moest blijken dat de opgegeven wijze van hergebruik ook zou worden gerealiseerd. Uit de overgelegde Nota’s van Inlichtingen volgde vervolgens dat de wijze waarop de inschrijvers hun inschrijving op kwaliteitscriterium 1 konden onderbouwen geheel aan henzelf werd overgelaten en dat de gemeente hen daarin niet wilde beperken, zolang maar sprake was van onomstotelijk bewijs. Daarbij heeft de gemeente als voorbeeld voor onomstotelijk bewijs het bijvoegen van een reeds uitgevoerd project genoemd en het bijvoegen van een referentieproject akkoord bevonden. Gevraagd naar het type bewijs dat als ‘onomstotelijk’ zou worden geaccepteerd, heeft de gemeente immers geen concreet antwoord gegeven maar slechts bevestigd dat het door de inschrijver gegeven voorbeeld van bewijs (een referentieproject) als zodanig kon gelden (zie hiervoor onder 2.3., vraag 18). De gemeente gaf daarbij aan met interesse uit te kijken naar de wijze waarop inschrijvers de “Ladder van Wijnand” zouden invullen. Vervolgens hebben elf partijen op de opdracht ingeschreven, waarvan één inschrijving als ongeldig terzijde is gelegd. Negen van de tien resterende inschrijvers hebben aan de hand van de “Ladder van Wijnand” aangegeven dat zij hun speeltoestel na de voorgeschreven acht jaar voor 100% kunnen hergebruiken. Vaststaat dat al deze negen inschrijvers 0 punten hebben gescoord op kwaliteitscriterium 1, omdat zij volgens de gemeente geen onomstotelijk bewijs hebben overgelegd waaruit de door hen op bijlage 11 aangegeven mate van hergebruik blijkt.

4.5.

De vraag die thans voorligt is op welke wijze het criterium onomstotelijk bewijs in de onderhavige aanbestedingsprocedure dient te worden uitgelegd en toegepast. Bij het antwoord op deze vraag moet allereerst in ogenschouw worden genomen hetgeen het Europese Hof van Justitie in de zaak Succhi di Frutta (HvJ 29 april 2004, zaak C-496/99 PbEG 2004 C 118) en de Hoge Raad in de zaak Van der Stroom/Staat (HR 4 november 2005, LJN AU 2806, NJ 2006, 204) hebben overwogen en als uitgangspunt voorop hebben gesteld, te weten dat het aanbestedingsrecht twee centrale beginselen kent: het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers en het daarvan afgeleide transparantiebeginsel. Het beginsel van gelijke behandeling van inschrijvers beoogt de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht deelnemende ondernemingen te bevorderen en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offerte gedane voorstel dezelfde kansen krijgen: voor alle mededingers moeten dezelfde voorwaarden gelden. Het transparantiebeginsel strekt, in samenhang daarmee, ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze, opdat enerzijds alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en zij deze op dezelfde wijze kunnen interpreteren, en anderzijds de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria die op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Dat brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaatsvindt, zoals de selectiecriteria.

Daarnaast dient eveneens acht te worden geslagen op de bewoordingen van de eis (hoofdstuk 4) in de offerteaanvraag, gelezen in het licht van de gehele tekst van alle relevante aanbestedingsstukken. Daarbij komt het aan op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin die stukken zijn gesteld. Bij die uitleg kan onder meer worden gekeken naar de elders in de aanbestedingsstukken gebruikte formuleringen.

4.6.

De voorzieningenrechter is met inachtneming van het voorgaande van oordeel dat de gemeente de eis dat inschrijvers de door hen aangegeven mate van hergebruik met onomstotelijk bewijs moeten onderbouwen in de relevante aanbestedingsstukken niet duidelijk, precies en ondubbelzinnig heeft geformuleerd. Waar de gemeente op specifieke vragen van de inschrijvers in de Nota’s van Inlichtingen diverse keren heeft geantwoord dat de inschrijvers vrij zijn in de wijze waarop zij dat bewijs dienen te leveren en zij de inschrijvers op dat punt niet wil beperken, maar juist met interesse uitkijkt naar de wijze waarop de inschrijvers kwaliteitscriterium 1 “Ladder van Wijnand” zullen invullen, is ter zitting gebleken dat de gemeente slechts genoegen nam met één specifieke wijze van bewijslevering. Ter zitting is verklaard dat onomstotelijk bewijs naar de mening van de gemeente uitsluitend kon worden geleverd door het overleggen van foto’s van een speeltoestel voor en na het moment van herplaatsen, althans dat enkel dat bewijs is geaccepteerd, omdat volgens de gemeente alleen op die manier onomstotelijk is bewezen dat het toestel één op één is overgeplaatst en dus 100% is hergebruikt. Dit is een invulling van de eis die voor een behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijver niet duidelijk en kenbaar was en ook niet kon zijn, omdat de gemeente deze invulling pas achteraf, in de beoordelingsfase en dus nadat de inschrijvingstermijn was verstreken, kennelijk aan deze eis heeft toegekend. Op basis van onder andere het antwoord op vraag 18 van de eerste Nota van Inlichtingen wisten de inschrijvers immers niet beter, en konden zij ook niet beter weten, dan dat zij vrij waren in de wijze waarop zij onomstotelijk bewijs konden en wilden leveren. Dat de aanbestedingsdocumenten wat betreft die invulling in het geheel niet duidelijk waren, blijkt ook wel uit het feit dat negen inschrijvers het bewijs niet door middel van voor- en nafoto’s hebben geleverd. Het verweer van de gemeente dat de inschrijvers hierover direct na de bekendmaking van de gunningscriteria en aldus in een veel eerder stadium hadden moeten klagen gaat niet op. Voordat de verschillende inschrijvers hebben ingeschreven gold blijkens de Nota’s van Inlichtingen immers geen beperking voor het leveren van onomstotelijk bewijs, zodat over de wijze waarop de gemeente deze eis vervolgens in de beoordelingsfase van de aanbestedingsprocedure heeft ingevuld niet eerder dan na het bekendmaken van de scores kon worden geklaagd. Vaststaat dat de inschrijvers dit ook hebben gedaan, zodat zij voldoende proactief hebben gehandeld.

4.7.

Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat de wijze waarop de beoordeling van kwaliteitscriterium 1 heeft plaatsgevonden niet transparant is. Het is volstrekt onduidelijk hoe de gemeente met betrekking tot negen van de tien rechtsgeldige inschrijvingen tot een score van 0 punten voor dit criterium is gekomen. Indien de gemeente van mening was dat door die negen inschrijvers geen onomstotelijk bewijs is geleverd van de door hen ingevulde mate van hergebruik, dan was niet voldaan aan het bepaalde in artikel 3.1 van de offerteaanvraag en zou dat volgens die offerteaanvraag moeten leiden tot ongeldigheid van de inschrijving en aldus tot uitsluiting van de inschrijver. In plaats daarvan heeft de gemeente aan die inschrijvers een score van 0 punten toegekend, welke score volgens de “Ladder van Wijnand” behoort bij 100% “waste”, terwijl de gemeente ter zitting in dat verband heeft aangevoerd dat zij de beoordelaars niet voldoende kundig achtte om bij gebrek aan onomstotelijk bewijs van de mate van hergebruik die de inschrijvers hadden opgegeven, zelfstandig te kunnen beoordelen van welke mate van hergebruik in plaats daarvan sprake was. Niet transparant is daardoor hoe de gemeente tot de 100% waste-scores is gekomen die zij aan de negen inschrijvers heeft toegekend, waarbij wederom heeft te gelden dat de invulling van de beoordelingswijze die de gemeente kennelijk heeft toegepast ook niet op voorhand duidelijk, precies en ondubbelzinnig uit de relevante aanbestedingsdocumenten blijkt. De in de offerteaanvraag bekend gemaakte wijze van beoordelen is in ieder geval niet gevolgd. Enige vorm van favoritisme en willekeur in de beoordelingsfase kan daarom niet worden uitgesloten. Daarbij komt nog dat de voorzieningenrechter het, anders dan de gemeente, op voorhand niet zonder meer evident acht dat de gemeente in een geval als dit, waarin zij het bij negen van de tien geldige inschrijvingen naar eigen zeggen ongeloofwaardig en onvoldoende onderbouwd acht dat zij hun speeltoestel voor de volle 100% kunnen hergebruiken, niet om een aanvullende toelichting of aanvulling had mogen vragen als bedoeld in artikel 2.5.2 van de offerteaanvraag. Dit temeer omdat voor de gemeente op basis van de uitkomst van de beoordeling van de inschrijvingen geen andere conclusie mogelijk kan zijn geweest dan dat het voor de inschrijvers niet duidelijk was wat van hen op dat punt werd verwacht.

4.8.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat dit alles ertoe leidt dat de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijkheid en transparantie in de onderhavige aanbestedingsprocedure niet, althans onvoldoende in acht zijn genomen. De aanbesteding heeft daardoor niet op rechtsgeldige wijze plaatsgevonden en kan dan ook geen grondslag vormen voor gunning van de opdracht. Boer c.s. hebben verder nog gewag gemaakt van overige bezwaren tegen de aanbestedingsprocedure, waaronder het feit dat de offerteaanvraag slechts spreekt van een mogelijkheid tot loting indien twee inschrijvers gelijk eindigen op plek vijf, en de gemeente uiteindelijk met negen (dus nagenoeg alle) partijen voor de plekken twee tot en met vijf heeft geloot en het feit dat de gehanteerde criteria geen enkel onderscheidend vermogen hebben (waarvoor door een inschrijver in de eerste Nota van Inlichtingen reeds was gewaarschuwd), waardoor geen sprake kan zijn van enige vorm van concurrentie en dus gezonde mededinging, en dat ook blijkt uit de omstandigheid dat aan negen van de tien geldige inschrijvingen op alle onderdelen een volledig zelfde score is toegekend. De voorzieningenrechter is echter van oordeel dat de overige reeds hiervoor besproken bezwaren reeds tot toewijzing van de primaire vordering van Boer c.s. leiden, zodat deze nadere bezwaren in deze kort gedingprocedure verder onbesproken kunnen blijven. Toewijzing van de primaire vordering brengt met zich dat de gemeente hierna zal worden veroordeeld de voorlopige gunningsbeslissingen van 5 februari 2018 in te trekken en de huidige aanbestedingsprocedure te staken en gestaakt te houden. Daarnaast zal de gemeente worden veroordeeld om, voor zover zij de opdracht nog wenst te vergeven, voor een aanbestedingsprocedure te kiezen die in lijn is met de aanbestedingsrechtelijke beginselen van gelijkheid en transparantie, zoals door Boer c.s. is gevorderd.

in het incident tot voeging en in de hoofdzaak

4.9.

De gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in de hoofdzaak worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Boer c.s. tot op heden begroot op:

  • -

    explootkosten € 81,00

  • -

    griffierecht € 626,00

  • -

    salaris advocaat € 816,00

Totaal € 1.523,00

4.10.

De gemeente zal tevens in de kosten van het incident worden veroordeeld, welke kosten tot op heden worden begroot op nihil.

4.11.

De gevorderde nakosten en wettelijke rente zullen worden toegewezen als na te melden.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter

in het incident tot voeging

5.1.

laat Spereco toe als voegende partij aan de zijde van Boer c.s.,

5.2.

veroordeelt de gemeente tot betaling van de proceskosten in het incident, aan de zijde van Spereco tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil,

in de hoofdzaak

5.3.

veroordeelt de gemeente de voorlopige gunningsbeslissingen van 5 februari 2018 naar aanleiding van de lotingsuitslag van 22 december 2017 binnen twee weken na de datum van dit vonnis in te trekken,

5.4.

veroordeelt de gemeente de voorliggende aanbesteding te staken en gestaakt te houden,

5.5.

veroordeelt de gemeente om, voor zover zij de opdracht nog wenst te vergeven, deze opnieuw door middel van een Europese aanbesteding in de markt te zetten, waarbij zij zorg dient te dragen voor een gunningssystematiek die in overeenstemming is met de verplichtingen die voortvloeien uit het gelijkheids- en transparantiebeginsel en/of voor aanbestedingsdocumenten die in overeenstemming zijn met het gelijkheids- en transparantiebeginsel,

5.6.

veroordeelt de gemeente tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Boer c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.523,00, waarin begrepen € 816,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis,

5.7.

veroordeelt de gemeente, onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Boer c.s. volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
- € 131,00 aan salaris advocaat, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na aanschrijving,
- te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van het vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening,

5.8.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.M.I. de Waele en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. E.H.J. Krijnen op 6 maart 2018.