Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1154

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
15-03-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
05/860234-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Een 28 jarige man is door de Rechtbank Gelderland veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur vanwege het plegen van ontucht met een vrouw die sliep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Zutphen

Parketnummer : 05/860234-17

Datum uitspraak : 15 maart 2018

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie bij het arrondissementsparket Oost-Nederland

tegen

[verdachte]

geboren op [geboortedag] 1988 te [geboorteplaats] , wonende te [adres 1] , [woonplaats] .

Raadsvrouw: mr. S. Schaapherder, advocaat te Apeldoorn.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 1 maart 2018.

1 De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 14 mei 2017 te Apeldoorn, met [slachtoffer] , van wie verdachte, wist dat zij verkeerde in een staat van lichamelijke onmacht of bewusteloosheid (slaap) of verminderd bewustzijn (een slaap- of sluimertoestand en/of een (alcohol)roes), één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door haar borsten en/of haar vagina, althans haar schaamstreek te betasten;

2.

hij op of omstreeks 14 mei 2017 te Apeldoorn, met [slachtoffer] , van wie verdachte, wist dat zij verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn (te weten een slaap- of sluimertoestand en/of een (alcohol)roes), één of meer handelingen heeft gepleegd, bestaande uit het seksueel

binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten het brengen van één of meer van zijn vingers in haar vagina en/of het brengen van zijn penis in haar vagina.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs 1

De feiten

Op grond van de bewijsmiddelen wordt het volgende, dat verder ook niet ter discussie staat, vastgesteld.

Op 14 mei 2017 waren verdachte en aangeefster ( [slachtoffer] ) aanwezig in de woning van [naam 1] . [naam 1] zelf, [naam 2] en [naam 3] waren ook in de woning aanwezig. Aangeefster was moe en is op een gegeven moment in het bed van [naam 1] gaan liggen. Toen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] buiten waren is verdachte naar de slaapkamer gegaan, waar aangeefster in bed lag. Verdachte heeft aan de borsten van aangeefster gezeten en heeft haar vagina betast. Hierna heeft hij zijn vingers en even later zijn penis in de vagina van aangeefster gebracht.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan beide ten laste gelegde feiten. Bij feit 1 sliep aangeefster toen verdachte de seksuele handelingen bij haar verrichte. Aangeefster verkeerde derhalve in een toestand van verminderd bewustzijn. Ten tijde van het tweede feit was aangeefster in een toestand van halfslaap. Ook toen was zij in onvoldoende mate in staat haar wil te bepalen ten aanzien van het hebben van seks.

Daarnaast heeft de officier van justitie naar voren gebracht dat verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard (voorwaardelijk opzet) dat aangeefster in een toestand van verminderd bewustzijn verkeerde. Aangeefster reageerde immers op geen enkele wijze op de aanrakingen van verdachte.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heef naar voren gebracht dat de verklaringen van verdachte en aangeefster op enkele punten verschillen en dat de verklaring van verdachte de juiste is. Voorts heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat aangeefster bij beide feiten niet in een staat van lichamelijke onmacht of verminderd bewustzijn verkeerde. Aangeefster sliep niet, verdachte heeft nog met haar gesproken vlak voordat ze naar bed ging. Ook was het bewustzijn van aangeefster niet zodanig dat er in redelijkheid niet van haar kon worden verwacht dat zij weerstand bood. Als toch wordt aangenomen dat er sprake was van een toestand van lichamelijke onmacht of verminderd bewustzijn, dan wist verdachte dit niet en kon hij dit ook niet weten gelet op het gesprekje dat heeft plaatsgevonden vlak voordat aangeefster naar bed ging, de interactie van die avond en de opbouw van de handelingen. Ook merkte verdachte aan het lichaam van aangeefster dat ze de seksuele handelingen fijn vond.

Beoordeling door de rechtbank

Aangeefster heeft verklaard dat ze in slaap is gevallen en wakker werd toen verdachte bij haar in bed lag. Verdachte had een hand bij haar borst en een hand in haar broek. Aangeefster heeft toen gezegd: what the fuck ben je aan het doen?”3 Hierna kon aangeefster niet meer reageren, ze bevroor. Ze kreeg wel alles mee, maar was niet in staat om te reageren of te bewegen.4

Enige tijd nadat verdachte was vertrokken kwamen [naam 1] en [naam 2] weer thuis. Aangeefster raakte in paniek en kreeg een hyperventilatieaanval.5

De rechtbank gaat in haar beoordeling uit van de verklaring van aangeefster. Aangeefster heeft consistent en gedetailleerd verklaard en haar verklaring wordt voldoende ondersteund door de inhoud van het onderliggende dossier. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Aangeefster heeft verklaard dat ze, terwijl ze in bed lag, [naam 1] hoorde zeggen: ‘Je hoeft niet naar boven. [slachtoffer] slaapt. Dat komt wel een andere keer.’ Verdachte ontkent dat dit is gezegd, maar zowel [naam 1] als [naam 2] hebben verklaard dat [naam 1] dit tegen verdachte heeft gezegd. Ook verklaren zowel aangeefster, [naam 1] als [naam 2] dat aangeefster al in bed lag toen [naam 1] , [naam 2] en [naam 3] naar buiten gingen, dit in tegenstelling tot de verklaring van verdachte dat [slachtoffer] pas naar bed ging op het moment dat de anderen naar buiten gingen. Ook het door anderen beschreven gedrag van aangeefster en haar gemoedstoestand nadat verdachte was vertrokken –ze was intens verdrietig en stortte in elkaar- passen bij hetgeen haar is overkomen zoals zijn daar zelf over heeft verklaard. De rechtbank vindt de door aangeefster afgelegde verklaring derhalve betrouwbaar en volgt dan ook de lezing van de gebeurtenissen zoals door aangeefster verklaard. De lezing van verdachte dat aangeefster, vlak voordat hij naar de slaapkamer ging, reageerde op zijn vraag of ze nog sliep en dat er op de avond interactie was tussen verdachte en aangeefster waaruit verdachte kon afleiden dat aangeefster mogelijk seks met hem wilde, volgt de rechtbank derhalve niet.

Ten aanzien van feit 1

Dat verdachte seksuele handelingen bij aangeefster heeft verricht wordt niet betwist. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of hierbij sprake was van lichamelijke onmacht, bewusteloosheid of verminderd bewustzijn bij aangeefster. Ook moet de rechtbank de vraag beantwoorden of verdachte hiervan wist (opzet) of de aanmerkelijke kans heeft aanvaard (voorwaardelijk opzet) dat hiervan sprake was.

Staat van verminderd bewustzijn

De rechtbank vindt op basis van de verklaring van aangeefster bewezen dat ze sliep toen verdachte bij haar in bed kwam liggen en vervolgens haar borsten en vagina betastte. Ze verkeerde derhalve in een staat van verminderd bewustzijn.

Opzet

Met betrekking tot het bij verdachte aanwezige opzet gaat de rechtbank uit van de verklaring van verdachte. Verdachte heeft verklaard dat het op de slaapkamer van [naam 1] donker was. Aangeefster heeft niets gezegd en aangeefster reageerde niet op de aanrakingen van verdachte. Ook bewoog ze niet. Verdachte heeft niet gezien of aangeefster haar ogen open had, hier heeft hij ook niet op gelet. Verdachte merkte dat de vagina van aangeefster vochtig werd en dat haar tepels reageerden op zijn aanrakingen.6

De rechtbank overweegt dat aangeefster geen enkel signaal richting verdachte heeft afgegeven waaruit blijkt dat ze wakker was en instemde met de handelingen. Verdachte heeft ook op geen enkel moment getoetst of ze wakker was. Hiermee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde, wat (voorwaardelijk) opzet oplevert. Dat volgens verdachte het lichaam van aangeefster reageerde op zijn aanrakingen doet hier niet aan af, nu dit een natuurlijke reactie van het lichaam is en dit niets zegt over het feit of aangeefster al dan niet wakker was.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat het ten laste gelegde onder feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden.

Ten aanzien van feit 2

De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde hoezeer de rechtbank het handelen van verdachte ook onacceptabel en strafwaardig vindt. Voor een veroordeling is nodig dat het tenlastegelegde onder feit 2 bewezen kan worden. Dit is niet het geval. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Aan verdachte is onder feit 2 -kort gezegd- ten laste gelegd dat hij het lichaam van aangeefster seksueel is binnengedrongen terwijl hij wist dat aangeefster verkeerde in een staat van verminderd bewustzijn. Dat verdachte het lichaam van aangeefster is binnengedrongen wordt niet betwist. Daarnaast moet echter bewezen worden dat aangeefster hierbij in een staat van verminderd bewustzijn verkeerde.

Uit de wetsgeschiedenis van de artikelen 243 en 247 van het Wetboek van Strafrecht volgt dat de staat van verminderd bewustzijn ziet op situaties tussen waakzaamheid en geheel van de wereld zijn in, waarbij van de persoon in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij weerstand biedt aan de seksuele verlangens van een ander. Het slachtoffer kan zich hierbij bijvoorbeeld in een situatie van halfslaap of sluimering bevinden, die aan een diepe slaap voorafgaat of daarop volgt. Het hangt af van de concrete omstandigheden van het geval of er sprake is van een staat van verminderd bewustzijn. De rechtbank betrekt hierbij dat ook de Hoge Raad aansluiting heeft gezocht bij de aangehaalde wetsgeschiedenis (Hoge Raad 22 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:465).

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of aangeefster ondanks het feit dat zij wel wakker was, toch in een toestand van verminderd bewustzijn verkeerde, doordat zij bijvoorbeeld in een situatie van halfslaap of sluimering verkeerde, zodanig dat zij niet in staat was weerstand te bieden aan de seksuele verlangens van verdachte. Bij de beantwoording van deze vraag neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.

Aangeefster kon vanaf het moment dat ze wakker werd de handelingen van verdachte zeer gedetailleerd omschrijven. Ze heeft verklaard dat ze alles meekreeg, maar dat ze niet in staat was om te reageren. Naar het oordeel van de rechtbank was er vanaf het moment dat aangeefster wakker werd geen sprake meer van een staat van verminderd bewustzijn. Hoewel aangeefster niet in staat was weerstand te bieden aan de seksuele verlangens van verdachte, kwam deze onmacht niet voort uit een toestand van halfslaap of sluimering, maar omdat het lichaam van aangeefster niet kon reageren. Nu er geen sprake was van een staat van verminderd bewustzijn van aangeefster kan het ten laste gelegde onder feit 2 niet bewezen worden. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 2 tenlastegelegde.

3 Bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde onder feit 1 heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op of omstreeks 14 mei 2017 te Apeldoorn, met [slachtoffer] , van wie verdachte, wist dat zij verkeerde in een staat van lichamelijke onmacht of bewusteloosheid (slaap) of verminderd bewustzijn (een slaap- of sluimertoestand en/of een (alcohol)roes), één of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, door haar borsten en/of haar vagina, althans haar schaamstreek te betasten.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

4 De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn verkeert ontuchtige handelingen plegen

5 De strafbaarheid van het feit

Het feit is strafbaar.

6 De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7 Overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geëist dat verdachte ter zake van het onder feit 1 en 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar met daarnaast een toezicht vanuit de reclassering, een meldplicht en een behandelverplichting.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft de rechtbank gevraagd, mocht er een bewezenverklaring volgen, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Ook heeft ze naar voren gebracht dat verdachte volgens het reclasseringsrapport niet detentiegeschikt is en dat hij open staat voor een werkstraf. Gezien de belastbaarheid van verdachte is het voor hem lastiger een werkstraf uit te voeren dan voor een ander.

Beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, waaronder het rapport van Reclassering Nederland van 16 februari 2018.

Verdachte heeft ontuchtige handelingen gepleegd bij aangeefster. Hij is bij aangeefster in bed gaan liggen en heeft haar betast terwijl zij op dat moment sliep. Dit is een ernstig feit. Verdachte heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de lichamelijk integriteit van aangeefster. Verdachte heeft zich enkel laten leiden door zijn lustgevoelens en kennelijk niet nagedacht over de gevolgen van zijn handelen. Dat het gebeurde veel impact op aangeefster had, en nog steeds heeft, blijkt onder meer uit het door haar ter terechtzitting uitgeoefende spreekrecht.

De rechtbank komt, anders dan de officier van justitie heeft geëist, alleen tot bewijs van het tenlastegelegde onder feit 1. Gelet op de aard van de handelingen vindt de rechtbank een taakstraf passend. Daarvan legt de rechtbank een deel voorwaardelijk op, rekening houdend met het feit dat verdachte niet eerder voor het plegen van een zedendelict is veroordeeld én om verdachte zich ook in de nabije toekomst er bewust van te laten zijn dat hij er zich van moet vergewissen dat een ander ook seksueel contact wil.

Alles overwegende vindt de rechtbank een werkstraf voor de duur van 180 uren waarvan 60 voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan verdachte een taakstraf van kortere duur op te leggen gelet op zijn belastbaarheid, zoals door de raadsvrouw naar voren is gebracht. Gelet op het rapport van de reclassering zal een taakstraf veel van verdachte vergen, maar wordt het niet onmogelijk geacht. In het verleden heeft hij bovendien al een korte werkstraf voltooid. De rechtbank zal voorts als bijzondere voorwaarde opleggen dat verdachte zich door een voor zijn problematiek passende instelling zal laten begeleiden en behandelen.

7a. De beoordeling van de civiele vordering(en), alsmede de gevorderde oplegging van de schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij, [slachtoffer] , heeft zich in het strafproces gevoegd ter verkrijging van schadevergoeding ter zake van het bewezenverklaarde feit. Gevorderd wordt een bedrag van € 519,98 voor materiële schade en een bedrag van € 3.000,- voor immateriële schade. Ter terechtzitting heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij, mr. [naam 4] , advocaat te Deventer, de vordering toegelicht.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij volledig toe te wijzen. Tevens heeft de officier van justitie verzocht dat de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f wordt opgelegd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, mocht de rechtbank tot een bewezenverklaring komen, verzocht de vordering voor wat betreft het eigen risico af te wijzen nu het declaratieoverzicht van de ziektekostenverzekeraar niet leesbaar is. Ook heeft de raadsvrouw verzocht het eventuele toe te wijzen bedrag voor immateriële schadevergoeding te matigen.

Beoordeling door de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, vast komen te staan dat benadeelde partij [slachtoffer] als gevolg van het bewezen verklaarde handelen schade heeft geleden, waarvoor verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is.

De rechtbank zal de vordering voor wat betreft de gevorderde materiële schade volledig toewijzen. Naar het oordeel van de rechtbank is, hoewel het declaratieoverzicht van de ziektekostenverzekeraar onleesbaar is, voldoende gebleken dat [slachtoffer] een eigen risico van € 385,- heeft moeten betalen. Uit de bijgevoegde stukken blijkt immers dat [slachtoffer] in behandeling is geweest voor haar psychische klachten in de periode van 24 juli 2017 tot en met 4 februari 2018 en dat een sessie therapie € 101,- kost. Het is een feit van algemene bekendheid dat een gedeelte van deze kosten ten laste komen van het eigen risico.

Voor wat betreft de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat een bedrag van € 750,-- passend is bij de ernst van het bewezenverklaarde feit en het door de benadeelde partij opgelopen letsel. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.

Wat betreft het meer gevorderde zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard worden in haar vordering. Benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van het toe te wijzen bedrag met inbegrip van de wettelijke rente vanaf 14 mei 2017 ten behoeve van genoemde benadeelde partij. De vergoeding voor proceskosten ten bedrage van € 38,48 (reiskosten voor bezoeken aan de advocaat, officier van justitie en de rechtbank) zijn daar niet bij inbegrepen.

8 De toegepaste wettelijke bepalingen

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 36f, 63 en 247 van het Wetboek van Strafrecht.

9 De beslissing

De rechtbank:

 spreekt verdachte vrij van het onder feit 2 ten laste gelegde;

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder punt 3, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert het strafbare feit zoals vermeld onder punt 4;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 legt op een taakstraf gedurende 180 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 90 (negentig) dagen;

 bepaalt dat een gedeelte van de werkstraf, groot 60 (zestig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, wegens niet nakoming van na te melden algemene- en bijzondere voorwaarden voor het einde van de proeftijd die op 2 (twee) jaren wordt bepaald;

 beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;

stelt als algemene voorwaarden dat verdachte:

- zich voor het einde daarvan niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit;

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit zijn medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;

- zijn medewerking zal verlenen aan het door de Reclassering Nederland te houden toezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

stelt als bijzondere voorwaarden dat verdachte:

- zich uiterlijk binnen drie werkdagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis zal melden bij de Reclassering Nederland op het volgende adres: [adres 2] te Apeldoorn en gedurende de proeftijd zich zal blijven melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd zal laten begeleiden en onder behandeling zal laten stellen van het FACT-team van Trajectum, of soortgelijke ambulante zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering, waarbij hij zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven.

De beslissing op de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

 veroordeelt veroordeelde ten aanzien van feit 1, tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer] , van een bedrag van € 1.269, 98 (twaalfduizendnegenenzestig euro en achtennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;

 verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering;

 legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer] , een bedrag te betalen van € 1.231,50 (twaafduizendéénendertig euro en vijftig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 mei 2017 tot aan de dag der algehele voldoening met bepaling dat bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom 22 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt;

 bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.S.M. Bak (voorzitter), mr. Y.M.J.I. Baauw en mr. Y. Cenik (rechters) in tegenwoordigheid van mr. E. Bruinsma-Visscher (griffier) en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 15 maart 2018.

1 Het bewijs is terug te vinden in het in de wettelijke vorm door [verbalisant] , brigadier van de politie Oost Nederland, dienst regionale recherche, afdeling thematische opsporing, team zeden, opgemaakte proces-verbaal, dossiernummer PL2017217586-25, gesloten op 13 juni 2017 en in de bijbehorende in wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal en overige schriftelijke bescheiden, tenzij anders vermeld. De vindplaatsvermeldingen verwijzen naar de pagina’s van het doorgenummerde dossier, tenzij anders vermeld.

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , p. 35 t/m 38 en verklaring verdachte afgelegd ter terechtzitting.

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 36 en 37.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 41 en 42.

5 Proces-verbaal van aangifte, p. 37.

6 Proces-verbaal van verhoor verdachte p. 77, 78 en 79 en verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting.