Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1153

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
21-02-2018
Datum publicatie
15-03-2018
Zaaknummer
C/05/317862/HA ZA 17-156
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurdersaansprakelijkheid. Klachtplicht 6:89 BW niet van toepassing. Aanvankelijk onderhandeld onder voorbehoud dat scheepsexploitant financiering geregeld zou krijgen voor ombouw van schepen tot olietankers. Met het vervolgens sluiten van overeenkomsten zonder financieringsvoorbehoud heeft scheepsexploitant indruk gewekt dat financiering rond was en is scheepsbouwer kosten gaan maken. Scheepsexploitant biedt geen verhaal. Bestuurder treft ernstig persoonlijk verwijt en is aansprakelijk. Verwijzing naar schadestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
INS-Updates.nl 2018-0087
RI 2018/50
RO 2018/43
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/317862 / HA ZA 17-156 / 357/871

Vonnis van 21 februari 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[eiseres] ,

gevestigd en kantoorhoudende te Tolkamer, gemeente Rijnwaarden,

eiseres,

advocaat mr. M.L.W. Weerts te Breda,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te Tolkamer, gemeente Rijnwaarden,

gedaagde,

advocaat mr. P.E.A.M. Gerritse te Tilburg.

procederend krachtens toevoeging 1HU3100

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het tussenvonnis van 7 juni 2017 en de daarin genoemde processtukken

  • -

    de brief van 6 november 2017 van [eiseres] met producties 11 tot en met 13

  • -

    de brieven van 7, 13 en 15 november van [gedaagde] met producties 32 tot en met 49

  • -

    het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 21 november 2017.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiseres] exploiteert een scheepswerf.

2.2.

[gedaagde] heeft twee cascoschepen voor droge lading in China gekocht. Het eigendom van de schepen is verkregen met financiering van de ING en is ondergebracht in Rijndec Quality Control B.V. (hierna: RQC) waarvan [gedaagde] (indirect) bestuurder is. [gedaagde] heeft voor de exploitatie van elk schip afzonderlijk een besloten vennootschap opgericht, te weten Rijndec Trading Company B.V., later genaamd Sienport B.V. (hierna: RTC) en Rijndec Tankshipping Two B.V. (hierna: RTT). Ook van deze twee vennootschappen is [gedaagde] (indirect) bestuurder.

2.3.

[gedaagde] heeft op enig moment besloten om de beide schepen om te laten bouwen tot olietankers. [gedaagde] heeft externe geldschieters bereid gevonden om zijn projecten tot om- en afbouw van de schepen te financieren door middel van krediet.

2.4.

Voor het ombouwen van de schepen tot olietankers heeft [gedaagde] [eiseres] benaderd.

2.5.

Op 20 maart 2012 is tussen [eiseres] en RTC een aannemingsovereenkomst gesloten waarbij [gedaagde] namens RTC het voorbehoud heeft gemaakt dat de overeenkomst alleen doorgang zou vinden indien de financiering door de externe geldschieters rond zou komen (hierna: het financieringsvoorbehoud).

2.6.

Op 6 juli 2012 hebben [eiseres], RTC en RTT twee overeenkomsten zónder financieringsvoorbehoud gesloten voor de afbouw van de twee casco schepen. De aanneemsom bedroeg € 2.780.000,00 per schip en de eerste termijnen van respectievelijk € 1.112.000,00 (40% van de aanneemsom) diende bij opdracht te worden voldaan.

2.7.

Op de eerste termijnen is in totaal € 350.000,00 betaald.

2.8.

In september 2012 heeft [eiseres] verzocht om de restbetaling van de eerste termijnen.

2.9.

Toen betaling uitbleef, heeft [eiseres] de werkzaamheden in november 2012 opgeschort.

2.10.

Bij onherroepelijk geworden vonnissen van deze rechtbank van 18 december 2013 zijn RTC (zaaknummer/rolnummer: C/05/250405 / HA ZA 13-614) en RTT (zaaknummer/rolnummer: C/05/250407 / HA ZA 13-615) wegens wanprestatie veroordeeld tot betaling aan [eiseres] van € 752.000,00 respectievelijk € 1.102.000,00 en proceskosten.

2.11.

RTC en RTT zijn niet tot betaling overgegaan. RTC is in staat van faillissement verklaard, welk faillissement op 26 november 2015 wegens gebrek aan baten is opgeheven.

2.12.

Bij brief van 12 december 2016 heeft [eiseres] [gedaagde] als bestuurder van RTC en RTT aangesproken tot betaling van de door [eiseres] geleden schade.

[gedaagde] is niet tot betaling overgegaan.

3 Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van (vooralsnog beperkt tot) € 99.000,00 vermeerderd met rente en kosten.

3.2.

[eiseres] stelt daartoe dat [gedaagde] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor de door hem geleden schade omdat [gedaagde] op het moment van het aangaan van de overeenkomsten in juli 2012 wist dat de vennootschappen niet zouden kunnen betalen, alsmede omdat [gedaagde] verhaalsactief (geld) aan de vennootschappen heeft onttrokken.

3.3.

[gedaagde] voert gemotiveerd verweer.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1.

De vraag die voorligt is of [gedaagde] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is voor de schade van [eiseres] omdat hij op het moment van het aangaan van de overeen-komsten wist dat de vennootschappen niet of niet binnen redelijke termijn aan [eiseres] zouden kunnen betalen en dat zij geen verhaal zouden bieden. [eiseres] baseert zich hierbij op artikel 6:162 BW en de jurisprudentie die rondom bestuurdersaansprakelijkheid is gevormd.

4.2.

[gedaagde] betoogt dat hij niet aansprakelijk kan zijn omdat [eiseres] met de aansprakelijkstelling in de brief van 12 december 2016 drie jaar na de vonnissen van 18 december 2013, in strijd heeft gehandeld met de klachtplicht van artikel 6:89 BW. Door het geruime tijd stilzitten van [eiseres] jegens [gedaagde] is sprake van rechtsverwerking, aldus [gedaagde]. De rechtbank kan [gedaagde] in dit betoog niet volgen en overweegt daartoe als volgt.

4.3.

Artikel 6:89 BW is van toepassing op de gevolgen van het niet nakomen van een verbintenis. Met verbintenis worden alleen die rechtsplichten bedoeld waarmee een sub-jectief vermogensrecht correspondeert van hem jegens wie de rechtsplicht bestaat (TM, Parl. Gesch. Boek 6, p. 38). Géén verbintenis in de zin van artikel 6:89 BW zijn de op een ieder rustende rechtsplichten om een ander niet op onrechtmatige wijze schade te berokkenen. Dergelijke algemene rechtsplichten zijn geen verbintenissen, omdat zij geen rechtsbetrek-king vestigen tussen twee of meer bepaalde personen en omdat met deze rechtsplichten niet een subjectief vermogensrecht van de door de norm beschermde persoon correspondeert (vgl. hof Arnhem-Leeuwarden 13 oktober 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:7755). De vordering van [eiseres] is gegrond op de verplichting van [gedaagde] om als bestuurder van een rechtspersoon zijn taak behoorlijk te vervullen. Een verzaken op dit vlak kan de bestuurder van de rechtspersoon jegens de contractuele wederpartij persoonlijk aansprakelijk maken. Die aansprakelijkheid is echter niet gebaseerd op een overeenkomst maar op onrechtmatig handelen. Het gaat dus om een op de bestuurder rustende algemene rechtsplicht. Artikel 6:89 BW is in dit geval dan ook niet van toepassing. Bovendien is het enkel stilzitten onvoldoende voor het aannemen van rechtsverwerking. Een en ander betekent dat de rechtbank toekomt aan beoordeling van de hiervoor onder 4.1. geformuleerde vraag of [gedaagde] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is.

4.4.

Ten aanzien van de maatstaf die uit de jurisprudentie rondom bestuurdersaan-sprakelijkheid volgt, geldt het volgende. Indien een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap op grond van artikel 6:162 BW. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is echter vereist dat die bestuurder ter zake van de benadeling persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Aldus gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid van een bestuurder naast de vennootschap hogere eisen dan in het algemeen het geval is. Een hoge drempel voor aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover een derde schuldeiser wordt gerechtvaardigd door de omstandigheid dat ten opzichte van de wederpartij primair sprake is van handelingen van de vennootschap en door het maatschappelijk belang dat moet worden voorkomen dat bestuurders hun handelen in onwenselijke mate door defensieve overwegingen laten bepalen. Het antwoord op de vraag of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.

4.5.

Uit het arrest Ontvanger/Roelofsen (HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758) volgt dat binnen de categorie ‘benadeling’ in ieder geval twee typen gevallen kunnen worden onderscheiden waarin een bestuurder naast de vennootschap aansprakelijk kan worden gesteld, te weten gevallen waarin hij namens de vennootschap heeft gehandeld en gevallen waarin hij heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Voor de eerste categorie gevallen, waarin de bestuurder namens de vennootschap heeft gehandeld, geldt de in onder meer het Beklamel-arrest (HR 6 oktober 1989, ECLI:NL:HR:1989:AB9521) ontwikkelde maatstaf dat persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurder van de vennootschap kan worden aangenomen wanneer deze bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de vennootschap niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, behoudens door de bestuurder aan te voeren omstandigheden op grond waarvan de conclusie gerechtvaardigd is dat hem ter zake van de benadeling geen persoonlijk verwijt gemaakt kan worden. Voor de tweede categorie kan het bijvoorbeeld gaan om frustratie van betaling en verhaal of indien door de bestuurder bewust een toestand wordt bewerkstelligd die betaling van een schuld verhindert.

4.6.

[eiseres] beroept zich op voornoemde criteria en op haar rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk is voor de schade die zij lijdt omdat hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.7.

[eiseres] heeft met betrekking tot het verwijt dat zij aan [gedaagde] maakt, allereerst gesteld dat [gedaagde], de initiator van de overeenkomsten, aanvankelijk in maart 2012 heeft onderhandeld onder het voorbehoud dat hij de financiering voor zijn plannen geregeld zou krijgen, maar dat hij in juli 2012 namens de twee B.V.’s overeenkomsten zónder een financieringsvoorbehoud heeft gesloten. Hiermee werd bij haar de indruk gewekt dat de financiering rond was. Echter, volgens [eiseres] wist [gedaagde] bij de opdracht in juli 2012, dan wel behoorde hij te weten, dat betaling van de eerste termijnen niet mogelijk was. Volgens [eiseres] was sprake van een bizarre financieringsconstructie en de voor betaling van de eerste termijnen benodigde depotbedragen waren door de (externe) geldschieters (nog) niet bij RTC en RTT gestort. Hoewel het [gedaagde] duidelijk was dat er problemen waren ontstaan met de financiers en dat nakoming wegens het ontbreken van voldoende middelen onmogelijk zou zijn, bleef [gedaagde] maandenlang uitvoering van de overeenkomst verlangen, aldus [eiseres]. Daarnaast verwijt [eiseres] aan [gedaagde] dat hij niet alle van de financiers ontvangen depotbedragen één op één heeft doorbetaald aan [eiseres] maar dat er ook andere kosten van zijn voldaan, zoals havengeld en verzekeringen.

4.8.

[gedaagde] voert aan dat niet zíjn handelen maar het terugtrekken van de financiers de oorzaak is geweest van het niet kunnen betalen van de eerste termijnen. De financieringsovereenkomsten met de geldschieters waren ten tijde van het ondertekenen van de contracten met [eiseres] in juli 2012 rond. De facturen van [eiseres] voor de eerste termijnen zijn doorgeleid naar de (tussenpersoon van de) financiers met het verzoek tot betaling over te gaan. Echter, de financiers weigerden voor betaling zorg te dragen. Dit was volgens [gedaagde] niet voorzienbaar en [eiseres] is regelmatig op de hoogte gehouden van de voortgang van de financiering en is nota bene zelf betrokken geweest bij gesprekken met de financiers. Ondanks de niet volledig ontvangen eerste termijnen heeft [eiseres] toch een aanvang gemaakt met de afbouwwerkzaamheden en dit komt voor zijn rekening en risico, aldus [gedaagde].

4.9.

Kennelijk is het niet ongebruikelijk om voor een project als dit een aantal nieuwe vennootschappen op te richten. De nieuwe vennootschappen waar [eiseres] zaken mee deed waren leeg en blijkbaar geheel afhankelijk van externe financiering. Dit terwijl het eigendom van de beide schepen was ondergebracht in een andere vennootschap, RQC. Bovendien was die eigendom belast met een hypotheekrecht van de ING. De zaken die [gedaagde] met [eiseres] wilde doen, waren dus volledig afhankelijk van het doorgaan van de financiering aan RTC en RTT. Uit de verklaringen van partijen begrijpt de rechtbank dat [eiseres] in het verleden vaker werkzaamheden voor [gedaagde] heeft verricht en dat de eerste besprekingen voor dit project zijn gevoerd in het licht van de nog tot stand te komen financiering. Daarom zal [gedaagde] in eerste instantie bij het sluiten van de overeenkomst in maart 2012 het financieringsvoorbehoud hebben gemaakt. Nadat hij echter financiers had gevonden, heeft hij in juli 2012 groen licht aan [eiseres] gegeven door het sluiten van de twee overeenkomsten zónder financieringsvoorbehoud. [eiseres] mocht er naar het oordeel van de rechtbank toen op vertrouwen en er ook van uitgaan dat de financiering rond was. De vennootschappen waar [eiseres] zaken mee deed, RTC en RTT, waren op het moment van onderhandelen nieuw opgericht zodat het voor [eiseres] niet mogelijk was om bij de Kamer van Koophandel de financiële gegoedheid van de vennootschappen te controleren aan de hand van gepubliceerde jaarstukken. Hij moest afgaan op de informatie van [gedaagde]. Feit is echter dat de financiering is gestokt, maar dit regardeert [eiseres] niet. Dit geldt temeer nu gesteld noch gebleken is dat [eiseres] vóór het aangaan van de overeenkomsten op de hoogte was van de financieringsconstructie die [gedaagde] namens RTC en RTT was aangegaan. Die constructie kenmerkte zich blijkbaar daardoor dat het betalen van depotbedragen door de externe financiers afhankelijk was van diverse, door [gedaagde] of RTC en RTT te vervullen voorwaarden. Aan [gedaagde] verweer dat het terugtrekken van de financiers hem niet kan worden verweten, moet dan ook voorbij worden gegaan omdat dit tot het risico van [gedaagde] als (indirect) bestuurder van RTC en RTT moet worden gerekend. [gedaagde] heeft met het sluiten van de overeenkomsten zónder financieringsvoorbehoud in juli 2012 een te rooskleurig beeld geschetst aan [eiseres]. Dit heeft tot gevolg gehad dat [eiseres] kosten is gaan maken voor de afbouw van de schepen. Zo ontstond de situatie dat [gedaagde] is gaan ondernemen voor het risico van [eiseres] en dat [eiseres] kosten heeft gemaakt die RTC en RTT niet (volledig) konden vergoeden. Op deze wijze kwam het eigenlijke risico van het welslagen van het project bij [eiseres] te liggen terwijl [gedaagde] de ondernemer is.

4.10.

Al deze omstandigheden zijn voor de rechtbank voldoende om te oordelen dat [gedaagde] een persoonlijk ernstig verwijt treft. Door de overeenkomsten zonder financieringsvoorbehoud te sluiten heeft [gedaagde] bij [eiseres] de indruk gewekt dat de financiering rond was en aldus [eiseres] bewogen voor het project van [gedaagde] verplichtingen aan te gaan die de ondernemingen van [gedaagde] niet konden betalen. Dat [eiseres] vanaf oktober/november 2012 door RTC op de hoogte is gehouden van en betrokken is geweest bij de financieringsperikelen, doet aan het voorgaande niet af omdat dit pas ná het sluiten van de overeenkomst was terwijl in dit kader bepalend is wat daarvóór is gebeurd.

4.11.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagde] als bestuurder aansprakelijk is. [eiseres] vordert schadevergoeding, maar het debat over (de hoogte van) die schadevergoeding is nog niet volledig gevoerd. De rechtbank acht daarom termen aanwezig de zaak wat betreft de schade - waarvan op zichzelf aannemelijk is dat [eiseres] die heeft geleden - te verwijzen naar de schadestaatprocedure. Het ligt vervolgens op de weg van [eiseres] om in de schadestaatprocedure te stellen en te onderbouwen welke concrete schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van [gedaagde] is geleden. In die procedure zal dan ook aandacht kunnen worden besteed aan de stellingen van [gedaagde] met betrekking tot de gestelde schade, waaronder zijn verweer dat [eiseres] voor eigen rekening en risico een aanvang heeft gemaakt met de werkzaamheden terwijl de eerste termijnen nog niet waren voldaan (eigen schuld) en het verweer dat [eiseres] een creditfactuur heeft gestuurd.

4.12.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op:

- dagvaarding € 83,51

- griffierecht 1.924,00

- salaris advocaat 2.842,00 (2,0 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 4.849,51

4.13.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

veroordeelt [gedaagde] op grond van onrechtmatige daad tot betaling van schadevergoeding aan [eiseres], nader op te maken bij staat,

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 4.849,51, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,

5.3.

veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [eiseres] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,

5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.M. Vaessen en in het openbaar uitgesproken op 21 februari 2018.

Coll: PM