Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBGEL:2018:1137

Instantie
Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak
14-03-2018
Datum publicatie
16-03-2018
Zaaknummer
AWB - 16 _ 6486
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Belastingplichtig in Nederland; Verzuimboete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/613
V-N 2018/32.14 met annotatie van Redactie
Viditax (FutD), 19-03-2018
FutD 2018-0820
NTFR 2018/939 met annotatie van mr. N. ten Broek
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Belastingrecht

zaaknummer: AWB 16/6486

uitspraak van de meervoudige belastingkamer van 14 maart 2018

in de zaak tussen

Rederij BvbA [X] , te [Z] (België), eiseres

(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Zwolle, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiseres voor het jaar 2014 een aanslag (aanslagnummer [000] .V46.0112) vennootschapsbelasting (hierna: Vpb) opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van nihil. De verzuimboete is vastgesteld op € 2.639.

Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 30 september 2016 de aanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

Eiseres heeft daartegen bij ongedateerde brief, ontvangen door de rechtbank op 28 oktober 2016, beroep ingesteld.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 februari 2018.

Namens eiseres is verschenen de gemachtigde. Namens verweerder zijn verschenen [gemachtigde] en [A] .

Overwegingen

Feiten

1. Eiseres is een naar Belgisch recht opgerichte besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die aldaar statutair is gevestigd.

2. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit de exploitatie van de [B] ten behoeve van de zeevisserij. Het schip vaart onder Belgische vlag, met een Belgische vislicentie en vist op een Belgisch vangstquotum. De vangsten worden voor tenminste 50% verkocht via een Belgische veiling.

3. Blijkens de overgelegde machtiging zijn de aandelen van eiseres in handen van [C] B.V. en [D] . [gemachtigde] , echtgenoot van [D] , is zaakvoerder.

4. De feitelijke leiding aan de landzijde wordt uitgeoefend door [D] . Zij is volgens de gegevens uit de basisadministratie op 16 december 2011 verhuisd naar België. Haar echtgenoot woont in Nederland.

5. De leiding op zee wordt uitgeoefend door [F] , aandeelhouder van [C] B.V. en woonachtig in Nederland.

6. De bemanning van het vaartuig bestaat voornamelijk uit Nederlanders, woonachtig in Nederland.

7. De uitnodiging voor het doen van aangifte Vpb, de herinnering en de aanmaning zijn verstuurd naar het adres van eiseres in België.

8. Eiseres heeft de aangifte Vpb ingediend op 8 april 2016, terwijl dit op grond van de aanmaning voor 25 maart 2016 had moeten worden gedaan.

Geschil

9. In geschil is of eiseres belastingplichtig is in Nederland en of de verzuimboete van € 2.639 terecht is opgelegd.

10. Eiseres voert aan dat zij niet belastingplichtig is in Nederland en dat zij daarom niet gehouden was in Nederland aangifte te doen, zodat de verzuimboete ten onrechte is opgelegd. De vennootschap staat ingeschreven in België en is daar ook statutair gevestigd, doet in België aangifte en betaalt in België belasting. De vennootschap heeft een Belgische accountant en is verplicht voor de Belgische wetgeving om meer dan 50% van haar activiteiten in België uit te voeren. In België worden de sociale premies voor de bemanningsleden betaald. Ook het daadwerkelijke kantoor is in België gevestigd. De opslag van netwerk, olie en verf is in België. Het vaartuig is onderworpen aan de Belgische scheepvaartinspectie. Degene die de feitelijke leiding van het bedrijf uitoefent, [D] , is ook in België woonachtig, aldus eiseres.

11. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres belastingplichtig is in Nederland, omdat de feitelijke leiding vanuit Nederland wordt uitgeoefend. Mevrouw [D] heeft weliswaar een adres in België, maar is volgens verweerder op grond van artikel 4, eerste lid, van de Algemene wet rijksbelastingen (hierna: Awr) woonachtig in Nederland tezamen met haar echtgenoot. Verweerder voert aan dat zij gezamenlijke Nederlandse bankrekeningen bezitten en dat uit informatie, afkomstig van diverse sociale media, sportvereniging en branchevereniging, blijkt dat zij [Q] als woonplaats vermeldt. De schipper woont eveneens in Nederland. Verder wordt de leiding van de dagelijkse gang van zaken vanuit Nederland geregeld. Alles wat met de exploitatie van het vaartuig te maken heeft, wordt volgens verweerder beslist door de schipper, de heer [F] . Vanwege de belastingplicht in Nederland heeft verweerder aan eiseres een aangiftebiljet uitgereikt. Omdat eiseres dit aangiftebiljet te laat heeft ingeleverd is aan haar een boete opgelegd.

Beoordeling van het geschil

Belastingplicht

12. Op grond van het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Awr, dient de vestigingsplaats van een lichaam naar de omstandigheden te worden beoordeeld. In het algemeen moet ervan worden uitgegaan dat de werkelijke leiding van het lichaam berust bij zijn bestuur, en dat de vestigingsplaats overeenkomt met de plaats waar dit bestuur zijn leidinggevende taak uitoefent. Wanneer echter aannemelijk is dat de werkelijke leiding van het lichaam door een ander wordt uitgeoefend dan dat bestuur, kan er aanleiding zijn als vestigingsplaats van het lichaam aan te merken de plaats van waaruit die ander de leiding uitoefent (vgl. HR 23 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5105).

13. Vast staat dat het beroep zich niet richt tegen het in de aanslag opgenomen vastgestelde belastbare bedrag en/of de verliesbeschikking. Het beroep ziet slechts op de opgelegde verzuimboete. Om die reden biedt deze procedure te weinig aanknopingspunten om een oordeel te geven over de (omvang van) de belastingplicht in Nederland. Slechts het antwoord op de vraag of de verzuimboete terecht en tot het juiste bedrag is vastgesteld kan naar het oordeel van de rechtbank in het kader van deze procedure aan de orde komen.

Verzuimboete

14. Op grond van artikel 6, eerste lid, van de Awr, kan de inspecteur, met betrekking tot belastingen welke ingevolge de belastingwet bij wege van aanslag worden geheven, degene die naar zijn mening vermoedelijk belastingplichtig is, uitnodigen tot het doen van aangifte.

15. Op grond van artikel 8, eerste lid, van de Awr, is ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden.

16. Op grond van artikel 9, eerste en derde lid, van de Awr, wordt de aangifte gedaan bij de inspecteur binnen een door deze gestelde termijn en kan de inspecteur niet eerder dan na verloop van deze termijn de belastingplichtige aanmanen binnen een door hem te stellen termijn aangifte te doen.

17. Op grond van artikel 67a, eerste lid, van de Awr, vormt het niet, dan wel niet binnen de ingevolge artikel 9, derde lid, van de Awr, gestelde termijn doen van de aangifte een verzuim, ter zake waarvan de inspecteur de belastingplichtige uiterlijk bij de vaststelling van de aanslag een bestuurlijke boete van ten hoogste € 5.278 kan opleggen. Op grond van paragraaf 21, derde lid, van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, wordt voor een dergelijk aangifteverzuim bij de Vpb een boete opgelegd van 50% van het wettelijk maximum van artikel 67a van de Awr.

18. De rechtbank stelt vast dat er omstandigheden zijn, vergelijk het bepaalde in artikel 4, eerste lid, van de Awr, die naar België wijzen als vestigingsplaats en omstandigheden die naar Nederland wijzen. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende omstandigheden zijn op grond waarvan verweerder kon menen dat eiseres vermoedelijk belastingplichtig is in Nederland, zodat verweerder niet onredelijk handelt door eiseres te verzoeken om aangifte doen. Hieruit volgt op grond van artikel 8, eerste lid, van de Awr, de verplichting voor eiseres om de aangifte in te dienen. Haar standpunt omtrent de belastingplicht ontslaat eiseres niet van deze verplichting. Eiseres had dit standpunt immers in de aangifte tot uitdrukking kunnen laten komen.

19. Niet in geschil is dat eiseres de aangifte Vpb te laat heeft ingediend. Verweerder heeft eiseres daarom een verzuimboete opgelegd van € 2.639, zijnde 50% van het wettelijk maximum van artikel 67a van de Awr. De rechtbank stelt vast dat eiseres, buiten haar stelling omtrent de belastingplicht, geen gronden tegen de boete heeft aangevoerd en dat verweerder aan eiseres meerdere malen uitstel heeft verleend voor het doen van de aangifte. De rechtbank stelt vast dat eiseres voldoende tijd heeft gehad om aangifte te doen en is van oordeel dat de boete terecht is opgelegd. De rechtbank acht de boete bovendien passend en geboden.

20. Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

21. De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Westerbaan, voorzitter, mr. A.F. Germs-de Goede en mr. A.P. Vaatstra, rechters, in tegenwoordigheid van mr. N.J.H. Klomp, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 14 maart 2018

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.